+ Meer informatie

Irak en de kinderen van de rekening

3 minuten leestijd

De westerse propagandamachine draait op volle toeren. President Bush schildert Irak steevast af als een schurkenstaat. En Saddam Hussein als de nieuwe Hitler. Wie deze dagen Bagdad bezoekt, merkt dat de sfeer in de Iraakse hoofdstad echter ontspannen is. De bevolking is vriendelijk, al zegt dat natuurlijk nog niets over Hussein. Van de economische sancties is weinig te merken. Er is van alles te krijgen. Pepsi komt uit Iran. Bier uit Nederland en Duitsland. De productiedatum is van nog geen twee weken geleden.

Maar geld om het te kopen heeft de bevolking niet. De inflatie is immers gigantisch. Kreeg je in 1990, voor de Golfoorlog, nog 31 Iraakse dinars voor 100 dollar, nu moet men 200.000 dinar neertellen om 100 dollar te ontvangen.

Bij de geldwisselaars worden de dinars gewogen in plaats van geteld. Om dat te ondervangen krijgt iedereen van de regering maandelijks voedselbonnen voor eerste levensbehoeften zoals rijst, meel en zout. Wel goedkoop is de benzine, want die is er in overvloed, meer dan water zelfs. Voor 50 dinar (2,5 eurocent) heb je er al een liter super. Een nijpend watertekort heeft Irak reeds genoodzaakt om met Turkije te onderhandelen over de aanvoer van water: 1 liter water in ruil voor 1 liter benzine!

Veel Irakezen rijden in grote Cadillacs, waarvan de meeste in deplorabele staat verkeren want reserveonderdelen zijn door de boycot nauwelijks te krijgen. Overal staan auto's langs de kant met de motorkap omhoog.

Dat is eigenlijk het enige dat het straatbeeld ontsiert. Bagdad is schoon en goed onderhouden, met gladde asfaltwegen, en na de Golfoorlog is het er eigenlijk alleen nog maar beter op geworden. Alles is opnieuw opgebouwd. Zo zijn er nu twaalf bruggen over de rivier Tigris, in tegenstelling tot de negen van voor 1990.

Een bezoekje aan de Saddam Husseinschool leidt tot chaotische taferelen. De kinderen raken dolenthousiast bij het zien van enkele westerlingen. De leraren doen hun best de orde te handhaven. Ze sommeren de schoolkinderen netjes in de houding te gaan staan en de buitenlandse gasten te begroeten. Hardop scanderen ze de enige leus die ze hebben geleerd: "Saddam. Saddam. Wij staan klaar om ons leven te geven voor Saddam!"

In de theehuizen maak je makkelijk contact met de bevolking. Ze zijn openhartig en geïnteresseerd en veel Irakezen spreken Engels. Saddam Hussein is geen gespreksonderwerp. Er is weinig tot geen politieke beweging in het land. Wie zou hem dus moeten opvolgen?

Voor de Amerikaanse president Bush heeft niemand een goed woord over. Wat niet wil zeggen dat men anti-Amerikaans is. Integendeel: Irakezen zijn dol op Pepsi en de televisie heeft drie zenders die veel Amerikaanse films en tv-series uitzenden.

Een andere Amerikaanse invloed is merkbaar bij het Al Monsour-kinderziekenhuis. Het is het enige in kanker gespecialiseerde ziekenhuis van Irak. Aan het hoofd staat dr. Luay Latif Qasha.

De slaapzalen liggen vol patiëntjes met leukemie. Voor de meesten is er weinig hoop. Het ontbreekt aan medische voorzieningen en wetenschappelijke kennis. Het zogenaamde olie-voor-voedselprogramma wordt volgens de directeur geboycot door de Amerikanen omdat veel medische apparatuur voor andere doeleinden gebruikt zou kunnen worden.

Sinds 1991 is het aantal kinderen onder de tien jaar met leukemie verzevenvoudigd. Een stijging die te wijten is aan het toevoegen van verarmd uranium aan de Amerikaanse munitie. Daarvan is ruim 300 ton achtergebleven in Irak. Je vraagt je af wat er met de burgerbevolking zal gebeuren als de Amerikanen Irak opnieuw met een bezoek vereren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.