+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

X

Wij verblijden ons in de Heere, daar Hij Zijn ontfermende liefde heeft heerlijk gemaakt in de jeugdige'en nog onervaren Pelgrim.

Hij is niet ondergegaan in de zielsverderfelijke leer van de heer Wettisch. Mijnheer Wereldwijs heeft zijn doel niet bereikt.

Wel is de Pelgrim ernstig bestraft, wat hem bijna tot bezwijkens toe heeft terneergeslagen. Maar het werd in zijn hart gelukkig een bukken voor de Heere, en dat deed hem met droefheid zijn zonde belijden.

Er is niet erger dan op te gaan in een wettische godsdienst, zodat de vervulling van Gods beloften voor hart en leven niet meer gezocht kan worden.

Wie daarin voort blijft leven, verdwijnt met Hagar in de duisternis der onwetendheid en der geestelijke onvruchtbaarheid. Dat verplicht ons met ernst te luisteren naar de vermaningen van Evangelist.

Nu heeft en houdt de Pelgrim zijn oog gevestigd op de enge poort van de waarachtige bekering. Het kijken naar rechts en links had hem al zoveel schade berokkend. Daarmee was al zoveel van de kostelijke tijd der genade verloren gegaan, dat kan hij zichzelf niet vergeven. En dat heeft hij dan ook op zijn reis gedurig beleden en beweend.

„Zo kwam hij dan eindelijk aan de enge poort”. Nu mag hij kloppen om binnen gelaten te worden. En bij het wachten op het openen van de poort is zijn hart boetvaardig. Het zal hem een wonder zijn als de poort voor hem geopend wordt en hij binnen mag gaan, en dan valt het mee.

Vriendelijk wordt de Pelgrim door de poortwachter, Welbehagen genaamd, aangesproken en binnen gelaten. Zonder verwond te worden door de vijand is hij binnen gekomen. Hij heeft, daar hem gevraagd was naar zijn afkomst, het hart uitgestort. Het dwalen van het rechte spoor was hem nog tot smart. De oprechtheid in al zijn mededelingen doet in het luisteren naar deze man weldadig aan. Moest hij lang wachten bij het kloppen aan de poort? Inderdaad, hij moest wachten bij het kloppen aan de poort, die van buiten af niet is te openen. Hij was er dan ook heengegaan in het vertrouwen dat hem open gedaan zou worden. Want de Heere zegt: „Klopt, en u zal opengedaan worden”.

Maar desniettemin moest hij toch enige malen kloppen, dat was voor hem een beproeving. De bestrijdingen van satan en de verdenkingen van het ongeloof komen daar gewoonlijk op ons af. En wat hebben wij de Heere menigmaal laten kloppen zonder op te staan uit onze zorgeloosheid om Hem open te doen en te luisteren naar het Woord van Zijn genade. Eindelijk werd de poort hem door Welbehagen geopend. Daaruit is af te leiden dat het wachten hem nogal zwaar gevallen was. Trouwens, wachten duurt altijd lang.

Maar de Pelgrim was geen godsdienstige belletrekker. Hij bleef wachten totdat hem werd open gedaan. Hij dacht er niet aan omweg te lopen. Het kan zijn dat de Heere u lang laat wachten, maar blijf kloppen, blijf roepen om ontferming, loop niet weg.

Van Barmhartigheid is ons bekend, dat zij in de vreze van buiten gesloten te zullen worden, moed mocht grijpen uit het opschrift boven de poort; „Klopt, en u zal opengedaan worden”. En zij klopte met geweld, zodat het door het gehele huis klonk. En zie, de poort ging haar open. Al de bestrijdingen en verdenkingen werden uit haar hart weggevaagd. De Heere vervult de belofte: „En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”, in het hart en leven van allen, die biddend blijven wachten aan de poort, die alleen door Hem geopend kan worden.

Maar waarom wordt de poort eng genoemd, daar al de reizigers als de poort geopend wordt er nog al gemakkelijk door heen gegaan zijn? De Pelgrim werd wel bij de hand gegrepen en over de drempel getrokken, maar dat had zijn oorzaak niet in hem, noch in de poort. Dat deed Welbehagen tot bescherming voor de scherpe pijlen van de vijand, die met een dodelijke haat vervuld was tegen alle oprechte Pelgrims.

Zeker, het gaan door deze enge poort valt nog wel mee voor reizigers die gans ontbloot zijn tot de laatste draad van deugd en plicht toe. Want dan gaat men er door met verlies van zijn leven. Dan is het niet moeilijk, dan gaat het vanzelf.

Heeft de Pelgrim nu voor altijd de enge poort an de waarachtige bekering achter de rug? In geen geval. Dat zou nog wel kunnen bij een uitwendige bekering van de kroeg naar de kerk. Maar daarmee is nog nooit iemand door de enge poort gekomen.

De waarachtige bekering is een werk van het hart. Zij bestaat in een hartelijk leedwezen en in een hartelijke vreugde. En als het geen werk des harten is, dan is het geen waarachtige bekering.

Wij moeten niet denken wanneer de Pelgrim door de enge poort van de waarachtige bekering heen is, dat hij dan voor altijd een goed bekeerd mens is. Van dag tot dag hebben wij de waarachtige bekering nodig tot de laatste snik, daar wij zijn in het lichaam der zonde. Deze enge poort heeft in ons hart en leven een blijvende betekenis. Vanuit Gods soeverein welbehagen is het alleen mogelijk door de enge poort van de waarachtige bekering in te gaan in de eeuwige vreugde.

De waarachtige bekering komt op uit de levendmaking. Door het deelachtig worden van de Goddelijke ratuur bekomt het hart een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

De wet der liefde moet door Gods Geest in ons hart geschreven worden om de Heere hartelijk lief te krijgen. Want dan pas krijgt het hart smart over het zondigen tegen Hem. De waarachtige bekering is nodig tot verkrijging van de vergeving der zonde en het recht ten eeuwigen leven. Het was bij de tollenaar een boetvaardig staan voor Gods aangezicht. Het besef de eeuwige dood verdiend te hebben, was in hem. Hij had genade, soevereine genade nodig. En dat betekent daar, zeggen de geleerden; Verzoening door voldoening. En zie, hij ging gerechtvaardigd naar huis. Wat is het zoet en zalig voor het hart, gesteld te worden in Gods vergevende liefde door Christus.

In de waarachtige bekering gaat het niet alleen om de verbreking van de kracht der zonde, de vergeving van de schuld der zonde en bevrijding van de straf derzelve, maar zij dient ook tot doding van de smet der zonde om Gode te wandelen op de weg van heiligmaking.

Onze oude mens moet met Christus gekruist, gedood en begraven worden om te leven met de Heere, te wandelen voor Zijn aangezicht en te jagen naarr de volmaaktheid. En dat is de heiligmaking.

Maar denk nu niet dat de Pelgrim de waarachtige bekering nu al kent in al die gangen van het geestelijke leven. Hij gaat nog gebogen onder de last der zonde, zijn hart snakt naar Gods vergevende liefde in Christus. En toch is hij in dat alles nu op het rechte spoor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.