+ Meer informatie

De openbaring van de vreze des Heeren in het kerkelijk leven

7 minuten leestijd

3.

Nu nog iets over de viering van het Heilig Avondmaal. Het is niet mogelijk alle zielservaringen te noemen. Er is zulk een grote verscheidenheid op dit in de praktijk veel omstreden terrein, ook onder degenen, die in de vreze des Heeren wandelen. Maar dit hebben ze allen gemeen: ze kunnen er zonder meer niet aan voorbijgaan, want hun hart trekt hen daarheen. Maar hier is het ook al weer bij velen, men vreest voor hetgeen wordt begeerd. Nu is de vraag, wat trekt hen daarheen en wat doet hen vrezen.

Deze twee zaken hebben ze allen gemeen, in welke stand van het geestelijke leven ze ook verkeren.

Maar er is wel verschil in hoedanigheid. De een vreest — en dat zijn wellicht de meesten — of men wel gerechtigd is. Steelt men niet het brood, dat alleen de kinderen toekomt? De ander ziet op zijn onverloochendheid en ongelijkvormigheid aan het beeld van Christus. En beiden vrezen zich daardoor een oordeel te eten en te drinken.

Ook in wat hen daarheen trekt, is er een verscheidenheid niet in wezen, maar wel in hoedanigheid. De meer bevestigde Christen, die de vergevende liefde Gods en de kracht van het verzoenend bloed van Christus ervaren heeft en daarin levende, zal met meer vrijmoedigheid, ja soms met grote begeerte aangaan. Ook de ervaring en de gezegende vrucht zal dieper en meer verzegeld zijn dan van de anderen. Ieder wordt bediend overeenkomstig zijn geestelijke behoefte.

Hoe meer genade, hoe armer in zichzelf en hoe meer behoefte om bij vernieuwing ingeleid te worden in de borggerechtigheid van Christus. Ontdaan van alle eigengerechtigheid en uitgedreven uit de schuilhoeken van Zelfvoldaanheid, houdt men niets over dan eigen verdorven natuur, die zich laat gelden in al hun doen en denken, waar zij het niet mee eens zijn, en werkt zulk een onbeschrijfelijke leegte in hun hart, dat zij van harte betuigen midden in de dood te liggen. Ze gaan soms met een wankelende gang ter tafel, maar met een honger en dorst naar Zijn gerechtigheid. Hoe zielsverruiinend worden zij daar soms onthaald, als bij vernieuwing gezien wordt, dat ze in Hem volmaakt rechtvaardig zijn. Hoe vurig wensen zij daar Zijn lijdend Beeld gelijkvormig te zijn, om dan het kruis gewillig op te nemen en met lijdzaamheid de loopbaan te lopen, die hun voorgesteld is.

Wat is nu het verschil met hen, die niet tot die hoogte van het geloof gekomen zijn? Als zij er hen uit horen spreken, stemmen zij er van harte mee in. Ze hebben dezelfde begeerte, maar ze missen de toe-eigening. Zij kunnen dat kleed der gerechtigheid zichzelf niet aanmeten. Dat moet hun geschonken worden. Ook is daar nog geen plaats voor. Al kennen zij een levend gemis, ze zijn niet ontdekt aan hun totale verlorenheid en strafschuldigheid om de gerechtigheid van Christus nodig te hebben, die alleen aan verlorenen in zichzelf wordt toegepast. Toch kunnen ook zij een vruchtbare avondmaalsviering hebben.

Zij kunnen niet aangaan uitsluitend op hun kerkelijk recht. Hun conscientie verbiedt dit. Al wordt dit niet altijd onderscheiden, het is de trekkende liefde des Vaders, die hen er brengt. Ik weet het, de wegen des Heeren zijn onderscheiden. Toch gebeurt het nogal eens, dat ze daar in de eerste tijd meermalen liefelijk worden onthaald om hen te laten ervaren, hoe welkom ze daar zijn. De vraag is wel eens gesteld: wat krijgen ze daar dan? Dat is ook weer onderscheiden. Somtijds een stille, zoete vrede, de goedkeuring Gods in hun hart.

Soms delen zij in de liefdes-uitlatingen van het Goddelijk Wezen, soms mogen ze zien op de tekenen, wat het Hem gekost heeft, dat ze zulke liefdes-betrekkingen in hun hart ervaren van de Heere Jezus, dat ze een gewilligheid in zich waarnemen Hem door het geloof te omhelzen. Ook ervaren zij daar wel eens de gemeenschap der heiligen. Ze gevoelen zich één met de strijdende en de triomferende kerk, die allen één zijn in Hem, Wiens offer daar zichtbaar wordt voorgesteld, hetwelk gepaard gaat met een hartelijke liefde en enige blijdschap des harten. Maar genoeg hiervan. Er zou veel meer van te zeggen zijn. Het is alleen maar te ervaren in de dadelijke vreze Gods.

We willen nog op iets anders wijzen. Alle levende leden van het lichaam van Christus staan in het ambt der gelovigen, waarin zij dienstbaar zijn aan elkaar, niet door uiterlijke plichtsbetrachting, maar door hun liefdes-verbondenheid aan de gemeente des Heeren en aan de levende leden in het bijzonder. Nu komt het voor, dat er in de vreze des Heeren een begeerte komt tot het bijzondere ambt, namelijk van predikant, ouderling of diaken en die toch niet in vervulling gaat. Er kan ook een natuurlijke begeerte zijn, die al of niet vervuld wordt, maar daar spreken we niet over.

Die begeerte ontstaat dan doordat de liefde Gods hun hart vervulde. En gedrongen door wederliefde en een hartelijke lust om Hem te dienen, menen ze, dat ze dat beter kunnen doen in het ambt, om zo hun leven in Zijn dienst te besteden. Sommigen meenden daar hun roeping al in te zien. In zulk een tijd wordt het gewicht, de verantwoordelijkheid en eigen onbekwaamheid niet overwogen. Gaat deze begeerte niet in vervulling, is dit voor hen geen blij vende teleurstelling. Ze werden er toe gebracht tevreden te zijn met de plaats, die God voor hen beschikt. Het is goed, dat het in hun hart geweest is. Evenwel, zij werden er niet toe geroepen.

Het kan ook zijn, dat zij wel in vervulling gaat, dus, dat die begeerte door God is gewerkt. Is de tijd aangebroken dan deinzen ze dikwijls terug en vrezen zij, wat zij eertijds hadden begeerd. Als God ze roept, vindt Hij ze dikwijls niet bereid en is er inwinnende genade nodig hen er toe te brengen. Van achter gezien, geeft dit wel meer zekerheid van hun roeping.

Ontdaan van alle vermeende bekwaamheden en zichzelf ziende als de meest ongeschikte, geheel afhankelijk van de ambtelijke leiding van Christus, in welk ambt men dan ook dient, kan men in de vreze des Heeren dienstbaar zijn voor de gemeente met de onderscheiden gaven, die God verleent.

Ook de gemeente heeft hier een taak en een gemeente, die wandelt in de vreze des Heeren is zich die taak bewust. God roept de ambtsdragers door middel van de gemeente. Ze geeft daar dan ook haar volle medewerking aan in het verkiezen van ambtsdragers. Hoofdzaak is het persoonlijk en het gemeenschappelijk gebed om de leiding des Heiligen Geestes. Een gemeente, die zo werkzaam is, wordt die leiding niet onthouden. Dan geeft God amtsdragers in Zijn gunst. De gemeente aanvaardt ze als een geschenk Gods aan de gemeente-Zij acht ze niet om bepaalde gaven of bekwaamheden, veracht ze niet om hun zwakheden en gebreken.

We willen hiermee besluiten. We komen nog eens terug op de geestelijke balans. Het is naar bijbels voorschrift acht op elkaar te hebben. Wellicht dat we daarbij nogal wat splinters in de ogen van onze broeders en zusters zullen ontdekken. Het zou onze roeping zijn elkaar daarvan trachten te bevrijden. Alvorens daartoe over te gaan, zal het goed zijn eerst te onderzoeken of er zich mogelijk niet een balk in ons eigen oog bevindt. Het is ook naar bijbels voorschrift onszelf daar eerst van te ontdoen. Het is een groot voorrecht te mogen wandelen in de vreze des Heeren. Maar welk een zegen is het dat van een gemeente kan gezegd worden. Als dit van eigen gemeente mag gelden. Wat een onderlinge band en saamhorigheid zou er zijn. Dan gaat er een getuigenis uit naar buiten. Dan zegt men: wij gaan met u, want wij hebben gezien, dat de Heere met u is. Dan is er verwachting ook voor de toekomst en gaat de belofte in vervulling: „wees ten allen dage in de vreze des Heeren, want daar is een beloning en uw verwachting zal niet afgesneden worden”.

Noordeloos

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.