+ Meer informatie

In meeste scenario's valt schade mee

5 minuten leestijd

De olieprijs, die al sinds 1973 als een min of meer permanente onzekere factor boven de wereldeconomie hangt, zakte deze week enkele dollars. Het verdere verloop ervan is in hoge mate bepalend voor de conjuncturele ontwikkeling. Het beeld dat naar voren komt uit de diverse scenario's voor ons land ziet er niet echt somber uit. Er ligt vooralsnog geen recessie in het verschiet.

De wereld leeft wat betreft de situatie in het Midden-Oosten tussen hoop en vrees. Dé scherpe fluctuaties van de olieprijzen en de aandelenkoersen brengen dat tot uitdrukking. Vorige week overheerste de angst voor het uitbreken van een oorlog. Als gevolg daarvan werd de olie flink duurder en kelderden de noteringen op de effectenbeurzen. Deze week, vooral aan het begin ervan, was er sprake van een zekere omslag. Marktpartijen lieten zich nu bij hun beslissingen in hoofdzaak leiden door de toenemende activiteit op diplomatiek terrein, die het uitzicht op een vreedzame oplossing wat verbeterde. De enigszins afgenomen acute dreiging van een militaire confrontatie zorgde voor aantrekkende koersen in onder meer New York, Tokio en Amsterdam. Tegelijk ging op de vrije markt de prijs van een vat ruwe olie (159 liter) met enkele dollars omlaag.

Beleid OPEC

Hierbij speelde ook de positieve uitkomst van het OPEC-beraad een rol. Woensdag bereikten tien van de dertien lidstaten een akkoord over een tijdelijke extra produktie. De verkleining van het aanbod die is opgetreden door het embargo tegen Irak en het ingelijfde Koeweit -samen waren deze leveranciers goed voor zo'n 20 procent van de totale afzet van OPEC- mag worden gecompenseerd door een produktieverhoging van andere leden van het kartel. Door deze maatregel lijkt de aanvoer van voldoende ruwe olie voorlopig zeker gesteld. De opstelling van de betrokken landen geeft aan dat die er beslist niet op uit zijn het Westen in de wurggreep te nemen; een belangrijk verschil met de gang van zaken rond de crisis van 1973 en 1979.

Niettemin vormt de prijs van ruwe olie blijvend een onzekere factor voor de wereldeconomie. Dat is eigenlijk al zo sinds eerstgenoemd jaar. Toen zetten de Arabieren de olie in als politiek wapen in de strijd tegen Israël en zijn bondgenoten. Er werd een boycot ingesteld en OPEC besloot tot een verviervoudiging van de prijs. Die kwam per 1 januari 1974 op 11,6 dollar. In 1979 en 1980 volgden, onder invloed van de machtswisseling in Iran, een nieuwe reeks verhogingen, tot uiteindelijk een officiële richtprijs van 36 dollar en een maximale prijs van 41 dollar. In de periode daarna breidden landen als Groot-Brittannië en Noorwegen hun oliewinning voortdurend uit. Daardoor verloor OPEC de controle over de markt en boette de organisatie in aan macht. De prijzen raakten x>nder neerwaartse druk en in 1983 moest het kartel een verlaging tot 29 dollar afkondigen. De neergang zette echter door. In 1986 vielen de noteringen op de vrije markt terug tot beneden de 10 dollar. De laatste jaren lag het niveau meestentijds tussen ongeveer 15 en 20 dollar.

Onzekerheid

Het verdere verloop van de olieprijs is in sterke mate bepalend voor de economische ontwikkeling, ook voor die in ons land. Er verschijnen nogal wat scenario's met voorspellingen voor de nabije toekomst. In de huidige omstandigheden valt evenwel weinig met zekerheid te zeggen. Alles hangt uiteraard af van de gang van zaken in het Midden-Oosten. In ieder geval wordt er in alle varianten rekening mee gehouden dat de olieprijs voorlopig boven de 20 dollar ligt. Het Centraal Planbureau bij voorbeeld, dat op Prinsjesdag een nieuwe prognose publiceert, gaat voor 1991 uit van gemiddeld 21 a 22 dollar. Breken er onverhoopt vijandelijkheden uit, dan zullen de noteringen ongetwijfeld omhoog vliegen. Sommige deskundigen voorzien in die situatie een stijging tot misschien wel 45 dollar. Hoe lang de prijs op een dergelijk peil blijft, is afhankelijk van de vraag in hoeverre de aanvoer stokt.

Al met al verkeren we in een fase die zich, zoals we ook vorige week al constateerden, kehmerkt door grote onzekerheid. Daarbij moeten we bedenken dat onzekerheid een slecht handelsklimaat is. In ondernemerskringen beluisteren we dat investeringsplannen opnieuw worden berekend en beslissingen over de uitvoering ervan opnieuw worden overwogen. Dat betekent dus op z'n minst vertraging. Op den duur zouden ook consumenten wel eens voorgenomen uitgaven kunnen uitstellen. Een en ander leidt tot minder bestedingen en veroorzaakt een negatief effect op de groei van de produktie. Mensen stemmen hun economische handelingen nu eenmaal niet alleen af op de feitelijke ontwikkelingen, maar laten zich daarbij evenzeer beïnvloeden door het psychologisch klimaat. Daarom moeten we ons zeker geen crisis aanpraten.

Geen recessie

De algemene verwachting die naar voren komt uit becijferingen van het Planbureau, banken en werkgeversorganisaties is dat zo'n ernstige economische terugslag ook niet in het verschiet ligt. Vooralsnog hoeven we geen herhaling te vrezen van de diepe inzinking van het begin van de jaren tachtig. Absoluut geen reden voor paniek of voor het opstellen van rampenscenario's, zo hoort men bij de ondernemersverbonden. Zij wijzen erop dat de weerbaarheid van het bedrijfsleven de laatste jaren duidelijk is versterkt. Ook minister Andriessen reageert vrij laconiek en ziet geen reden om de alarmklok te luiden.

Volgens de berekeningen van dit moment zal in ons land de economische groei in 1991 in lichte mate achter blijven bij eerdere ramingen, maar dreigt er geen echte recessie. Zelfs bij een olieprijs van 30 dollar valt de groei, volgens de inzichten van het Planbureau, bij lange na niet geheel weg. Naast de olieprijs is voor het Nederlandse bedrijfsleven trouwens ook de dollarkoers van groot belang. Een verdere waardedaling van de Amerikaanse munt heeft tot gevolg dat veel ondernemingen minder verdienen. De duurdere olie zal voorts de inflatie aanwakkeren. In doorsnee houden de prognoses het op een extra prijsstijging van rond een half procent per jaar. Ondertussen spint de overheid garen bij de crisis. De prijs die buitenlandse afnemers moeten betalen voor ons aardgas, is immers gekoppeld aan de olieprijs. Voor de minister van financiën rinkelt dus de kassa. Hij mag extra inkomsten tegemoet zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.