+ Meer informatie

Kerkvisitatie

11 minuten leestijd

Een van de middelen waardoor het kerkverband functioneert is dat van de kerkvisitatie. Onze kerkorde heeft daarover in artikel 44 het volgende bepaald:

Ook zal de classis tenminste twee van haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords van wie één vervangen kan worden door een ouderling, machtigen om in alle kerken elk jaar kerkvisitatie te houden en alzo toe te zien, of de predikanten, ouderlingen en diakenen hun ambt getrouw waarnemen, bij de zuiverheid der leer volharden, de aangenomen kerkorde in elk opzicht handhaven en de opbouw van de gemeente, alsmede van de jeugd, naar behoren, zo veel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen, opdat zij hen die nalatig in het een of ander worden bevonden, bijtijds broederlijk vermanen en met raad en daad alles doen strekken tot vrede, opbouw en welzijn van de kerken.

Iedere classis is bevoegd, zo zij dit wenst, het mandaat van deze visitatoren te verlengen, tenzij de visitatoren zelf, om reden, waarover de classis heeft te oordelen, verzoeken te worden ontslagen.

In hoofdzaak heeft onze kerkorde daarmee overgenomen de redactie zoals deze was vastgesteld op de synode van Dordrecht (1618-1619). In hoofdzaak: immers hier en daar is de tekst van het artikel aangepast aan de huidige omstandigheden. In het oude artikel werd in de kerkvisitatie een sterk accent gelegd op de betekenis van het sehoolonderwijs. Dat deze zaak in ons artikel niet meer zo in het oog springend naar voren komt, is geschied omdat de verhouding tussen en kerk en school is gewijzigd. Niet omdat wij minder waarde zouden hechten aan het onderwijs van de jeugd der gemeente. Men behoeft de vragen die voor de kerkvisitatie zijn opgesteld maar te lezen om zich hiervan te overtuigen.

De grote synode van Dordrecht heeft zich in de formuleringen weer nauw aan-gesloten aan hetgeen door de synode van ’s-Gravenhage (1586) was bepaald over de kerkvisitatie. In dit korte stukje over artikel 44 kan ik niet ingaan op de geschiedenis van de kerkvisitatie als zodanig. Slechts zij hier opgemerkt, dat reeds de oude kerk de kerkelijke visitatie kende. De bisschop had toe te zien op de onder zijn toezicht gestelde gemeenten. In de tijd van de deformatie ontaardde het instituut: de kerkelijke visitatie werd een middel waardoor de hiérarchie werd uitgeoefend: het functioneerde ter bevestiging van de bisschoppelijke macht dikwijls als een schakel in het systeem ter inning van kerkelijke belastingen. Gedurende de Reformatie werd ook de kerkvisitatie weer in ere hersteld. Maar in Duitsland werd het als een middel gebruikt waardoor de landvorst de kerk onder zijn invloed tot hervorming trachtte te brengen. In Schotland werden kerkelijke visitaties een middel waardoor de superintendent (een soort van gereformeerde bisschop) zijn invloed deed gelden.

Toen dan ook gedurende de vestiging van de Gereformeerde Kerk hier te lande de vraag opkwam (voor het eerst vanuit Zeeland) of het niet goed zou zijn dat er kerkelijke inspecteurs of superintendenten zouden worden aangesteld, die de verschillende gemeenten zouden bezoeken, rezen er al dadelijk grote bezwaren. Men vreesde dat men, ook wanneer men hun taak behoorlijk zou limiteren, oorzaak zou geven tot menselijke heerschappij in de kerk van Christus. Men kan beslist niet zeggen dat de kerken enthousiast waren voor de gedachte. Dat niettemin de gedachte op zichzelf veld won, doorwerkte en tenslotte ook een kerkelijke vorm ontving, mag ons wel iets zeggen. Me dunkt dat daaruit duidelijk blijkt, hoezeer onze vaderen de kerkvisitatie hebben gezien als een zeer noodzakelijk en heilzaam middel in de kerkelijke samenleving. Weliswaar heerste er in het begin nog wel onduidelijkheid, of men de kerkvisitatie zou regelen vanuit de provinciale synodes ofwel als een instituut van de classicale vergadering. Maar die onduidelijkheid werd vanzelf in de praktijk opgelost. Onze vaderen hebben besloten de kerkvisitatie te zien als een middel waardoor de kerken van een classicaal ressort onderling het broederlijke toezicht oefenden. Geen bisschoppelijke macht, geen politieke instelling, geen staatkundige heerschappij werd erdoor uitgeoefend, maar wél een kerkelijke en broederlijke dienst van onderlinge hulpvaardigheid. Een zeer wezenlijke functie van het kerkverband, dat in de loop der jaren een gezegende uitwerking heeft gehad en waarvan de betekenis ook door ons niet licht kan worden overschat.

Van belang is te zien door wie de kerkvisitatie zal worden uitgeoefend. Zij wordt uitgeoefend door de classis, die daartoe een aantal broeders deputeert. In dit geval noemen wij deze broeders geen deputaten maar kerkvisitatoren. Natuurlijk hebben zij een duidelijke lastgeving. Het oude artikel spreekt van autorisatie. In het nieuwe is sprake van een mandaat, d.w.z. een bevel, waarachter de classis zelf staat. Het kerkelijk bezoek dat gebracht wordt, is maar niet een gezelligheidsbezoek. Het is een zeer ernstige zaak, die men heeft te zien in de sfeer van opzicht en tucht. Heel duidelijk blijkt dit uit een leiddraad, die de synode van 1586 gaf aan kerkvisitatoren: de zuiverheid der leer en „alle goede gerechtigheid in de gemeente” staat daar bij centraal. Daartoe hebben de visitatoren in het bijzonder de prediking in het oog te vatten: „Zullen zy somwylen gaan hooren de Predicatien der Dienaaren, en neerstiglyk letten, niet alleen op de materien derzelve, of geen onreine Leere of menschelyke Fabulen of Verdichtselen daarby gemengt worden, maar ook op de manieren van leeren zelve, of die stigtelyk en profytelijk voor den Volke is, en of die Dienaars neerstiglyk zyn in het leezen en onderzoeken der Heilige Schriftuure, of ook de Dienaars de forme van bedieninge in het Doopen, en anderzints gebruikende zyn na de vastgestelde ordre der kerken”.

Zij krijgen de bevoegdheid om informaties in te winnen over de prediking, hetzij bij de ouderlingen en diakenen, hetzij bij gemeenteleden, zij het dat zij dit zullen doen met „alle beleeftheid en voorzigtigheid”.

Een ieder kan aanvoelen, dat hier zeer belangrijke zaken op het spel staan. Met het oog daarop heeft men dan ook bepaald dat de classis alleen van haar meest ervaren en bekwame dienaren kan aanwijzen. Dordt bepaalde: „twee vande outste, ervarenste en geschickste”. Deze kwalificatie is vanzelfsprekend. Het mag niet voorkomen (helaas geschiedt het nog dikwijls), dat de kerkvisitatie verricht wordt door jonge en onervaren predikanten, die op deze manier weliswaar een zekere ervaring kunnen opdoen (wát voor!), maar die met betrekking tot moeilijke vragen van het kerkelijke leven geen degelijke raad weten te geven. Daarom was het een goed ding, dat indertijd besloten werd, dat in sommige gevallen de dienaren des Woords vervangen kunnen worden door ouderlingen. Deze laatste toevoeging aan het artikel dateert echter van de laatste tijd.

Het kan geen kwaad dat we even wijzen op de ontstaansgeschiedenis van deze toevoeging. Weliswaar blijven we ermee binnen hetgeen ook eerder wel in onze gereformeerde traditie werd gevonden, maar de praktijk had geleerd, dat in de meeste gevallen predikanten, oude en ervarene en bekwame predikanten wel te verstaan, het meest geschikt waren om het werk van de kerkvisitatie te verrichten. Uit hoof de van hun studie en ervaring zou men mogen verwachten dat zij het eerst in aanmerking komen. Maar toen in de praktijk bleek, dat een bepaalde classis niet beschikte over een voldoend aantal predikanten, of dat een paar predikanten gezien vele andere werkzaamheden, of om andere oorzaken niet in staat waren de hun opgedragen kerkvisitatie te verrichten (dit speelde zich af in de classis Utrecht), besloot men de mogelijkheid te openen, om bij de kerkvisitatie gebruik te maken van ouderlingen. Er dient op gewezen te worden, dat de oorspronkelijke bedoeling van het kerkordelijke artikel zulks niet beoogde. Onze uitbreiding, waardoor ook ouderlingen ingeschakeld kunnen worden, is duidelijk een tegemoetkoming aan de praktijk. Of het een terecht zo gegroeide praktijk is, kan hier buiten beschouwing blijven. Wel wil ik er op wijzen, dat de bedoeling van onze vaderen is geweest de kerkvisitatie niet maar tot een formele, administratieve aangelegenheid te maken, en dat het dus verkeerd zou zijn, te denken, dat we met het aanhouden van formaliteiten uit het verleden, desnoods aangepast aan de mogelijkheden die momenteel voorhanden zijn, de essentie van het kerkelijk leven zouden kunnen redden. Men kan de vraag zelfs stellen of een classis die zonder meer iedere predikant inschakelt voor de kerkvisitatie, daarmee handelt in de geest van dit artikel. Laat staan, dat het een vanzelfsprekende zaak zou moeten geacht worden dat alle ouderlingen nu ook mee gaan op kerkvisitatie. Neen. Op bekwaamheid, op ervaring, op tact en wijsheid, óók op een degelijke kennis van de kerkorde dient de classis toe te zien. Daarom was het ’t beste, wanneer — zoals het vroeger wel geschiedde — de kerkvisitatoren bij geheime stemming werden aangewezen.

Wat is immers hun opdracht?

Deze is geen andere dan die van opzicht over de vervulling van heel de ambtelijke dienst in de gemeente. Op één woordje wil ik hier de nadruk leggen: het is het woordje bijtijds.

De bedoeling van deze uitdrukking is om het preventieve karakter van de kerkvisitatie te onderstrepen. Wanneer men een ziekte op tijd herkent, kan er soms iets aan gedaan worden. Wanneer men kerkelijke moeilijkheden in het begin terstond weet te signaleren en pastoraal weet op te vangen, kan men veel kerkelijke eilende voorkomen. Dat is een van de grootste zegeningen die aan de kerkvisitatie verbonden zijn. De praktijk leert ons, dat sommige kerkelijke kwesties niet die verschrikkelijke afmetingen zouden hebben aangenomen, wanneer men tijdig had kunnen helpen. Ik zou gemeenten kunnen noemen, waar men niet met kerkelijke moeilijkheden zou te kampen hebben gehad, wanneer de classis getrouw was geweest in het onderhouden van dit middel tot kerkelijke en broederlijke eenheid. Wanneer er geregeld naar de bedoeling van de kerkorde kerkvisitatie wordt gehouden, kan men voorkomen, dat spanningen in een gemeente boven proporties groeien.

Maar dan dient men ook wel te weten wat de bedoeling is van zulk een bezoek. De bedoeling is niet om zich met andermans zaken te bemoeien. De bedoeling is ook niet om op uiterst formalistische manier een serie vragen af te werken, zonder daarvan af te wijken, zonder de mogelijkheid tot een verdergaand broederlijk gesprek aan te grijpen. Kerkvisitatie is iets anders dan een vragenlijst „doorsjezen”, een blik in een kerkelijk-administratief boek en een aantekening in de notulen, dat we er geweest zijn. Kerkvisitatie is realisatie van datgene wat we bij het aangaan van een kerkverband op ons genomen hebben: te beleven dat we nimmer kunnen zeggen voor Gods aangezicht, „Ben ik mijns broeders hoeder?” De Here vraagt ons elkanders lasten te dragen. Elkaar te helpen en bij te staan. Dat moet hier blijken. Vandaar de bereidheid om te helpen en te luisteren. Vandaar ook de mogelijkheid om te horen naar eventuele klachten uit de gemeente. Niet dat dat de kerkvisitatie een sluis voor malcontenten moet worden of moet kunnen worden in een minder fraaie richtingenstrijd: iemand die zich met voorbijgaan van de eigen kerkeraad tot de kerkvisitatoren zou willen wenden, moet voor een gesloten deur staan — evengoed als iemand die met zijn eigen kerkeraad werkelijk in moeite leeft, de mogelijkheid moet hebben om daarover te kunnen spreken. Vandaar de afkondiging van de te houden visitatie. Evengoed als trouwens een kerkeraad kan spreken over de moeilijkheid die men met de een of andere lastige broeder of zuster kan hebben. Het hoort allemaal bij het: bijtijds. Waarom moet er zo veel tijd, dure, classicale, broederlijke tijd van een hele vergadering vermorst worden, wanneer een zaak in een zeer broederlijk gesprek kan worden opgelost? In die zin kan kerkvisitatie een middel zijn om te zorgen dat een classicale agenda niet overladen wordt.

Een goed advies doet zo veel. Een goed advies. Vandaar de noodzaak van wijsheid, ervaring, tact, pastoraal optreden. Kerkvorsten zijn niet altijd de beste visitatoren. Kerkelijke ordebewaarders evenmin. Maar waar men alle kerkelijke arbeid weet te verbinden aan hetgeen constituerend is voor alle kerkelijke arbeid: dat is, aan het kruis van de Here Christus. Is Hij niet de enige en grote visitator? Heeft men niet terecht de zeven brieven uit de Openbaring aan Johannes genoemd de rapporten van de grote Visitator? Zijn advies is bindend. Ons advies niet. Ook het advies van onze kerkvisitatoren is niet bindend. De kerkeraad kan een andere weg volgen. Maar hij moet natuurlijk wel weten, waarom. En de visitatoren hebben van hun bevindingen en van hun adviezen rapport uit te brengen op de vergadering van de classis. Daar wordt voorlopig het laatste woord gesproken. Maar wat een zegen, wanneer dáár gerapporteerd kan worden: de zaak te X., waar de kerkeraad moeilijkheden had met broeder Y., is bevredigend opgelost. Wij behoeven er hier niet meer over te spreken. Dat was dan een goede kerkvisitatie.

Zulk een advies van visitatoren blijft een advies. Maar wanneer het naar Schrift, belijdenis en kerkorde (ook dat laatste is noodzakelijk! ) is, wie zou durven beweren dat het niet bindend is? Verschil van mening mag bestaan over de concrete toepassing van een concreet artikel in een concreet geval. Daarover kan een kerkeraad zich dan, ter fine van beslissing, wenden tot de classis. Tot zover over de gewone kerkvisitatie. Bij een buitengewone liggen de zaken anders. Mogelijk daarover een andere keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.