+ Meer informatie

Zesdaagse scheppingsorde

4 minuten leestijd

De

we rk en Gods (6.) Trapsgewijze heeft God het werk der schepping uitgevoerd, met een ordelijke voortgang en een geregelde opklimming. Door het mindere maakt God ruimte voor het meerdere. Elk der zes dagen is voor iets bijzonders bestemd. En telkens is er een voortbouwen op wat reeds eerder geformeerd is. Zo gaat het scheppingswerk Gods geleidelijk voort in de week der schepping.

Te zeggen, dat God cle Heere alles in oo een ogenblik heeft geschapen, maar het in cle Bijbel heeft laten optekenen, alsof er wel zes dagen over gewerkt is, is te vermetel van Gods waardigheid gesproken. Buiten het scheppingsverhaal in Genesis 1 om, weten wij van de wijze der schepping niets af en wie clan ook

de ds. Bogerman, legde naar aanleiding van een nieuwe Bijbelvertaling, aan de vergadering een drietal vragen voor. Of het ontwerpen van een nieuwe Bijbelvertaling noodzakelijk en in het belang der kerk zou zijn. Op welke wijze zij het best tot nut en welzijn der kerken kon uitgevoerd worden. En aan hoeveel en dan nader aan welke personen deze taak moest toevertrouwd worden.

Wat het eerste punt betreft: alle afgevaardigden waren er voor, op één na, een zekere ds. Frederiei. Zijn bewering was merkwaardig: de oude en gebruikelijke vertaling moest zonder meer behouden blijven, omdat men tot dusver al wat tot de kennis der zaligheid nodig was, uit haar kon putten. Verder wilden enkelen alleen maar enkele verbeteringen aanbrengen, om alle aanstoot te vermijden. Maar de binnenlandse afgevaardigden waren vast overtuigd, dat de nederlandse gereformeerde kerk er dankbaar voor zou zijn. De pastor van Deventer ds. Sikalius zei het zó: het was beter een nieuw gebouw van Bijbelvertaling op te trekken dan de wanden der oude, lang-gebruikte overzetting op te lappen en te herstellen(l)

Ook de boekdrukkers hadden bezwaren. Die bekeken het van de zakelijke kant: ze zouden met 80.000 exemplaren van de oude overzetting blijven zitten!

Het tweede punt had meer beslag: o.rn. de wijze van vertalen. „De vertalers moesten zich stipt en nauwgezet houden aan de oorspronkelijke tekst, eigenaardige hebreeuwse en griekse zegswijzen, moesten zij, indien de duidelijkheid er tenminste niet onder leed en het nederlands taaleigen er niet onder leed, in de vertaling overnemen. (Men zie t.a.p.)

Heel wat deining gaf: de apokriefe boeken opnemen of niet. Gomarus wilde ze weglaten. Wij weten, dat ze toch opgenomen zijn met een grote voorrede, waarin onderstreept en aangetoond werd, dat men niet met goddelijke boeken te doen had. Ook mochten ze niet tussen de andere Bijbelboeken instaan, maar kregen een plaats achteraan.

Vóór de benoeming van de vertalers gaf de praeses een praktische wenk: Hij vermaande de Synode, „rekening te willen houden niet uitsluitend met iemands bekwaamheid als theoloog of zijn knapheid in de talen, doch minstens even zeer met zijn vrome en heilige levenswandel, want anders zou deze hoogstgewijde arbeid der Bijbelvertaling aan de kerk minder welgevallig zijn."

Er gebeurde nog iets. De synode besloot deputaten te zenden aan de Staten-Generaal met verzoek hun medewerking te willen verlenen, tot de uitvoering der besluiten ad hoe.

Dit is ook geschied. Daags na de sluiting der Synode (29 mei) dienden de deputaten hun verzoekschrift in bij Hunne Hoogmogenden de Staten-Generaal. Deze kregen van de broeders het titulair: „onse gebiedende Heeren"(!) Het patronaatsgevoel zat er dus wel diep in. Dr. Nauta deelt nu mee, dat het verzoekschrift aanstonds — in het archief werd opgeborgen. Maar dat was de natuurlijke bedoeling niet. Het uitstel wordt wel eens aan de tijdsomstandigheden geweten (o.m. einde van het Twaalfjarig Bestand). Men hield echter op de meerdere vergaderingen de zaak der Bijbelvertaling warm. Men achtte Leiden (het was inmiddels 1625 geworden) de beste plaats van vergaderen.

En eindelijk 18 juli 1625 kwam dan het lang verwachte antwoord van de St.-Generaal. 't Zou tijd worden. Reeds waren uit cle kring der aangewezen vertalers twee door de dood weggenomen. Hun plaatsen werden ingenomen door de predikant Festus Hommius en de hoogleraar Antonius Walaeus. In 't geheel waren er zes. Verder is gebleken, dat enkele vertalers in de voorbije tijd alvast maar begonnen waren en nog heel wat werk verzet hadden.

Op 13 nov. 1626, precies acht jaar na cle opening van de Dordtse Synode begon men officieel met het vertalen van het O.T. Hiervoor waren een drietal leraren aangewezen n.1. Bogerman, Baudartius en Bucerus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.