+ Meer informatie

TER OVERWEGING

17 minuten leestijd

Dr. J. Hegeman, Christelijk dienen. Een verantwoordelijkheidsethiek voor leidinggevende. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1994. 184 blz. f?

De auteur, docent aan de Prot. Chr. Hogeschool De Vijverberg te Ede, heeft met dit boek de bedoeling om niet alleen aan de hand van theorie het veld van leidinggeven en de manier van conflictbeslechting uiteen te zetten, maar ook om praktische gevallen toe te lichten. Hij wijst daarbij op een bijbels en ethisch verantwoord handelen bij leidinggeven, gezagsproblemen en bij conflictsituaties. Dit boek biedt dan ook een leiderschapsethiek waarin bepaalde christelijke waarden zijn verwerkt in verbinding met wetenschappelijke kennis over leidinggeven en bestuur. Het boek leent zich er niet voor om het in een avond uit te lezen. Het is een studieboek. Wie er tijd voor neemt, kan er veel uit leren. Bijvoorbeeld hoe leidinggeven ook dienaarschap kan zijn. En dienaarschap hoeft niet te betekenen dat men geen modern en resultaatgericht manager kan zijn. Echter wel een manager die verantwoordelijk (heeft aandacht voor de juiste uitvoering van taken én voor de mensen), verhalend (kunnen aangeven op welke ethische wijze verantwoordelijkheid wordt gedragen), verstandig (niet alleen eerlijk in het weergeven van feiten, maar ook rechtvaardig en barmhartig in het omgaan met mensen - verstandig in zowel praktisch als principieel handelen), verzorgend (is zich bewust van het belang van de ander - hij schuwt overleg en gesprek niet) en verzoenend (in een conflictsituatie zorgvuldig met het belang van de ander omgaan en het verantwoord nadenken over de consequenties van een maatregel) is.

Thijs Weerstra, Het landschap van de liefde. Uitg. Kok, Kampen 1993. 124 blz.

f 19,50.

Rondom tien trefwoorden (bron, water, kristal, spiegel, zon, steen, zand, vuur, boom, berg) verkent de auteur in dit boek het zo rijk geschakeerde landschap van de liefde. Een aardig boekje om in een avond uit te lezen. Lichte kost zonder al te veel diepgang. De grondtoon in het boekje is positief.

Dr. Rein Bos, Zoeken naar woorden. Liturgische modeilen en teksten. Uitg. Kok, Kampen 1993. 69 blz. f 17,90.

De auteur is gereformeerd predikant in Putten. Het boekje is zoals hij in zijn inleiding schritt, bedoeld voor mensen die zoeken naar woorden om de ervaringen van elke dag en het zoeken naar God op elkaar te betrekken. Wie weleens de gereformeerde kerk bezoekt en daar de liturgie meemaakt, zal veel zaken in dit boekje herkennen.

Degenen die in dergelijke modellen (voor kleinschalige bijeenkomsten en voor bijzondere diensten) geïnteresseerd zijn of hier iets meer van willen weten, kunnen hier voorbeelden uit halen.

Ds. J. van Amstel, De zegen van het avondmaal. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1994. 83 blz. f 14,25.

Dit boekje, een vervolg op het in 1989 verschenen boekje “De rijkdom van de kinderdoop”, is geschreven met het doel leiding te geven aan met name jongeren, die zich voorbereiden op de viering van het Avondmaal. Alle aspecten die met het Avondmaal te maken hebben, komen erin aan de orde. Niet alleen de noodzaak en het doel van de viering, maar ook de ernst, de vreugde, de zegen en de vrucht van de viering. Van Amstel doet dit op een goede, open en eerlijke wijze, waarin zijn (soms) eigen persoonlijke moeite met het aangaan, maar ook zijn vreugde met het Avondmaal naar voren komt. Als belijdenisgeschenk geen siechte keus.

S.W. Couwenberg (red.), Geloof en Christendom in de jaren ’90. Uitg. Kok Agora i.s.m. Stichting Civis Mundi, Kampen 1992. 160 blz. f 29,50.

Onder redactie van S.W. Couwenberg trachten diverse mensen van verschillende levensbeschouwing en wetenschappelijke discipline inzicht te verschaffen in de positie en het perspectief van geloof en Christendom in de jaren negentig. Allerlei specifieke thema’s komen aan de orde zoals: In hoeverre is er sprake van een geloofs- en morele crisis en hoe moeten we daarop reageren? Kan een samenleving leven zonder een religieus fundament? Inhoud en betekenis van religieus humanisme als nieuw kerkelijk, niet gebonden geloofstype. De auteurs geven een goed beeld van de ontwikkelingen gedurende vele jaren. Vooral net moderniserings- en secularisatieproces met alle invloeden van dien komen uitgebreid aan de orde. Daarnaast geeft men aan dat Nederland steeds meer een multiculturele, pluriforme samenleving zal worden, waarbij o.a. het christendom zich steeds meer zal moeten verantwoorden. Een visie die niet iedereen zal delen.

Ds. G. Gunnink, Vrede door vrijspraak. Bijbelstudie over de brief van Paulus aan de christenen te Rome. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. 112 blz. f 14,75.

De brief aan de Romeinen heeft zestien hoofdstukken. In deze brieven staat Gods genade in de rechtvaardiging door het geloof alleen centraal. Het hart van het evangelie klopt in deze brief. De auteur, van vrijgemaakte huize, heeft geprobeerd om zijn werk dusdanig op te stellen, dat het kan dienen als leeshulp bij de brieven van Paulus aan de Romeinen. De hoofdstukken lezen prettig. Daarbij appelleert de auteur aan de houding van de lezer, waardoor je lezenderwijs betrokken wordt bij de inhoud. Per hoofdstuk zijn tips voor inleiding van een gedeelte opgenomen en vragen voor bespreking. Daarnaast een literatuuropgave. Het boek is gedegen en duidelijk. De auteur verloochent overigens zijn achtergrond niet. Verscheidene malen komen zaken aan de orde die met de vrijmaking van 1944 te maken hebben.

Ds. C.G. Vreugdenhil, Als je bidt… Uitg. J.J. Groen & Zn., Leiden 1993. 205 blz.

f 24,50.

Bidden moet je leren”, schrijft domineer Vreugdenhil in zijn inleiding. Veel jongeren, maar ook ouderen weten vaak niet hoe ze moeten bidden. Bidden moet je leren. Dit boek wil daarbij helpen Ondanks het feit dat de Heilige Geest de enige inwendige Leermeester van het gebed is, moet men zich ervoor inspannen. De Heilige Geest werkt namelijk middellijk. Vaak is er bij jongeren schroom en verlegenheid om hier over te praten. En niet onbegrijpelijk. Waarmoet moeten we bidden, tot wie, hoe en wanneer, zijn zaken waar men mee kan zitten. Op zeer pastorale wijze en getuigend van liefde tot de Heer, heeft Vreugdenhil dit boek geschreven. Het is een bijzonder leerzaam en waardevol boek. Ik zou het willen adviseren als cadeau voor elke jongere.

Dr. J.W. Maris, Geloof en ervaring. Van Wesley tot de pinksterbeweging. Uitg. Groen & Zoon, Leiden. 309 blz. f 49,50.

“Onze ligging uw belegging” - aan een reclamebord (bill-board noemt men dat tegenwoordig in goed Nederlands) met deze tekst moest ik denken toen ik dit boek las. Immers met deze woorden zou de tendens zijn aan te duiden die dr. Maris signaleert in de zgn. pinksterbeweging. Zoals een stad of een dorp met haar/zijn ‘ligging’ investeerders enz. wil aantrekken: “Profiteer van onze ligging; daar wordt U beter van!”, zo wordt van Wesley tot de huidige pinksterbeweging gepretendeerd dat de door hen voorgestane ‘ligging’ - nogal gevarieerd overigens - de zekerste ‘belegging’ in geestelijk opzicht wordt gekozen. Dr. Maris peilt deze tendens aan de hand van het thema ‘ervaring’ in relatie tot ‘geloof. De eeuwendoor is deze relatie aan de orde geweest. Ook al wordt herinnerd aan het montanisme (164, 187), aan de doperse en spiritualistische bewegingen (252), de nadruk valt op John Wesley (1703-1791), de zgn. heiligingsbeweging van de vorige eeuw (Finney, Torrey, Jellinghaus, Murray) en op de pinksterbeweging van onze tijd (Parham, Seymour e.a.). Hoe gevarieerd ook - Geestesdoop, tongentaal enz. (uitvoerig aan de orde gesteld) - telkens blijkt in deze bewegingen de ‘ervaring’ het summum te zijn, een soort elitechristenen creërend - althans in eigen oog, hoe ook gecamoufleerd, en in dat van vaak slaafse volgelingen. Voor hen is dan (nun) ervaring maatgevend (124v.), is doorgaans onaantastbaar (194), geeft de - weihaast onfeilbare -hermeneutische sleutel voor het omgaan met de Schrift (196) enz. Nu is ervaring een heel menselijke aangelegenheid: een mens die leeft en functioneert, doet ervaring op -hoe dan ook en waarmee dan ook; weet zich - hopelijk - er rekenschap van te geven tegenover zichzelf en de naaste. Ervaring is dus nooit iets dat op zichzelf staat, ‘los’ verkrijgbaar is, gaat altijd om iets waarop zij betrokken is, waardoor zij wordt bepaald. Als het om ‘geloven’ gaat dan kan ervaring zeker niet verzelfstandigd en verabsoluteerd worden, zoals juist in de behandelde bewegingen het geval is. Dr. Maris wijst op de onlosmakelijkheid van geloof en ervaring (18), en wordt niet moede steeds weer te benadrukken ‘niet alleen het primaat van het Woord, maar ook van het geloof ten opzichte van de ervaring’ (17 enz. - eigenlijk heel het vijfde hoofdstuk, de exegetische en leerstellige overwegingen). De toetsing van de ervaring met haar typisch antropocentrische instelling aan het Woord van God mag nooit gemeden worden (182, 193, 206 enz.). De vraag van de verhouding geloof-ervaring is geen vraag waar de pinksterbeweging zich druk over maakt (203). Maar in gehoorzaamheid aan en in afhankelijkheid van Gods Woord kan naar gereformeerde confessie het geloof alleen maar christocentrisch functioneren ‘anders houdt het op geloof te zijn’ (265); en hetzelfde geldt voor de ervaring van het geloof.

Dr. Maris heeft ons een dienst bewezen door in dit boek een thema aan de orde te stellen dat in wezen heel de geschiedenis van de kerk beheerst. Immers in de ik-gerichtheid die de mens naar zijn gevallen aard eigen is, is het sinds Paulus’ dagen de verleiding geweest om het sola fide en annex daarmee het sola gratia en het sola scriptum te saboteren en iets van zichzèlf - en hij wist dat weihaast eindeloos te variëren - naar voren te halen om zich aan de klem van dat “sola” te onttrekken. Het pastorale motief op de achtergrond van deze Studie laat zich niet ontkennen. Een pastoraal getoonzet vervolg zal welkom zijn!

Dr. W.H. Velema, Wie is God? Uitg. Groen & Zoon, Leiden. 111 blz. f 19,95.

In een samenleving waarin alleen het zichtbare, het (zgn.) wetenschappelijke en het meetbare gelden, maakt de stelling dat alle spreken over God van beneden komt (‘boven’ is dan de enige reële onderstelling voor godsdienstig geloof), de vraag die in dit fijne boekje van prof. Velema wordt behandeld, in feite overbodig.

In zo’n geseculariseerde samenleving heeft een vraag als deze hoogstens academische betekenis, maar in dit boekje worden de vragen gesteld en de antwoorden gegeven door eerst te luisteren naar ‘boven’, gehòòr te geven aan wat God zèlf zegt, in Zijn Woord ons openbaart, bekend maakt aangaande Zichzelf. De toon is praktisch en persoonlijk, existentieel en spiritiueel. Elk van de elf hoofdstukken wordt besloten met een aantal vragen die de bezinning op en de verwerking van het gebodene willen dienen. Voor bespreking in kring of vereniging zeker geschikt.

Han. F. de Wit, De verborgen bloei. Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit. Uitg. Kok Agora, Kampen 1993. 204 blz. f 37,50.

De schrijver is boeddhist en hoogleraar in de theologische faculteit aan de V.U. Zijn wetenschappelijk specialisme is psychologie. Op dat terrein beweegt zich dit boek.

Toch zeg ik hiermee te weinig. De ondertitel van het boek geeft aan dat de auteur de spiritualiteit bestudeert vanuit psychologische achtergronden.

Zonder de auteur te willen isoleren of karikaturiseren zeg ik dat het boek vooral gaat over geestelijke Processen, die zich in de ziel afspelen en die de ziel in beweging zetten. Hijzelf spreekt over contemplatieve psychologie. Het contemplatieve geeft de lijn aan naar de spiritualiteit. Dit laatste onderwerp wordt door de conventionele psychologie niet bestudeerd. Om de contemplatie is het de auteur te doen.

Die contemplatie richt zich op de zelfkennis. Het gaat dan om ervaringskennis, waarbij over aandacht en inzicht wordt gesproken (vormen van bewustzijn of bewustwording). Daarnaast is er het denken, dat het intellectuele begrip en de verbeeldingskracht omvat. Verder wordt er gesproken over handelen en spreken. Daarbij komen gehoorzaamheid, zwijgen, vrijgevigheid en de waarheid spreken aan de orde. De contemplatieve psychologie wil het innerlijk van de mens (zijn diepste kern) tot ontwikkeling brengen. Vandaar de titel “De verborgen bloei”. De mens moet zijn innerlijke hardheid en zelfzucht verliezen om open te staan voor de ander.

Dit boek beweegt zich op het gebied dat ook wel als mystiek wordt aangeduid. De auteur is belezen in werken van mystici uit verschillende godsdiensten. Deze allen worden onder de noemer gebracht van contemplatie. Psychologie betekent in dit verband vooral het bestuderen en stimuleren van psychische processen op het terrein van de mystiek. Het boek heeft iets weg van een (zelf)verlossingsleer. Wat ontbreekt, zijn noties als verlossing door Jezus Christus, verzoening van de schuld door het kruis.

Het boek is een schoolvoorbeeld van belangstelling voor godsdienstige processen, bestudeerd vanuit een levendige psychologische interesse.

Dr. J. Vlaardingerbroek, Commentaar op het Oude Testament, Sefanja. Uitg. Kok, Kampen 1993. 211 blz. f 49,50.

De auteur is emerituspredikant van de Gereformeerde Kerken. Hij is een bekwaam oudtestamenticus. Dat blijkt uit deze commentaar.

Na een inleiding in vijf paragrafen volgen vijf hoofddelen. Elk deel begint met hoofdlijnen en perspectieven. Daarna komt een inleiding tot de exegese, een vertaling, opnieuw inleiding en exegese. Enigermate omslachtig is deze opzet, die in al de delen van de serie wordt gevolgd. De commentaar wordt gekenmerkt door kennis van de taal, woorden, grammatica + verbindingen.

Er wordt in beknopt bestek veel informatie gegeven. Ik zou de voorkeur gegeven hebben aan een samenvatting van de boodschap per onderdeel achteraf. Dat zou de zeggingskracht voor de prediking versterkt hebben. Een predikant moet in deze methode zijn weg vinden. Hij zal er filologisch, grammaticaal en exegetisch veel uit kunnen opsteken.

Ir. J.M. van Haaften, Vormgeven aan christelijke identiteit. Een handreiking aan bestuurders en leidinggevenden. Uitg. Groen, Leiden 1994. 71 blz. f 19,95.

Hoe bewaren en praktizeren we onze identiteit? Dat is een vraag voor veel bestuursleden van christelijke organisames. De auteur is organisatiedeskundige en geeft over dit onderwerp allerlei cursussen. Uit dat werk en met het oog op dat werk is dit boekje geschreven. De schrijver gaat in op een onderwerp als identiteit en werkt dit dan uit naar structuur, cultuur en beleid van de organisatie. De verschillende problemen die zich daarbij voordoen, worden besproken. Steeds weer wordt getracht christelijke normen in het functioneren van de organisatie aan te geven. Dat een organisatie een missie zou hebben, lijkt mij in het algemeen te sterk gezegd. Ik heb er ook wat moeite mee dat de schrijver een driehoek tekent van proces, structuur en cultuur. Het proces is mijns inziens geen hoekpunt, maar het hele gebeuren binnen de driehoek, waarvan de punt gevormd wordt door de doelstelling.

Het boekje is praktisch opgezet. ledere lezer, die het voor zijn organisatorische activiteiten wil gebruiken, zal dat op zijn eigen manier doen. Mijn indruk is, dat de een er dit en de ander er dat uit zal halen.

Dr. T. Brlenen e.a., Theologische aspecten van de Nadere Reformatie. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 315 blz. f 62,50.

Deze bundel is de derde over de Nadere Formatie. In 1986 verscheen De Nadere Reformatie. Beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers. In 1989 verscheen De Nadere Reformatie en het gereformeerd Piëtisme. Nu komen de theologische aspecten aan de orde. Schriftleer en Schrift verstaan (Graafland), De Leer van God en Christus (B. Loonstra), Genadeleer en Heilsweg (Exalto), De Kerk (Van ’t Spijker), Eschatologie (Brienen).

Laat ik vooropstellen dat ik blij ben met deze bundel. De inhoud raakt hoofdstukken uit de geloofsleer. Het valt op dat elke auteur zijn stof op eigen manier bespreekt. De een kiest uit het werk van deze auteur. De ander behandelt nog weer een ander. Brienen bijvoorbeeld zet zijn bijdrage heel anders op dan Graafland. Ik zou hier graag meer eenheid van aanpak gezien hebben. Het doet nu wat rommelig aan. Bovendien is de omvang van de bijdragen wel erg verschillend: Graafland 70 en Brienen 25 bladzijden.

De inhoud biedt waardevolle overzichten. Het hoofdstuk van Loonstra laat een goede greep op de stof zien, al vraag ik mij af of de tegenstelling tussen dogma en praxis zo scherp is als hij die tekent. Van ’t Spijker schrijft naast een bijdrage over de kerk ook een inleidend hoofdstuk over Orthodoxie en Nadere Reformatie, dat een goede oriëntatie geeft in het onderwerp.

Er is de laatste jaren in verschillende bundels (ook buiten deze serie) over de hier besproken auteurs en over hun standpunten geschreven. Daar zit een behoorlijk stuk herhaling in. Dat heeft iets vermoeiends. We mogen blij zijn dat de Nadere Reformatie bestudeerd wordt. Haar schatten worden blootgelegd. Men moet echter wel maat weten te houden. Wie het uitgebreide notenmateriaal in deze bundel bestudeert (waarvoor overigens veel waardering), ziet hoeveel van het hier besprokene in ander verband al aan de orde is geweest, zelfs ook in de beide vorige bundels van deze serie. Wat mij betreff had deze bundel de eerste in plaats van de derde mogen zijn. Hiermee is mijn waardering voor de inhoud nog eens onderstreept.

Laat uw licht schijnen. Rapportage over het onderzoek naar “Geloof en economie” binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, uitgevoerd door drs. J.M. Aarnoudse en drs. J.N. Noordlandt in opdracht van de Deputaten Kerk en bedrijfsleven van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, verkrijgbaar bij die Deputaten, Postbus 453, 3900 AL Veenendaal.

Achter dit rapport ligt een heel stuk werk. Dat is voomamelijk verricht via schriftelijke en mondelinge enquête. Er zijn dus ook gesprekken gevoerd met kerkeraden of een aantal leden ervan. Aan het onderzoek is meegedaan door achttien gemeenten.

De deelname aan politieke, maatschappelijke organisaties en medezeggenschapsstructuren is laag en zou gestimuleerd mogen worden. Er is in sommige gemeenten een toenemende werkdruk. Rond welvaart en materialisme is er een enigszins ambivalente houding: waardering èn kritiek. Gesprekken binnen gemeenten blijken door meningsverschillen geblokkeerd te worden. Kunnen deputaten met handreiking en ander toerustingsmateriaal hier iets aan doen? Handreikingen via plaatselijke kerkbladen bijvoorbeeld. In het deputaatschap Adma zouden ook WAO-ers en jongeren zitting moeten hebben. Moeten deputaten niet elk jaar een deel van de kerkeraden bezoeken? Ziehier enkele resultaten en conclusies. Over de vragenlijsten worden we uitvoerig geïnformeerd. Het onderzoek is - noodgedwongen - beperkt geweest, nog geen 10% van het aantal gemeenten. Daarom zou ik met de verbreiding van de conclusies wat terughoudend zijn. Twee dingen lijken mij voor de hand te liggen: begin in het klein met eenvoudig voorlichtend, oriënterend materiaal, dat zich gemakkelijk laat lezen en zich handig laat gebruiken. Vervolgens, laten deputaten vragen eens het programma-onderdeel na de pauze van een gemeentevergadering te mogen vullen - vanuit dit materiaal. Zie eens of dat lukt en hoe dat werkt. Tenslotte: probeer met predikanten in een bepaalde regio of in landelijk verband in gesprek te komen.

Dr. B. Plaisier, Over bruggen en grenzen. De communicatie van het evangelie in het Torajagebied (1913-1942). Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1993. 701 blz. f 97,50.

Deze studie heeft de schrijver als proefschrift gediend aan de universiteit van Utrecht. Onze kerken hebben ook zendingswerk verricht in het Torajagebied. Slechts een enkele maal komt dat feit ter sprake. Toch denk ik dat veel van wat hier over de Toraja’s wordt geschreven (hun godsdienst, cultuur, samenleving, adat) ook voor de Toraja’s geldt van het terrein, waar met name ds. Bikker en ds. Geleijnse hebben gewerkt.

Dit boek heeft een dubbel doel (daarom zal het ook zo dik zijn). Het beschrijft uitvoerig en gedetailleerd het zendingswerk van de Gereformeerde Bond èn de situatie, de doorwerking van het Evangelie in het Torajagebied waar de Bond heeft gewerkt. Dat gebeurt met kennis van zaken.

De schrijver verheerlijkt het werk van de Bond niet. Hij schrijft er met liefde en kritisch over. Dat kan een auteur alleen doen, als hij het volk en het werk lief heeft. Ik denk dat dit het grootste compliment aan de auteur is, die zelf daar heeft gewerkt.

Graag zou ik dieper ingaan op de verwerking van het Evangelie door de Toraja’s, op hun vormgeving aan het christen-zijn tegen de achtergrond van het heidendom. Ik doe dat niet, maar spreek mijn bewondering en dankbaarheid voor deze studie uit.

Ook ieder die in ons eigen zendingswerk in Toraja geïnteresseerd is, moet hiervan kennis nemen. Het boek is dik, maar men zal spoedig zijn weg erin (leren) vinden. Dat er eigenlijk twee thema’s in worden behandeld, heeft mij niet gestoord. Integendeel, ik acht het een goede greep, die van vakmanschap getuigt.

Dr. J. Hoek e.a., Problemen van de plurinorme samenleving. Publicatie 16 van de Marnix van St. Aldegondestichting (Nunspeet) 1994. 60 blz. f 12.90.

In dit boekje zijn de referaten gebundeld die op een congres van de RPF in november 1993 zijn gehouden. Ook de inleidingen op de workshops zijn hier afgedrukt. Het thema was gewijd aan normen en waarden, waarover minister Hirsch Ballin het debat in februari 1992 is begonnen. Als typering van de inhoud van dit boekje zou ik willen zeggen: het bevat een eerste aanzet tot nadenken. In de ethiek is dit onderwerp veelvuldig aan de orde. Van die discussies is in dit boekje niet zo veel te merken. Auteurs (sprekers) van verschillende professie nemen op hun terrein de stand van zaken op en doen voorstellen. De breedte is er wel. Wat de diepte en de samenhang betreft, houd ik wensen over.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.