+ Meer informatie

De Generale Synode en de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) I

8 minuten leestijd

Het was een belangrijke dag, toen de verhoudingen tot andere kerken in binnen-en buitenland op onze Generale Synode aan de orde kwamen.

Sinds 1947 hebben wij deputaten voor de eenheid van de Gereformeerde belijders in Nederland en de correspondentie met buitenlandse kerken, en het behoort tot hun opdracht om te spreken met de deputaten, die hiervoor door andere kerken van gereformeerde confessie zijn benoemd. Wat Nederland betreft zijn dat de Geref. Kerken en de Geref. Kerken (vrijgemaakt). De Generale Synode van de Geref. Gemeenten antwoordde in 1959, dat zij de tijd nog met rijp achtte om tot een vruchtbare samenspreking te kunnen komen.

Toen enkele samensprekingen met de deputaten van de Geref. Kerken waren gehouden, steide onze Synode met droefheid vast, dat zeer duidelijk gebleken was, dat de leerverschillen gebleven waren (1956). Op de terzijdestelling van de Vervangingsformule volgden weer twee samensprekingen, die echter maar stroef verliepen en nog niet veel perspectieven openden. Maar de besprekingen zullen worden voortgezet.

Nadat de vroegere samensprekingen (1950-’51) tot de conclusie geleid hadden, dat van een spoedige vereniging nog geen sprake kon zijn, heeft er de laatste jaren met de Geref. Kerken (vrijgemaakt) via deputaten een contact bestaan, dat erop gericht was, dat de verhoudingen duidelijk zouden worden en beide kerken een verantwoorde beslissing zouden kunnen nemen.

Hierover hebben onze deputaten nu uitvoerig gerapporteerd.

Bovendien was er een schrijven van de Generale Synode van deze kerken, gehouden te Assen, waarin de vraag werd gesteld, of onze Synode na de inmiddels zoveel mogelijk tot afronding gekomen besprekingen der deputaten met haar van oordeel was, dat waar de roeping der kerk is, het Woord Gods te bewaren, de Chr. Geref. Kerken en de Geref. Kerken zich blijkens de Acte van Afscheiding of Wederkering voor de eis gesteld zien zulks in eenheid van samenleven te doen.

Het rapport van de deputaten ad hoc

In de tien samensprekingen met de deputaten van de Geref. Kerken (vrijgemaakt) ging het over tal van onderwerpen, die onzerzijds in verband met het doel van de ontmoetingen van gewicht werden geacht.

Zonder een volledige opsomming te willen geven noem ik er enkele: het schriftuurlijke-confessioneel beginsel van onze kerken, de positie van de kinderen des verbonds en de beschouwing der gemeente, de uitspraak van 1905, de toe-eigening van het heil, de verhouding van Woord en Geest, de zelfbeproeving, de prediking, de kerk, de kerkregering en de doorgaande reformatie.

Er waren allerlei verschillen, maar het was de vraag, hoe deze getaxeerd moesten worden: als verschillen in zegswijze of ook als verschillen in zienswijze. En wanneer dit laatste het geval was, moest worden nagegaan, of onze belijdenis hierbij in geding was of niet. Konden wij uitspreken, dat wij bij alle variatie van opvatting — verscheidenheid is er ook binnen elke kerkelijke gemeenschap — toch één waren in belijden?

De Geref. deputaten stelden na zeven samensprekingen, dat de verhouding tussen de Chr. Geref. en de Geref. Kerken wel zo duidelijk die van kerken van eenzelfde belijdenis is, dat zij het goddelijke roeping achtten, dat de kerken aanstonds pogen tot eenheid van samenleven te komen. De Synode van Assen nam dit over.

De slotsom, waartoe onze deputaten kwamen, sprak van een grote mate van overeenstemming, die in het verstaan van Schrift en belijdenis gebleken was, terwijl er reserves overbleven ten aanzien van de visie van de Geref. deputaten op bepaalde onderdelen van de belijdenis.

Bedoeld worden vooral de toeëigening van het heil en de betekenis van de belijdenis aangaande de kerk voor de huidige situatie.

Het eerste verschil werd blijkens het rapport zo geformuleerd: U, Christelijke Gereformeerden, wilt sterke nadruk leggen op de toëigening en daarom op het werk van de Heilige Geest: wij willen ook sterke nadruk leggen op toeëigening en daarom op de verantwoordelijkheid. Niemand ontkende. dat wij hier met een belangrijk praktisch verschil te doen hebben.

Het is bekend, dat de Chr. Geref. Kerk door de Geref. Kerk (vrijgemaakt) niet overal als kerk van Christus (ware kerk) wordt beschouwd. Soms wordt gezegd: Wij erkennen u wel als een op Gods Woord gegronde vergadering, maar of u een ware kerk is, zal moeten blijken.

De vrijgemaakte deputaten verklaarden desgevraagd: Wij willen de Chr. Geref. Kerken gaarne als ware kerken erkennen, maar voor de toekomst hangt er hier veel van af, wat u doet ten aanzien van de vereniging. Als u die hoe langer hoe meer afwijst, dan zouden we op den duur moeten zeggen: uw kerken gaan verkeerd, al zijn we nu aan de kwalificatie: valse kerk nog niet toe.

Over en weer zijn wel scherpe opmerkingen gemaakt. Zo hadden de vrijgemaakte deputaten ernstige bezwaren tegen het feit, dat in onze kerken meermalen meegedaan wordt aan groots opgezette z.g. interkerkelijke evangelisatie-acties. Deze samenwerking is onwaarachtig. We spreken immers uit, dat die anderen, met wie we samenwerken, het Evangelie naar de Schrift brengen, maar ’s zondags spreken we uit, dat zij dit niet doen. Samenwerking met alle mogelijke kerken betekent brengen van een onkerkelijk Evangelie!

Onzerzijds is gezegd: Wij krijgen soms sterk de indruk, dat het bij u belangrijker is tot de ware kerk te behoren dan het eigendom van Christus te zijn. Die mentaliteit is een grote verhindering in het bij elkaar komen!

Maar uit het rapport blijkt ook, dat de vertegenwoordigers van de beide kerken tot een beter verstaan van elkaars standpunt zijn gekomen. Het verslag van de beide laatste samensprekingen is in dit opzicht instructief.

Zo werd mede op grond van ontvangen rapporten over plaatselijke ontmoetingen over de prediking gesproken. Ergens in ons land was van vrijgemaakte zijde geponeerd, dat de prediking zich niet onderscheidenlijk tot bekeerden en onbekeerden moet richten. De kinderen der gemeente zijn lidmaten van Christus. De bondelingen moeten aangesproken worden als waren zij gelovigen. God zegt: Ik heb u verlost; leeft nu als verloste kinderen.

Maar de deputaten van de Geref. Kerken distantieerden zich van deze uitlatingen. Zij wezen op Zondag 31 van de Heid. Catechismus (gelovigen - ongelovigen) en op het Doopsformulieren (kinderen des toorns).

Zelfs zei een van deze deputaten: Tegen verschillende preken van vrijgemaakte predikanten heb ik grote bezwaren, omdat de zondaar daarin niet wordt aangesproken. Maar we moeten op deze aberraties niet teveel nadruk leggen. Het gaat over de vraag: welke normen gelden bij de prediking. Over die normen zijn we het wel eens.

In hun slotbeschouwing merken onze deputaten op, dat juist het uit elkaar gegroeid zijn grote moeilijkheden schept in het verstaan van elkaar. Er moet een gewenning aan elkaar komen en een sfeer van wederzijds vertrouwen om elkaar wezenlijk te ontmoeten.

Blijkens deze samensprekingen was dit niet onbereikbaar.

Maar hoe staan de zaken in de plaatselijke kerken. waar het hart van het kerkelijke leven klopt?

Onze deputaten konden ook over dit aspect van de zaak rapporteren, omdat zij op hun verzoek informaties hadden ontvangen van de kerkeraden. Niet alle kerkeraden zonden een verslag — niet overal werden samensprekingen gehouden — maar de verstrekte gegevens gaven wel een goed beeld van de onderlinge verhoudingen.

Op enkele plaatsen wilde de Geref. Kerk de Chr. Geref. Kerk zomaar met erkennen als ware kerk.

Elders kon men niet tot overeenstemming komen inzake de toeëigening van het heil, de verhouding van Woord en Geest, het onderscheid tussen Schenking en deelachtigmaking en de beschouwing van de gemeente.

Maar in een van onze grote steden werd bij een gedachtenwisseling over de beschouwing van de gemeente weer geen principieel verschil openbaar. Ook bij een gesprek over het geloof verstond men elkaar. Dat werd een belangrijke bijdrage genoemd voor de groei van het vertrouwen over en weer.

Er is één plaats — Eindhoven — waar een groot verlangen leeft naar kerkelijk samenwonen en waar al over de mogelijkheid van kanselruil gedacht wordt.

In het algemeen moet naar het oordeel van onze deputaten gezegd worden, dat de plaatselijke verhoudingen niet goed zijn. Men kent elkaar niet en men begrijpt elkaar niet. En soms komen vrijgemaakte kerkeraden duidelijk in strijd met wat vrijgemaakte deputaten in de samensprekingen hebben gezegd.

Als de kerken elkaar plaatselijk gingen verstaan, zou veel gewonnen zijn!

Op deze gegevens heeft een van de conclusies van het rapport betrekking: De verhouding tussen de beide kerken wordt zeer bemoeilijkt doordat er een vrij sterke discrepantie openbaar gekomen is tussen uitingen van vrijgemaakte deputaten en die van sommige vrijgemaakte kerkeraden.

Er zou uit dit rapport nog veel meer te vermelden zijn, maar het zal binnenkort aan de kerkeraden worden toegezonden en voor leden der kerken te verkrijgen zijn.

Alleen is nog te wijzen op de laatste conclusie, die de deputaten voor de eenheid van de Gereformeerde belijders in Nederland aan de Generale Synode van 1962 voorlegden — een conclusie waaruit wel blijkt, hoezeer deze zaak hun ter harte ging.

Op grond van de schriftuurlijke roeping tot eenheid, krachtens de belijdenis der kerken en conform de Acte van Afscheiding zullen we de Geref. Kerken (vrijgemaakt) niet mogen loslaten, maar in overleg met hen zoeken naar wegen en middelen opdat de geconstateerde verschillen mogen verdwijnen om op deze wijze de eenwording van onze kerken biddend na te jagen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.