+ Meer informatie

Psalm 22

Naar de berijming van Mamix van St. Aldegonde, herdicht door C. J. Meeuse

5 minuten leestijd

1. Mijn God, mijn God! waarom verlaat Gij mij?/ Waarom gaat al mijn wenen U voorbij?/ Mijn hulp en heil, mijn troost verwijdert Gij/ van al mijn klachten./ De hele dag roep ik met al m'n krachten;/ maar Gij, mijn God, laat mij op antwoord wachten,/ al schrei ik rusteloos in lange nachten./ Gij antwoordt niet.

2. Maar Gij nochtans, hoewel Gij mij verliet,/ zijt heilig, ja het eeuwig lof en lied/van Israël; waar 't U zijn lofzang biedt,/ daar wilt Gij wonen./ Gij woudt 't vertrouwend voorgeslacht belonen/ door hen Uw hulp en bijstand te betonen;/ verlos, als eens de vaad'ren, nu de zonen/ uit al hun nood.

3. Zij zochten U, met een geroep zeer groot,/ waarop Gij hoorde en hen bijstand boodt;/ zij hoopten vast, en werden nooit schaamrood/ in hun gebeden./ Maar ik ben slechts een aardworm hier beneden,/ een worm, geen man, door iedereen vertreden;/ 'k heb van het volk veel spot en smaad geleden,/ wat mij benauwt.

4. Een ieder, die mij in die staat aanschouwt,/ belacht m' en schimpt, men schudt het hoofd en snauwt,/ men steekt de tong uit, en men zegt mij boud,/ om mij te plagen:/ Daar is de man, wiens zorgen God zou dragen;/ dat dan de HEERE hore al zijn klagen;/ Hij helpe hem, heeft Hij in hem behagen!/ is hun verwijt.

5. Maar Gij, mijn God, Gij hebt in vroeger tijd/ mij eerst verlost, mij uit de buik bevrijd,/ en aan mijns moeders borst mij reeds verblijd,/ mij hoop gegeven./ Zij heeft, zodra haar kind alleen ging leven,/ in barensnood, haar ziel tot U verheven,/ toen gaf zij mij aan U; Gij zijt gebleven/ sindsdien mijn God.

6. O HEERE, blijf niet verre van mijn lot,/ mijn angst neemt toe nu ieder met mij spot/ en er geen helper is; zij al, o God,/ van mij vergingen/ Veel varren, woest en wild, gaan mij omringen,/ ja Bazans sterke stieren, niet te dwingen,/ gaan op mij toe, zij willen mij bespringen;/ ik vind geen schuil.

7. Hun mond is tegen mij een wrede muil/ als van een leeuw, die brult met woest gehuil,/ en die zijn prooi, voordat zij zich verschuil',/ verscheurt om t' eten./ Ik ben als water op de grond gesmeten,/ mijn beend'ren zijn in mij vaneen gereten,/ mijn hart gesmolten, als waar 't was geheten,/ in 't ingewand.

8. Mijn kracht verdroogt, een potscherf is mijn hand,/ mijn tong verkleeft aan keel, aan lip en tand;/ Gij legt mij als een dode aan de kant/ in 't stof der aarde./ Want nu een hondentroep zich rond mij schaarde,/ een boze schaar, die zich om mij vergaarde,/ heeft men mij hand en voeten — niemand spaarde —/ doorboord zeer fel.

9. 't Gebeente steekt welhaast reeds door mijn vel,/ zodat ik moeiteloos mijn beend'ren tel;/ zij zien het spottend, het behaagt hen wel/ mij wreed te deren./ Zij delen ook reeds onder zich mijn kleren/ en werpen 't lot, opdat mijn leed vermere/ en mijn gewaad, dat allen nu begeren,/ het hunne zij.

10. Ach HEERE, toef niet, wees niet ver van mij,/ o Gij, mijn Kracht, kom haastig mij nabij,/ kom mij te hulp, mijn sterkte zijt slechts Gij,/ wil U toch spoeden./ Gebruik Uw macht, o HEERE, mij ten goede,/ wil mijne ziel voor 't bloedig zwaard behoeden,/ mijn eenzame van 's honds onzinnig woeden,/ van zijn geweld

11. Verlos mij toch, sta met Uw hulp gereed,/ uit 's leeuwen muil, die hong'rig is en heet,/ en van de hoorn der eenhoorn, wild en wreed;/ wil mij bevrijden./ Dan zal ik blij Uw Naam op alle tijden,/ O HEERE, voor mijn broederen belijden,/ 'k zal onder 't volk aan U mijn lofzang wijden/ in 't openbaar

12. Gij, die de HEERE vreest, gij Jakobs schaar,/ prijst allen God, vereert Uw Zegenaar,/ gij Isrels zaad, vreest Hem, Die in 't gevaar/ u kan beschermen./ Want Hij heeft nooit veracht, maar toont ontfermen,/ Zijn aangezicht verlicht en zal beschermen/ verdrukten, die al zuchtend tot Hem kermen;/ Hij hoort hen aan.

13. Uw Naam, o God, verheft mijn lof voortaan;/ in de gemeente waar ik voor mag gaan/ betaal ik mijn geloften, u gedaan,/ bij die U vrezen./ 't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,/ en die God zoekt, zegt vrij: God zij geprezen!/ want nu wordt 't eeuwig leven onderwezen,/ uw hart verheugd.

14. Tot 't eind der aard' gedenkt men deze vreugd,/ men keert haast weer tot God en tot de deugd,/ en 't heidenvolk zal voor Uw troon verheugd,/ eerbiedig buigen./ Want God is Koning, zo moet elk getuigen./ Hij heerst en werpt der heid'nen macht in duigen./ Hij zal in 't laatst een ieder overtuigen,/ dat Hij regeert.

15. Die, rijk verzadigd, nog dit goed begeert,/ zal eten, tot zijn ootmoed zich vermeert,/ met hem, die in het stof haast ligt verteerd,/ ja die schier sterven./ Hun ziel zal met hun zaad genade erven,/ en Hem, Die hen hun heil eens deed verwerven,/ verheerlijken; Zijn Naam zal nooit verderven/ in eeuwigheid.

16. Zij zullen steeds van Zijn gerechtigheid/ verhalen aan het nageslacht met vlijt,/ daar Hij hun heil en redding heeft bereid;/ Hij is hun leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.