+ Meer informatie

Onvergetelijke Zelf-overgave der liefde

6 minuten leestijd

„Die mij lief gehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft”

Galaten 2 : 20b

Wat heeft er een heerlijke, rijke omkeer in Paulus leven plaats gehad door genade. Welk een grote vijand was hij eerst van Jezus! Lees hier Hand. 9 : 1—9. Wat een machtige, felle tegenstander was de man, die als leerling van Gamaliël zich gepantserd had in de leringen der farizeérs. Wat blies hij daarin, gelijk een verwoede tijger, dreiging en moord. Kan zulk een ook bekeerd worden? Welzeker! God ziet de persoon des mensen niet aan. Eigengerechtigeil kunnen even goed bekeerd worden, als goddelozen. Als hij blazende en dreiging moord op weg naar Damaskus, openbaart in het des lleere vrijmaehtige daad: „Tot hiertoe en niet verder”.

Plotseling, als een bliksemstraal, omsehcen hem een verblindend licht van de hemel. Het klonk in zijn oor: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?” Dit is het begin zijner stilzetting op weg naar Damaskes. Al greep de ontzetting hem aan, hier is het begin der opzoekende liefde, waarover hij later grotelijks verwonderd was. De vraag perst hem uit het hart: „Wie zijt Gij Heere?”

Dan maakt de Heere Zich aan hem bekend: „lk ben Jezus, Dien gij vervolgt”. Wat moet hem dit in zijn oren geklonken hebben: „Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt”.

Wat een ontdekking aan zijn haat en eigengerechtigheid. De vijand wordt een bidder om genade. Wat heerlijk als Jezus zich nader aan hem openbaart en verklaart. Of zoals hij later zelf verklaart: „Nademaal het God behaagd heeft Zijn Zoon in mij te openbaren.”

Wat is die verachte Jezus hem nu dierbaar geworden. Wat weldaad, dat hij al zijn heil in Hem vindt. „Ik ben mei Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik uu leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God”. En dan volgt: „Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft”.

Neen, hier roemt Paulus niet zichzelf, of zijn liefde vóór en dienen van Jezus. Doch de liefde van Jezus tot hem.

Twee dingen heeft Paulus in zijn leven goed geleerd; vooreerst, dat hij een groot zondaar was, en Jezus een liefde - vol, getrouwe Borg en Zaligmaker. „Hem is barmhartigheid geschied”.

Als Paulus bij geesteslicht terug mag zien, naar hetgeen hij eertijds was, heeft hij zich weg te schamen voor de lleere. Doch, al heeft hij in zichzelf geen roemstof, hij mag in vrije genade en liefde” roemen. „Die mij liefgehad heeft”.

Mij dunkt liij is er weer onder weggesmolten, toen hij dit neerschreef. Het is om uit te wonderen: „Die mij liefgehad heeft”.

Het is alsof hij gaat zwemmen in die liefde. Voor die liefde was de vijandschap van zijn eigenrech-tighcid verteerd. De Heere keurt het goed, als Zijn kind eens loskomt, Hem in Zijn liefde en genade prijst. Het is zo vaak anders. Dit gebeurt niet elke dag. Het kan alles weer zo bedekt liggen, dat hij nergens bij kan, het weer zo bestreden wordt, zwijgt. Neen, van zichzelf heeft Zijn volk niets goeds te zeggen. Doch, wel alles goeds van de Heere, als Hij Zich in Zijn liefde uitlaat. Met tederheid van Zijn hart spreekt hij het uit: „Die mij heeft liefgehad”. „Die” dit is Jezus. Zijn liefde is zo rijk, groot, goed en zalig. Heerlijk, zó los te komen en te vertellen, wie de Heere voor hem is. „Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft”.

Dit is hetzelfde wat Johannes zegt: „Niet dat wij Hem eerst liefgehad hebben, maar Hij heeft ons eerst liefgehad”.

Paulus had geleerd, dat Jezus’ liefde hem het vijandig hart had overreed. In plaats van verdoemd, had Jezus hem niet alleen lief, hem die zo vol vijandschap zat, dat hij zonder Jezus naar de hemel dacht te gaan. Hij heeft niet alleen door Zijn liefde het vijandig hart van Paulus overreed, doch Hij heeft Zichzelf ook voor hem overgegeven, tot in de vervloekte kruisdood. Jezus had hem niet alleen in liefde op de Damaskus-wcg stilgezet, zich aan hem geopenbaard, doch heeft ook voor hem geleden, is voor hem gestorven.

In Rom. 5 : 8 zegt hij: „Dat Christus voor ons gestorven is, als wij zondaren waren”. „Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven”. Heerlijk, plaatsbekledend werk. Om het uit te wonderen. Om weg te zinken in aanbidding. O, dierbaar Lam Gods, dat voor de zonden Uws volks zijt geslacht. „En Zichzelf voor mij heeft overgegeven”.

Dit was geen dwang doch liefde. Men kan schier met geen menselijke woorden uitdrukken, hoe groot wonder van genade dit is. De Zoon Gods heeft Zichzelf, in volle liefde, eens willens aan de eis des Vaders, gesteld tot een prijs om Paulus, ja al Zijn volk, te verlossen; als vijanden met God te verzoenen. Hij gaf Zich daartoe over aan het recht en de wrake Gods, over de zonden van Zijn volk ontstoken. Hij gaf Zich over aan de bende, die Hem gevangen nam. „lndien gij dan Mij zoekt zoo laat dezen heengaan”. Hij gaf zich over tot de eeuwige verdoemenis.

Onze belijdenis zegt zo ernstvol „Nedergedaald ter helle”. Hij betoonde in die overgave de lust om des Vaders welbehagen te doen, volbracht zo heel de Borgtocht.

Het is de Hervormer Calvijn, die zoekende harten, gebogen onder hun schuld, die niet weten, hoe met God verzoend te worden, naar de „Zelfovergave van Christus”, niet slechts aan de kruisdood, doch ook aan Gods recht, heen wijst. Zalig die door Zijn liefde wordt ingewonnen, en door genade er in deelt. De Heilige Geest in dit hcilgeheim inleidt, het toepast. Als gij er dan van getuigen moogt, dan zal er óók een verwondering in uw stem klinken. Volk, moogt gij ook heden zó loskomen, terugziende bij Gcestes licht? Die mij — ja wie ben ik? die mij, verloren, vijandig, doemschuldig zondaar, liefgehad heeft? Die liefde gaat geheel eenzijdig van de Heere uit, die lag al van eeuwigheid in Zijn hart, bij de Borgstelling. Wat komt hier Jezus’ vrijwillig, eenzijdig Borgschap uit. In Jezus vrijwillig lijden en sterven, ziet Paulus Zijn onbegrepen onpeilbare liefde. Het grote wonder is voor hem. dat die liefde van Jezus, in Zijn overgave tot de dood, zich tot hem uitstrekt, om ook hem te redden van het dreigend gevaar, van het vloek- en doemvonnis.

Onder de woorden „overgegeven”, wordt de ganse genoegdoening van Jezus getekend en al het heü, daarin besloten. Mocht gij daarover peinzen in de lijdensweken, bij Geesteslicht. De woorden „voor mij”, zijn weer vol diepe ernst om ons zelf te onderzoeken. Het komt voor ieder jong en oud, op het persoonlijke aan. Wat een ander heeft, maakt mij niet zalig.

Zoekend hart, met uw open schuldvraag, mocht de Heiüge Geest u naar Jczus’-zèlf-overgave heen wijzen. Er in het geloof deelgenoot van maken. Zalig, die deelt in Zijn liefde voor de voornaamste der zondaren. Mocht gij dan door genade nog eens loskomen, om er van te getuigen, dat anderen tot jaloersheid verwekt. Volk, ligt het levendig of onder de as? Spreekt gij er over of er uit! Of is alles koud en somber:’ Of bent ge krank van liefde?

Doorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.