+ Meer informatie

Zoetwatervisser: een geuzenbestaan

14 minuten leestijd

Het aantal zoetwatervissers in Nederland is geslonken tot enkele honderden. Een onaanzienlijke beroepsgroep, die er een harde dobber aan heeft om de bedrijfstak in stand te houden. Door dubbele werkweken proberen ze het hoofd boven water te houden. Het wordt steeds moeilijker, door de aanwas van recreanten, vandalen en aalscholvers. Het geuzenbestaan van Stoffel Lok.

Voor het oog verschilt Belt-Schutsloot nauwelijks van Giethoorn, maar het mist de faam. Tot genoegen van de meeste bewoners, die niet op drommen toeristen zitten te wachten. De meeste woningen staan pal aan de waterlopen die het dorp doorsnijden. Een boot achter het huis is hier even vanzelfsprekend als elders een automobiel voor de deur. De bevolking lijkt te wedijveren om een prijs voor de mooiste tuin. Frisse, kortgeschoren gazons worden omzoomd door uitbundig bloeiende hortensia's. Beeld van Hollands welvaren. Er wordt wel een prijs voor betaald. "Rien sans peine", waarschuwt het houten bord op de gevel van de met riet bedekte woning van Stoffel Lok. "Niets zonder moeite." De markante zoetwatervisser, een bekend man in deze regio, liet onlangs een forse loods bouwen aan de rand van het dorp. De moderne maatschappij dwingt hem tot omvangrijke investeringen met bijbehorende hypotheek. De efficiency moet verhoogd, zeker nu ook zoon Stefan van het bedrijf gaat eten.

Riet
Van november tot mei zit Lok in het riet. Hij wordt dan geassisteerd door vader Stoffel, die ondanks z'n 78 jaren een volledige werkkracht bespaart. De bejaarde arbeider beschouwt zichzelf als part-timer. „Ik kom pas om zeven uur en tegen vieren stop ik er alweer mee." Trefzeker verdeelt hij het door Stefan aangevoerde riet in kleinere bossen. Een machine bundelt de taaie stengels. Door de bouw van de loods kan het verwerken van het oevergewas nu ook bij regen doorgaan. „Voor de ouwe baas was dat niet nodig", lacht Stoffel junior. „Die zegt: Jongen, maak je over mij niet ongerust, mijn salaris komt via de post. Maar dat ligt voor mij een beetje anders. Ik moet ervan eten." In de visserij is de Schutsloter visserman nog overgeleverd aan de elementen. Van mei tot november trekt hij door weer en wind over de meren rond woonplaats. Hij heeft er al een halve werkdag op zitten als we hem op een maandagmorgen in juli in de loods ontmoeten. Zelfs de boeren lagen nog in diepe rust, toen hij om vier uur met z'n punter het dorp uit voer, om vast een aantal fuiken te lichten.

Punter
De zwartgeteerde punter, waarin de netten gereed liggen, is voorzien van een zware Mercury-motor. Vader Stoffel heeft genoeg aan een buitenboordmotor van acht PK. Die van zijn zoon levert er 25, want tijd is geld. Rustig van net tot net tuffen is er niet meer bij. Schuimend golft het water langs de spitse boeg weg als we door een beschaduwde kreek naar de Westelijke Belterwijde varen. Aan beide oevers wiegt het groene riet, waarboven schietwilgen, elzen, berken en hazelaars hun kruinen verheffen. Dreigende wolken, waaruit zo nu en dan wat spetters vallen, worden weerspiegeld door het donkere water. Het KNMI verwacht regen en een enkele onweersbui. Voor regen is Lok niet beducht, voor onweer des te meer. Het kan behoorlijk spoken op de Overijsselse meren en de kans dat de bliksem hem treft is niet irreëel. Op de uitgestrekte watervlakte is de visserman in zijn bootje het hoogste punt. Toch heeft hij het erop gewaagd. De wolken lijken enkel regen te bevatten. En zeker op maandag blijft hij niet graag thuis. Dan haalt hij de vangst van twee dagen binnen. Want op zondag werkt hij onder geen beding.

Keernet
Op de Westelijke Belter is geen menselijk leven te bespeuren. Verlaten ligt het meer onder een somber uitspansel. Op zo'n dag blijkt zelfs Nederland z'n rustgebieden te hebben. Alleen de watertoren van St. Jansklooster, die uit het riet lijkt op te komen, verraadt bebouwing. Met hoge snelheid klieft de punter het water. Een fuut met jongen op de rug duikt haastig onder, om aan het monster te ontkomen. In de verte klink het vage gerommel van naderend onweer. Lok heeft de kap van z'n oliejas over z'n pet getrokken, om het hoofddeksel te beschermen tegen de toenemende regen. De vogelwereld trekt zich niets van de weersgesteldheid aan. Zwarte sternen, visdiefjes en kokmeeuwen jagen over het water, om zich als een baksteen te laten vallen wanneer ze prooi zien. Tegen' kwart over negen bereiken we de rietkraag langs de Veneweg, die de Belter-en Boschwijde scheidt van de Beulakerwijde. Nadat hij zijn punter heeft vastgezet, knoopt Lok een keernet aan de stokken die ernaast liggen. De eerste plaatst hij pal tegen de oever, de overige steeds verder het meer in. Met een zware houten hamer drijft hij de ruwe palen in de bodem. Het water klotst steeds driftiger tegen de punter. Aan weerszijden van de laatste stok plaats de tanige visserman een fuik. De pahng die wordt tegengehouden door het keernet en een uitweg zoekt, bezegelt daarmee z'n lot.

Onweer
De fuiken die wat verderop staan moeten gelicht. Een blauwe reiger kijkt vanaf de kant roerloos toe, als Lok het touw rond de hals van de fuik ontknoopt. Met krachtige bewegingen schudt hij de inhoud in een plastic ton, waarna zijn eeltige handen de fuik weer sluiten. In de tien minuten die ermee zijn verstreken is de lucht boven het meer volledig dichtgetrokken. Het gerommel zwelt snel aan. Een eerste bliksemschicht kronkelt boven de Westelijke Belter. Een onderkomen is nergens te bekennen. Alleen de rietkraag kan wat bescherming bieden. Op volle snelheid varen we naar de oever. Een zware donderslag rolt onheilspellend over het water. Tussen het drijfnatte riet wachten we zwijgend de bui af. Na een aantal tropisch warme dagen valt het water met bakken uit de lucht. Al snel staan we met de voeten in het nat, intuïtief bukkend bij elke donderslag. Tergend langzaam trekt de bui over. Als de regen wat afneemt, begint Lok de vangst te controleren. Met een plastic schep verwijdert hij het ondermaatse goed uit de ton. De rest loost hij in de houten bun in het midden van de punter. Onwillig glibberen de palingen het zwarte gat in. Overvloedig is de opbrengst niet, maar een polsdik exemplaar maakt veel goed. „Die weegt wel drie pond", schat Lok. „Daar moet ik 25 gulden voor kunnen beuren."

Natuurmonumenten
De hoop dat het bij één bui zal blijven, blijkt ijdel. Achter een lichtere wolkengordel nadert een inkzwart front. „We moeten hier zien weg te komen", ziet de visserman. Met een houten schep hoost hij razendsnel het meeste vocht uit zijn vaartuig en start de motor. Zo dicht mogelijk langs de rietkraag jagen we voort, achtervolgd door een nieuwe bui. Iets na tienen bereiken we Ronduite, een door water omgeven gehucht halverwege de Veneweg. In een werkplaats van Natuurmonumenten, de loods waar jaren geleden de wereldberoemde jachtenbouwer Wolter Huisman het fundament voor z'n carrière legde, is Lok altijd welkom. Hij vindt er een dak boven z'n hoofd, vriendschap en als het mee zit een kop koffie. Na drie kwartier is ook de tweede bui overgetrokken, maar de visser neemt niet het risico om voor de derde keer overvallen te worden. Alleen de fuiken die op de route liggen neemt hij mee. Het krijsend gevogelte boven hem wacht ongeduldig op het moment dat de te kleine vis overboord gaat. Voor een deel van de waterbewoners is de vrijheid van korte duur. Boven de rietkraag wiekt een eenzame aalscholver, met langgerekte nek. Op zoek naar voedsel. De ogen van de visser volgen het mysterieuze dier. Het is zijn belangrijkste concurrent.

Onaantrelckelijk
De economische situatie van de zoetwatervissers uit de Overijsselse waterdorpen Giethoorn, Dwarsgracht, Kalenberg en Belt-Schutsloot is allerminst rooskleurig. Het is zelfs de vraag of er op termijn toekomst voor hen is. Telde de in 1917 opgerichte Algemene Bond van Binnenvissers in NoordwestOverijssel aanvankelijk zo'n driehonderd leden, nu zijn dat er nog 25, van wie er slechts zeventien beroepsmatig vissen. Het merendeel is de middelbare leeftijd gepasseerd. Stoffel Lok behoort met z'n 45 jaren tot de jonge generatie. Stefan is een witte raaf in het vergrijsde gezelschap. De neergang is deels te verklaren uit de inkrimping van het visareaal. Het waterrijke gebied werd voor een belangrijk deel gecultiveerd. Van de 13.000 hectare open water die de Kop van Overijssel destijds telde, is geen 5.000 hectare meer over. Daar komt bij dat het werk financieel volstrekt onaantrekkelijk is. De meeste Overijsselse vissers verdienen net als Lok een belangrijk deel van hun inkomen in de rietteelt. Ze redden het door niet op de uren te letten. Lok maakt er gemiddeld zo'n tachtig per week. In de herfst minder, van maart tot mei aanmerkelijk meer. „Dan kom ik nauwelijks op bed. Je zit overdag nog volop in het riet, terwijl je ook de visserij moet opstarten. Dat doe je dan 's morgens vroeg en 's avonds."

Snoekbaars
Niet alleen het aantal vissers loopt terug, maar ook de visstand. Vooral de commercieel interessante snoekbaars verdween in een angstig snel tempo. Voor de Algemene Bond van Binnenvissers in Noordwest-Overijssel was dat reden om aan te drmgen op een onderzoek. Nadat door verschillende instanties geld beschikbaar was gesteld, ging het ingenieursbureau Witteveen en Bos aan de slag. Drie jaar onderzoek mondde begin '94 uit in een vuistdik rapport. De terugloop van de schubvis hangt samen met de waterkwaliteit. Door de verontreiniging van het water verdwenen waterplanten als fonteinkruid, gele plomp en kranswier. En daarmee de bescherming van de waterbewoners tegen het visetend gevogelte. „Met snoekbaars kon je flink geld verdienen", zegt Lok. „Maar die is weg. Hoogstzelden vang je er nog een." Ook de aanwas van het aantal recreanten is niet bevorderlijk voor de beroepsvisserij. Het Wiedengebied trekt jaarlijk 300.000 watertoeristen. De Weerribben zelfs 600.000. Naast kundige schippers zijn er klungels, die door onhandigheid of nonchalance de netten van de vissers kapot varen. Het merendeel laat niets weten. „En dan heb je nog de diefstal", zegt Lok. „Ik wil niet al te negatief overkomen, maar dat wordt helemaal schrikbarend. Je bent al blij als ze alleen je fuiken hebben gelicht en het net niet meegenomen is. Zo ver is het gekomen. De Officier van Justitie vind het wel best. Wat moeten die vijfentwintig vissers in de Kop van Overijssel?"

Aalscholvers
De narigheid door recreanten en dieven valt in het niet bij de schade die wordt aangericht door de aalscholver. Het dier is wettelijk beschermd en maakt daarvan een gepast gebruik. In dertig jaar is de stand van driehonderd uitgegroeid tot zesduizend. In dichte zwermen trekken de zwarte vogels vanuit hun kolonie in Wanneperveen over het plassen- en merengebied. Met gevolg dat momenteel de zoetwatervisser dreigt uit te sterven. Eén aalscholver eet gemiddeld een pond vis per dag weg. Gezamenlijk consumeren ze naar schatting meer dan tweehonderd ton per jaar. Het rapport van Witteveen en Bos noemt als maximum 280 ton. De zoetwatervissers zitten met de gevolgen. Schubvis vangen ze nauwelijks meer. Het onderzoek heeft aangetoond dat ook van de paling ruim twintig procent wordt weggekaapt door de aalscholvers. Vijftien jaar geleden ving Lok in een goeie week 1200 pond vis. „Nu zijn we met 500 pond al heel tevreden."

Gereguleerd
De vissers halen het niet in hun hoofd om de rovers af te schieten. „Dan krijg je heel Nederland over je heen. We willen dat ook helemaal niet. De stand moet gewoon gereguleerd. Als ze vier of vijf eieren hebben, is het een koud kunstje om er drie weg te pakken. In het verleden deed moeder natuur dat zelf In de eendenkooi van Wanneperveen, waar die aalscholvers nestelen, zat ook een grote kraaienkolonie. De kraaien pikten een deel van de eieren weg en roofden jonge aalscholvers als voedsel voor hun jonkies. Zo ging dat. Tot de natuurbeschermers ingrepen. Die hebben van de aalscholverkolonie een attractie gemaakt. De kraaien moesten weg. Nu zie je het resultaat." Overleg van de Overijsselse zoetwatervissers met Natuurmonumenten en de Dierenbescherming heeft tot nu toe weinig opgeleverd. „Prima mensen hoor", relativeert Lok. „Ik kan er best mee overweg. Maar over ingrijpen in die aalscholverkolonie valt niet te praten. We moeten onze schade maar aantonen. Dan willen ze wel een vergoeding geven. Maar dat is moeilijk. Ik kan in de boeken precies nakijken met hoeveel procent de vangst is teruggelopen. Maar in hoeverre is die aalscholver daarvoor verantwoordelijk? Dat was altijd het probleem. Nu hebben we gelukkig dat rapport als steun in de rug."

Zegen
De tanende visstand leidt ertoe dat de vissers hun jachtgebied aldoor moeten uitbreiden. Lok begon in '81 met 120 hectare. Nu bevist hij 1260 hectare op de Westelijke en Oostelijke Belter, de Schutsloterwijde en een aantal binnenwateren. In het hoogseizoen heeft hij zo'n tweehonderd netten uitstaan. Elke morgen gaat hij de helft langs. De middag gebruikt hij voor het herstellen van stukgevaren netten. „Als het volop seizoen is, kan ik de reparatie niet bijhouden. Een hoop blijft liggen voor de wintermaanden. Dan heb je lange avonden en kun je mooi netten repareren of nieuwe maken. Daar kun je rustig bij zitten. Wij beschouwen dat niet eens als werk." De visrechten in de Kop van Overijssel worden afgehuurd door de bond, die het areaal over de aangesloten leden verdeelt. De 65-plussers ontvangen een beperkt deel, waar ze voor hun genoegen nog eens een netje kunnen uitzetten. De leden die ervan moeten leven, krijgen steeds meer. Van november tot januari vist Lok, samen met twee collega's, op schubvis met de zegen: een groot sleepnet. „De ouwere vissers werken met een zegentje van een honderd meter, dat ze met de hand trekken. Wij hebben er een van zeshonderd meter gemaakt, die we met hydraulische lieren trekken. De ouderen schudden het hoofd en zeggen: Moet dat nou zo? Maar wil je overleven, dan kan het niet anders. Vroeger haalde ik tweederde van m'n inkomen uit de visserij. Nu is dat nog maar eenderde. De rest moet uit het riet komen."

Bakpaling
Als we vrijdags terugkomen, laat het klimaat zich van z'n beste kant zien. Lok is weer vanafvier uur in touw. „Gisteravond belde een handelaar uit Zwartsluis, of ik bakpaling had. Die man levert aan grote restaurants en wil het beste van het beste hebben. Dan moet je er meteen bij zijn. Handel is handel. Vanmorgen vroeg hebben we ze gesorteerd en weggebracht." Binnenkort wil de doortastende ondernemer in de loods een bassin maken, waar hij de paling tijdelijk kan opslaan. In de huidige opslag, een houten bak in de Kleine Belter achter het huis van zijn broer, is de vangst niet meer veilig, „'t Is jammer, maar het is niet anders. In het weekend zijn in het dorp weer twee buitenboordmotoren gestolen. Je moet tegenwoordig alles achter slot en grendel hebben."

Multi-functioneel
De rest van de dag is gereserveerd voor het lichten en schoonspuiten van de netten in de Schutsloterwijde. Een klus die wordt bewaard voor de dagen rond volle maan. Van zijn opa leerde de visserman al dat de vangst dan toch slecht is. Stefan gaat met een licht bootje vooruit. Z'n vader sleept met een punter de bok. Het platte vaartuig, dat acht ton kan hebben, wordt in de winter en het voorjaar voor het transport van riet gebruikt. Zomers in de visserij. „Al ons materiaal is multifunctioneel", lacht Lok. Behendig loodst hij het plompe vaartuig door de smalle waterwegen van het dorp, langs kostbare speedboten. Óp de Schutsloterwijde kan hij meer snelheid maken. De strengere milieuwetgeving begint op de meren duidelijk vrucht af te werpen. Waterlelies en gele plompen tieren weer welig. In het midden van het meer zet de visser de bok met twee ankers vast. Terwijl zijn zoon de fuiken licht, spuit Lok de aangevoerde netten onder hoge druk schoon op een oud bedspiraal. Het water wordt via de houten bak eronder geloosd.

Compressor
De schone netten hangt de visserman te drogen op kruiselings geplaatste stokken. Vredig wiegen ze heen en weer in de warme wind. „Met een halfuur zijn ze droog", weet Lok. „Als er niets tegen zit, doen we er zo vijftig op een dag. En dan hoef je je echt niet af te beulen." Vandaag zit het wel tegen. De compressor, net terug van een reparatie die twaalfhonderd gulden heeft gekost, laat het onverwacht afweten. Eensgezind gesleutel van vader en zoon levert niets op. Na een halfuur geven ze de moed op. „Dat wordt niks meer vandaag", constateert de visserman spijtig.
Met vereende krachten plaatsen de twee mannen de compressor in de punter. De bok blijft onbeheerd achter. Met een kalm gangetje varen we terug. Lok lijkt de tegenslag alweer vergeten. „Dit is toch een prachtig leven", mijmert hij. „Toen ik vier was ging ik al met m'n grootvader mee uit vissen. Ik heb er een tik van. Binnen zou ik niet kunnen leven. Dan werd ik hartstikke gek. Zolang ik kan blijf ik vissen. Ze noemen me wel 's een van de laatsten der Mohikanen. Dat is misschien wel zo ja."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.