+ Meer informatie

JOHN G. PATON

ZWARE WEGEN.

4 minuten leestijd

Dat bij de zendingsarbeid veel tegenwerking komt van de zijde der heidenen, is begrijpelijk: de duisternis wijkt niet zo spoedig voor het licht; maar wanneer de tegenstand komt van die kant, waarvan we juist medewerking verwachten, dan is dat vreselijk erg. Zendeling Patons arbeid werd zeer bemoeilijkt door de vijandschap der Tannezcn, maar werd ontzettend afbreuk gedaan door Engelse sandelhout-kopers. Deze mensen gaven om God noch gebod; ze ontzagen niemand; het scheen wel, of de duivel hun leermeester was; ze leidden een liederlijk leven en waren ellendige dronkaards.

Op zekere morgen waren die Engelsen met een drietal schepen in de haven van Port Resolution aangekomen. Paton werd uitgenodigd aan boord te komen, en daar hoorde hij het duivelse plan uit de mond van een kapitein: „Wij hebben nu een middel gevonden om uw trotse Tannezen ten onder te brengen. We zullen ze nu wel klein krijgen."

Verschrikt vroeg de zendeling: „Maar ge komt die arme mensen toch niet doden ? ">

„Neen, " was het antwoord, „wij hebben de mazelen op Tanna gebracht en die zullen het wel doen." En lachend werd verteld, dat er vier jonge mannen, die de mazelen hadden, aan land waren gezet op verschillende plaatsen, en dat nu het hele eiland wel besmet zou worden.

Paton, hevig ontsteld, noemde het plan laag, onmenselijk, goddeloos. Hij poogde de mannen te bewegen, om alles in 't werk te stellen om nog te redden wat te redden was. Maar alles was tevergeefs. „Deze schepsels", zo spraken de ruwe kooplieden, /„moeten verdelgd worden en hun land wordt bezit van de blanken."

Een jong opperhoofd werd door middel van mooie beloften aan boord gelokt, en daar aangekomen, werd de man een etmaal opgesloten in het ruim waar de mazelenlijders zich bevonden. Helemaal besmet door de ziekte kwam de jonge man terug bij zijn stam en vertelde wat ze met hem hadden gedaan. Het resultaat was verschrikkelijk. Overal braken de mazelen uit in hevige mate. Verscheidene mensen stierven, velen vluchtten van Tanna weg. Paton deed alles wat hij kon om het lijden te verzachten, door geneesmiddelen, voedsel en water te brengen naar de omliggende dorpen, daarin trouw bijgestaan door Johnston en zijn vrouw, die uit Nieuw-Schotland naar Tanna waren gekomen om Paton in zijn zendingsarbeid te steunen.

De zieken, die de raad van de zendeling opvolgden, herstelden spoedig, maar er waren ook Tannezen, die de goede raad in de wind sloegen en zelf voor dokter speelden. Wanneer ze hoge koorts hadden, sprongen ze in zee, om verlichting te bekomen, met het vreselijke gevolg: de dood. Weer anderen gingen in een kuil in

de grond liggen: de koele aarde werkte verzachtend op het verhitte lichaam, maar het einde was meestal, dat ze stierven in een eigengemaakt graf.

Het spreekt vanzelf, dat de inboorlingen de schuld van al de ellende, zochten bij de blanken. Of het nu kooplieden waren of zendelingen, dat was voor hen volkomen gelijk. En zo gebeurde het, dat Johnston, op de avond van Nieuwjaar 1861, door twee verwoede Tannezen werd aangevallen. Onder het voorwendsel geneesmiddelen voor een zieke jongen te komen halen, waren ze tot bij het Zendingshuis genaderd. Twee waakzame honden sprongen woedend op de twee aanvallers, zodat die wel moesten ophouden Johnston te slaan.

Toen Paton op het rumoer naar buiten kwam, stond Johnston op en riep: „Pas op! Die mannen hebben mij willen doden! Ze zullen ook u niet ontzien!"

„Wat wilt ge? " riep Paton bars.

Als antwoord zwaaiden ze hun grote knodsen en waren van plan de zendeling te lijf te gaan. Maar vóór ze een pas verzetten, sprongen de honden op hen af, opgehitst door hun meester, waarna de twee inboorlingen de vlucht namen.

Paton riep ze nog na: „Denkt er aan, dat mijn God u ziet en u zal straffen, omdat gij Zijn dienstknechten hebt willen doden, "

De uitstekend-afgerichte honden waren het middel mogen zijn, dat de boosdoeners hun plan van doodslag en plundering niet konden volbrengen. Bij de vlucht van die twee bleek het, dat zich een groot aantal mannen had opgesteld in de nabijgelegen bosjes, om de voormannen bij te staan als hun boos plan was gelukt. Nu kwamen die verscholen mannen uit hun schuilhoeken te voorschijn en volgden de vluchtende twee op de voet.

De woorden van David kwamen de zendelingen nu zo levendig voor de geest: „God is ons een toevlucht en sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een hulp in benauwdheden."

Johnston, die aan soortgelijke voorvallen niet zo gewoon was, sliep die nacht niet, en de volgende nachten evenmin. Hij werd ziek, en eer de maand Februari was aangebroken, stierf hij.

De droefheid van zijn vrouw is niet te beschrijven, maar ook voor Paton was het heengaan van zijn trouwe helper en vriend heel zwaar. Naast het graf van Patons vrouw en kind, werd nu een graf gedolven voor Johnston.

De wegen, die Paton moest gaan, waren wel zeer zwaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.