+ Meer informatie

Dwarsligger Coolhaes was voorloper van remonstrantisme van Arminius

Zestiende-eeuwse theoloog rekende ook Turken en papen tot Gods kerk

6 minuten leestijd

Zij waren gaan wandelen: Caspar Coolhaes, een in opspraak zijnde Leidse dominee, zijn echtgenote Grietje en een paar andere predikanten, leden van de generale synode. Men had zojuist de maaltijd gebruikt en ging nu een luchtje scheppen; het einddoel van het tochtje was het fort Rammekens.

Sinds dinsdag 30 mei was te Middelburg de synode van de gereformeerde kerken in de Nederlanden bijeen; nu was het elf juni. Het was het jaar 1581.

Er waren op deze synode een paar brandende kwesties, een ervan was de zaak-Coolhaes.

Het wandelingetje leek onschuldig en was het ook wel, maar het was van de kant van de synodale broeders toch niet geheel zonder bedoeling.

Coolhaes was een onwillige, een dwarsligger. Hij had in Leiden al een paar twisten achter de rug. Wat hij leerde, stond onder zware verdenking. Achteraf bekeken heeft men hem een voorloper of een eerste vertegenwoordiger van het latere standpunt van de remonstranten genoemd.

Synodale verleiding

Op de wandeltocht werd het een en ander met hem besproken, uiteraard geheel informeel. De synodale broeders trachtten hem over de streep te halen; hij zou zich aan de uitspraken van de synode moeten onderwerpen.

Maar ook nu bleek dat Coolhaes een weerbarstig mens was, hij gaf niets toe.

Om toch wat te bereiken, hebben de vaderen het toen bij Grietje geprobeerd. Of zij niet een handje wilde helpen... Zou zij haar man niet kunnen bewegen tot het innemen van een ander standpunt... Ze zeiden, letterlijk: „Een vrouwe, in 's mans armen leggende, can seer veel doen".

Kartuizer monnik

Maar ook Grietje was niet toeschietelijk. Zij was met haar man reeds meer dan twintig jaar getrouwd en zou hem in totaal zeventien kinderen schenken. Zij had ook haar mondje bij zich en verdedigde tegenover de synodeleden haar man kordaat en vinnig.

Ook Turken en papen

Caspar Coolhaes had al heel wat achter de rug eer hij in Middelburg ter synode kwam. Hij kwam uit Keulen; daar zag hij op 24 januari 1534 het levenslicht. Op twintigjarige leeftijd werd hij monnik bij de orde der kartuizers. Zes jaar later, in 1560, verliet hij de orde. Hij werd predikant, eerst in een paar Duitse steden. daarna in Nederlandse: in Gorinchem en Leiden.

Al tijdens zijn Duitse periode bleek hij er vreemde ideeën op na te houden. Zo beweerde hij toen reeds dat God onder allerlei volkeren, onder Turken, joden, heidenen, papen, werderdopers en andere sectariërs, de Zijnen heeft, die Hij van eeuwigheid verkoren heeft; en dat wij op grond daarvan alle mensen moeten liefhebben, want dat ieder kind van God kan zijn. De theologische faculteiten te Wittenberg en Leipzig vonden deze en dergelijke uitspraken van Coolhaes zo vreemd en duister, dat hij op hun advies als predikant te Essen, waar hij toen werkzaam was, ontslagen werd.

Niet calvinistisch

Dat Coolhaes universalistisch dacht, is zonder meer duidelijk. Ook later, als hij predikant in Nederland is geworden, blijkt dat. Geen wonder dat de calvinistische, of beter gezegd: de gereformeerde, predikanten van die tijd hem met argusogen bekeken. Tot die predikanten behoorde in ieder geval ook Arnoldus Cornelii, de zeer bekwame predikant uit Delft, van wie terecht is opgemerkt dat hij grote invloed heeft gehad op de opbouw van het gereformeerde leven in zijn dagen. En juist hij, deze Cornelii, was voorzitter van de synode te Middelburg.

De reden waarom de zaak-Coolhaes op de synode kwam, was tweeërlei. De magistraat van Leiden had het zich veroorloofd om op een zeer directe wijze in te grijpen in het kerkelijke leven in Leiden en was daarin gesteund door Coolhaes. Volgens het inzicht van Coolhaes behoorde de kerkregering en ook de kerkelijke tucht in handen van de overheid. En dan waren er vervolgens ook nog de geschriften van Coolhaes, die tegenspraak en zelfs verontwaardiging hadden opgeroepen, omdat zij niet conform Gods Woord en de Belijdenis van de kerk werden geacht.

Uit ambt ontzet

De synode bleek dus voor twee dingen beducht. Stel dat in elke stad de magistraat de kerk fatsoeneert naar eigen believen, dan zal het gevolg zijn dat men in de Nederlanden evenveel kerken krijgt als er steden zijn. En bovendien, wat blijft er dan nog over van het geheel eigene van de kerk?

Over de door hem verkondigde leerstellingen heeft men Coolhaes in Middelburg danig aan de tand gevoeld. Soms trok hij zich terug. Een jaar na het houden van de synode, in 1582, kon ook de magistraat van Leiden hem niet langer handhaven, hij werd uit zijn ambt ontzet. In januari 1615, op ruim 80-jarige leeftijd, is hij overleden.

Spiritualisme

Coolhaes is ook in de jaren na zijn afzetting nog zeer produktief geweest. Steeds meer kwam openbaar wat men eigenlijk aan hem had. Zijn houding werd steeds kerkvijandiger. De gereformeerde kerk weigerde hij nog langer te houden voor de ware kerk van Christus. En toch scheidde hij zich ook niet af. Op de vraag waarom hij dat niet deed, was zijn antwoord dat hij nérgens de ware kerk kon vinden. In zijn kerkopvatting vertoonde hij gelijkheid met Sebastian Franck, de spiritualist, van wie hij enige werken in het Nederlands vertaalde, en met Coornhert, die eveneens veel met Franck ophad.

Een vrije wil

Coolhaes wilde op alle terreinen vrijheid. Dus ook geen binding aan een geloofsbelijdenis. Niemand zou ooit van het avondmaal geweerd mogen worden.

Zijn universalisme noemden wij al. Kinderen van heidenen waren volgens hem gelijk aan kinderen der gelovigen. En ieder mens zou het vermogen hebben om de aangeboden zaligheid in Christus aan te nemen.

Coolhaes' stellingen zijn, althans gedeeltelijk, later koren geweest op de molen van de remonstranten. In de "Kerckelicke Historie" (1647) van de remonstrantse voorman Johannes Uytenbogaert komt men meermalen ook de naam van Coolhaes tegen en steeds worden hem beschermend de handen boven het hoofd gehouden.

Houtsneden

Na zijn afzetting als predikant vervaardigde Coolhaes ook houtsneden met zinnebeeldige voorstellingen, die op kermissen werden verkocht. Een daarvan kwam ons onder ogen. Zij biedt een zinnebeeldige voorstelling van de weg naar de hemel, het nieuwe Jeruzalem. Aan het begin van de weg ziet men een wandelaar, staand op het halfrond van de aardbol. De weg voert naar omhoog, het nieuwe Jeruzalem ligt hoog. De weg heeft zes vertakkingen, zijwegen, dwaalwegen. Men ziet wandelaars die zo'n dwaalweg zijn opgegaan; maar men ziet ook anderen, die hen tegenhouden of terugwijzen of terugsturen.

Zo zag Coolhaes blijkbaar de mens. Allen op één weg, weliswaar een weg met zijwegen, maar toch één weg. Coolhaes is geweest een man van één weg. De Heere Christus echter leerde ons twéé wegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.