+ Meer informatie

Schriftuurlijk-bevindelijk

4 minuten leestijd

3.

Referent Veenendaal haalt aan uit het boek van Prof. Wisse: De ambtelijke bediening van Christus in de gelovigen en zegt dan o.a. het volgende: Deze ambtelijke bediening van Christus is daarom één der zaken, welke van de allergewichtigste betekenis moet geacht worden voor het onderwerpelijke leven der genade. De Heilige Geest welke de kerk sticht en doorwoont, bedient alle heil uit de functionering van de drie ambten van Christus. Alleen door het geloof te ontvangen en te beleven. Geloof alleen nu is het kanaal waardoor alle weldaden van Christus ons toevloeien. Nooit anders. Alleen in vereniging met Zijn Persoon worden wij van die weldaden deelgenoot. Hij laat die bediening ook ervaren in alle drie stukken die tot zaligheid gekend moeten worden: ellende, verlossing en dankbaarheid. Deze vereniging met Christus geschiedt door de Heilige Geest. De Heilige Geest is het die, naar de huishouding der Goddelijke Drie-eenheid de weldaden van Christus toepast en dat wel door deze nauwe mystieke vereniging met Christus tot stand te brengen. De Heilige Geest is de Persoon, die de werken Gods kroont, die alles uit de Christus tot de Vader opleidt. Dit geestelijke werk vangt aan met het bij uitstek geestelijke werk der wederbaring des harten.

Het is dus niet genoeg als de prediker zijn tekst ontvouwd heeft, hij moet met die ontvouwing doordringen tot het wezen der geestelijke zaken. HELLENBROEK wijst op de schriftuurlijke noodzaak, Christus te verkondigen als Middelaar van verdienste, maar zeer zeker ook als de Middelaar van toepassing. Daar is geen scheiding tussen voorwerpelijk en onderwerpelijk, daar is geen scheiding tussen Christus als Middelaar van verdienste en van toepassing, daar is geen scheiding tussen de prediking als explicatio (verklaring) en applicatio (toepassing).

De referent zegt een halve blz. verder: In zijn dagen schreef Prof. Bavinck reeds: „Maar er is een belangrijk element dat ons heden ten dage veelszins ontbreekt; de geestelijke zielekennis wordt gemist. Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In theorie misschien nog wel, maar niet meer in de ontzaggelijke realiteit van het leven”, aldus prof. Bavinck.

Waar de bevindelijke kennis van de enige waarachtige God en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft niet meer wordt gepredikt, vervreemdt de gemeente van de verborgenheid des Heeren (Ps. 25 : 4), en zien we daar, waar eerst een bloeiende gemeente was, met het wegsterven van de bevindelijke prediking, de kerk gaat inzinken. Daar is dan ook geen geestelijke onderscheidende kennis en aanvaardt men in de kerk als gelovigen wie dat niet zijn. God bevestigt Zijn Kerk door de bevinding van het geloof en zal daardoor Zijn beeld, Zijn heerlijkheid afdrukken in het hart, zodat dat gevoelen, dat in Christus Jezus was ook in hen is (Filipp. 2 : 5).

Uit de aanhalingen, die de referent doet willen we er enkele overnemen.

Wijlen ds. W. F. Laman schrijft in een preek over Psalm 45 : 4, 5: (”Gord uw zwaard aan de heup, o Held! uwe majesteit en uwe heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid en uw rechterhand zal u vreselijke dingen leren”): „Nooit kan de rechte troost in leven en sterven gesmaakt, tenzij de Held Zich aan de ziel heeft geopenbaard. Aan deze openbaring gaat het met Efraïm op de heup kloppen vooraf. Anders weten ze niet uit welke nood en dood ze gered zijn. Dit is geen méthodisme maar Goddelijke heilsorde. Aan het optreden van Christus ging het werk van de wegbereider Johannes de Doper vooraf.”

De Dordtse Leerregels luiden in paragr. 2 hoofdstuk 8: „Want dit is geweest de gans vrije raad, de genadige wil en voornemen des Vaders, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van de dierbare dood Zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen om die alleen met het rechtvaardigend geloof te begaven en door hetzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen.” Juist aangaande deze zaak zijn zielverdervende dwalingen gangbaar. Men gaat uit van het zijn in Christus, om dan verder, al weet men van de toepassing des heils niets af, met een beredeneerd geloof zichzelf te helpen. Men begint aan te nemen, (want geloven is het niet,) een gekende, een kind van God te zijn en nu past men zelf de verbondszegeningen toe, vreemd aan het werk van de Heilige Geest. Dan is het natuurlijk geen vraag: hoe ga ik over in het genadeverbond, hoe heb ik macht ontvangen, een kind van God genaamd te worden? In het genadeverbond is de gouden keten van de orde des heils vastgelegd: roeping en wedergeboorte, geloof en bekering, rechtvaardigmaking en heiligmaking en heerlijkmaking. Al deze verbondsweldaden worden we alleen deelachtig door de toepassing van de Heilige Geest.

In een slot-artikel willen we een en ander uit wat de referent verder zegt naar voren brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.