+ Meer informatie

HANDOPLEGGING EN BEVESTIGING

11 minuten leestijd

Inleiding

Tot voor kort was de handoplegging in de kerken van de Nederlandse Reformatie een liturgisch gebaar dat vrijwel uitsluitend werd toegepast bij de bevestiging van een kandidaat in het ambt van predikant.

Wij zijn er bijna aan gewoon geraakt… dat men zich beperkt tot een zeer onbepaalde, zalvende, zwaaiende beweging der hand los boven het hoofd. Het komt mij voor, dat dit nu eens een echt symbool is van het element van docetisme, dat de praktijk van onze weinige ‘ceremoniën’ grondig heeft ondermijnd. (J.N. Bakhuizen van den Brink, De oplegging der handen tot het ambt, in Kerk en Eredienst, jg 1948 p.310).

Door de liturgische bezinning, waarbij vooral naar bijbelse gegevens en hun doorwerking in de kerk van de eerste eeuwen en middeleeuwen werd gepeild, is er een ontwikkeling gegroeid die de handoplegging ook bij andere gelegenheden toepaste. Het is evenwel merkwaardig, dat in de tijd van de Reformatie de handoplegging alleen bij de bevestiging tot predikant werd gehandhaafd, terwijl andere vormen niet zozeer werden verboden, maar wel minder wenselijk werden geacht.

Bijbelse gegevens

a. Oude Testament

De oplegging van de handen komen we in verschillende situaties tegen. In wezen is het een gebaar waarbij contact met een ander ontstaat, waarbij de hand de gehele mens vertegenwoordigt (als deel voor het geheel). Tegelijk wordt duidelijk, dat er een nauw verband bestaat tussen zegen en handoplegging. Bij de zegen worden immers ook de handen opgelegd. Dat kan het geval zijn, wanneer een enkele mens de zegen ontvangt. In Gen. 48 wordt gesproken over de zegen van Jacob, en daar treffen we zelfs de betekenis van linker- en rechterhand aan, wanneer hij de zonen van Jozef zegent: de rechterhand op het hoofd van de jongste en de linkerhand op het hoofd van de oudste. De rechterkant heeft altijd de voorkeur boven de linkerkant. De jongste ontvangt dus de voornaamste zegen.

Bij het uitspreken en opleggen van de zegen wordt eveneens het gebaar van handoplegging gemaakt, maar wanneer het meerdere mensen betreft, is er van een lichamelijke aanraking geen sprake (Num. 6, 22–27 en Lev. 9, 22 v). Het is een privilege van hooggeplaatsten, zoals Mozes en Aäron, maar ook David en Salomo. De meerdere zegent de mindere. Later is het vooral een taak van de priesters geworden.

Bij Ezechiël wordt meer dan eens gesproken over de hand des HEREN die op hem rustte. Op deze manier wordt de gemeenschap met de HERE onder woorden gebracht: zo geeft de HERE hem kracht om te spreken. Eenmaal is er sprake van de overdracht van een opdracht, te weten van Mozes aan Jozua (Num. 27, 18). Mozes draagt niet alleen het leiderschap aan Jozua over, maar geeft zichzelf in een gebaar van gemeenschap: hij gaat achter Jozua staan. Hier betekent het niet zozeer de overdracht van de Geest, want die bezit Jozua reeds, maar de ‘ambtelijke’ bevoegdheid, en dat zou je de Geest in een bijzondere zin kunnen noemen. Deze overdracht van gaven vindt plaats voor de verzamelde gemeente om de wettigheid van de opvolging in het openbaar te bevestigen. Daarnaast is er ook sprake van handoplegging bij de offers of bij een steniging.

b. Nieuwe Testament

Van Jezus krijgen we meer dan eens te horen dat Hij mensen de handen oplegt, zeker in het geval van genezingen. Maar ook in andere omstandigheden. Jezus legt de kinderen de handen op en zegent hen (Mk 10, 16 par.).

Handoplegging bij de doop wordt genoemd in Hand. 8, 16/17 en in Hand. 19, 5/6. Vooral belangrijk zijn de teksten die spreken van handoplegging in verband met de bevestiging in het ambt. In Hand. 6,6 krijgen zeven mannen de opdracht om het Hellenistische deel van de gemeente (ook materieel) bij te staan. Hun werden na gebed de handen opgelegd. Aan Paulus en Barnabas worden de handen opgelegd bij hun vertrek naar Cyprus (Hand. 13, 3).Timotheüs wordt herinnerd aan de handoplegging die hij ontvangen heeft van de gezamenlijke oudsten (I Tim.4, 14), en dat krijgen we ook te horen in II Tim. 1, 6). Hij krijgt trouwens wel de raad om niet overijld anderen de handen op te leggen (I Tim. 5, 22).

Geschiedenis

a. Vroege kerk

In de eerste eeuwen treffen we al teksten aan die over handoplegging spreken. Belangrijk is de Traditio Apostolica van Hippolytus (ca. 215), waar we het oudste formulier voor de ordening aantreffen. Drie wijdingen worden genoemd. Eerst die van een bisschop. Een epiklese (gebed om de Heilige Geest) gaat aan de handoplegging vooraf en verklaart deze ook. Bisschoppen uit de omgeving zijn gekomen om de kandidaat-bisschop de handen op te leggen. Het presbyterium neemt niet deel aan de handoplegging. De wijding van een priester (presbyter) geschiedt door de handoplegging van één bisschop en alle leden van het presbyterium. Bij de wijding van een diaken is het alleen de bisschop die de hand oplegt. Juist de verbinding met het gebed verklaart dat de handoplegging niet als een automatisme is opgevat. Intussen is er wel een bepaalde ontwikkeling te traceren. Het concilie van Nicea bepaalde dat bij de wijding van een bisschop ten minste drie bisschoppen de handen opleggen. Het is iets van de twee of drie getuigen, maar ook een zaak die niet slechts de lokale kerk aangaat. De wereldkerk (toen nog) is erbij betrokken. In het midden van de 6e eeuw is daaruit de volgende regel ontstaan: dat één bisschop niet een bisschop wijdt, behalve (in) de kerk van Rome. De rol van de priesters (presbyters) verdwijnt op het punt van de handoplegging. Wanneer de Paus de priesterwijding bedient, is hij ook de enige. Het wil ook zeggen dat de notie van de collegialiteit op de achtergrond raakt. Tegelijk valt er een gradatie in de ambten te signaleren.

b. De reformatie

In de 16e eeuw heeft de reformatie van de kerk aanleiding gegeven tot een fundamentele herbezinning op vrijwel alle terreinen van de theologie. Dus kwam ook de vraag naar de ambten en de wijze waarop men het ambt ontvangt naar voren. Daar is niet eensluidend over gedacht. De radicalere stromingen wilden van bijzondere ambten niet weten en al helemaal niet van een wijding en een handoplegging als teken van ordening. Het sterkst zijn die opvattingen te vinden in de doperse stromingen. Hoewel Luther en Calvijn hun bedenkingen hadden tegen de superstitie (bijgeloof) die aan handoplegging verbonden kon zijn, hebben zij, vanwege het bijbels getuigenis, er niet totaal mee willen breken. In elk geval is in hun opvatting geen plaats voor een priesterschap met een sacramenteel gezag. Evenmin worden door de handoplegging sacramentele krachten en de apostolische succesie doorgegeven. Vandaar dat over de handoplegging als een ‘adiaphoron’ (middelmatige zaak) wordt gesproken in sommige kerkorden van de 16e eeuw (de synode van Wezel 1568 wilde het aan de vrijheid der kerken overlaten). Andere kerkelijke vergaderingen wilden de handoplegging nalaten (Rotterdam 1575), of vervangen door een handdruk (Middelburg 1581). Wellicht zijn de opvattingen van Martin Bucer (1491–1551) nog het meest uitgewerkt (Zie W. van ’t Spijker, De ambten bij Martin Bucer, (diss.) Kampen 1970, pag. 377–386 en G.C. van de Kamp, Handoplegging bij bevestiging, in ‘Eredienstvaardig’ 4e jg. nr 6, 1989). Bucer noemt de handoplegging een sacrament, in de zin van een ‘zichtbaar teken, waardoor de onzichtbare gaven van God worden getoond (verschaft?)’. Naast doop en maaltijd des Heren dus een derde sacrament. De gave, waarover het moet gaan, is de Heilige Geest, opdat ze het ambt dat hun is toevertrouwd meer naar behoren en met meer nut tot opbouw van de gemeente verrichten. Intussen betekent deze opvatting niet, dat het teken een character indelebilis (onuitwisbare gelding) heeft, of dat er sprake is van apostolische successie. De werking van het sacramentele teken staat in nauw verband met het geloof. Het woord van God en het gebed van de gemeente behoren tot de constituerende bestanddelen die het wezen vormen van de ordinatie. De oplegging der handen kent drie facetten. Het betekent immers de leiding, versterking en bescherming van de hand van God.

1. De geordineerde mag zich verzekerd houden in zijn dienst van de hulp van de Heilige Geest.

2. Het is een overdracht van de volmacht om de kerk te onderwijzen en te regeren.

3. De geordineerde wijdt zich aan God.

Wie is dan ordinator? Bij voorkeur de episcopos, maar ook bestaat de mogelijkheid, dat het presbyterium het doet, of eraan meedoet. Bucer voorziet in één ordinatie voor alle ambtsdragers: bisschoppen, presbyters en diakenen. De bisschoppen zijn dienaren van het Woord met bijzondere bevoegdheden. De presbyters zijn zowel dienaren van het Woord alsook ouderlingen. Bij allen geschiedt de ordinatie met handoplegging.

Huidige praktijk

Bakhuizen van den Brink vertelt van een gesprek met afstuderende theologen over de betekenis van de handoplegging. Eén van hen zei dat hij deze niet anders dan als een ‘gewijd gebaar’ beschouwen kon. Dit verhaal uit 1950 kon wel eens kenmerkend zijn voor een aantal eeuwen protestantisme in Nederland. Intussen is Bakhuizen van den Brink zich ermee bezig gaan houden, en hij komt tot de conclusie, dat handoplegging voor kandidaten gehandhaafd dient te blijven. Hij overweegt zelfs vernieuwde oplegging der handen bij verwisseling van standplaats, en acht een sobere vorm van handoplegging bij de bevestiging van de overige kerkeraadsleden gewenst. Uitgebreider gaat Elderenbosch op deze zaak in (zie zijn dissertatie De oplegging der handen, ’s-Gravenhage 1953). Hoewel hij verschillende soorten van handoplegging signaleert, komt hij toch uit bij een duidelijke overeenkomst. De grondbetekenis vindt hij in ‘de eenheid met Christus’. In verband met de dienst aan de gemeente verzekert de handoplegging van Gods zegen, opdat de dienaar tot zegen zal worden. Al is hernieuwde handoplegging niet noodzakelijk, toch is er geen bezwaar tegen, mits in het oog gehouden wordt dat iedere handoplegging die men ontvangt, samenhangt met en explicatie is van de eerste handoplegging die men ontvangen heeft, n.l. bij de doop. (p.135). Ook ouderlingen en diakenen zouden bij bevestiging de handoplegging moeten ontvangen. Daarnaast valt te denken aan geloofsbelijdenis, huwelijk, maar ook de ziekenzegen (Healing Services).

In het Dienstboek (1955) is er op dit punt nog niet veel vernieuwing te ondekken. Anders wordt het bij de Proeven voor de eredienst, en met name in de 2e aflevering “Bevestiging van ambtsdragers” (1989). In de toelichting wordt nader op de handoplegging ingegaan. Het wordt een symbolische handeling genoemd. Dadelijk komt de vraag naar voren wie deze handoplegging mogen ontvangen. Alleen dienaren van het Woord, of ook diakenen en ouderlingen? De samenstellers geven er de voorkeur aan, dat ook diakenen en ouderlingen onder handoplegging bevestigd worden, mits daarbij hun eigen taak en opdracht duidelijk wordt verwoord. De tweede restrictie hangt samen met de opvatting dat de handoplegging een ‘eenmalige’ handeling is, die dan alleen bij de (eerste) bevestiging wordt gegeven en niet meer bij een volgende verbintenis. Als argument wordt dan gezegd, dat de dienaren des Woords aan heel de kerk toebehoren, ook al zijn zij aan de plaatselijke gemeente verbonden. Vervolgens komt de vraag ter sprake: wie legt de handen op? Alleen dienaren van het Woord? Of ook ouderlingen (met een beroep op 1 Tim. 4, 4)? Mag je zeggen dat de eertijds bisschoppelijke bevoegdheden sinds de Reformatie aan de dienaren van het Woord zijn toevertrouwd? De consulent wordt de aangewezen persoon geacht. Daarnaast kunnen ook andere collegae aan de handoplegging deelnemen (bijvoorbeeld in totaal 3). Aan de handoplegging gaat de epiklese vooraf, en tijdens de handoplegging wordt de bevestigingsformule uitgesproken.

Tenslotte

De handoplegging wordt in onze kerken verricht bij de bevestiging van kandidaten tot predikant. De bevestiger dient daarbij de hand(en) werkelijk op het hoofd van de kandidaat te leggen. De handoplegging door de bevestiger volstaat, meer deelnemers zijn niet nodig en evenmin wenselijk. Wil men betrokkenheid uit gemeente en kerkverband gestalte geven, dan kan men in een kring eromheen staan. Het valt intussen te overwegen, om de handoplegging niet te beperken tot hen die voor het eerst bevestigd worden. Bij bevestiging in een andere gemeente is het evenzeer zinvol. Daarnaast valt ook te overwegen om de bevestiging van ouderlingen en diakenen door handoplegging te laten plaatsvinden. De schriftuurlijke gegevens wijzen er immers duidelijk op, en wanneer het in de kerk gaat om de gaven van de Geest, is de handoplegging ook een gebaar dat daar uitdrukking aan geeft. Het zou te ver voeren om andere gebruiken rond de bevestiging in dit verband te bespreken, zoals het geknield liggen onder de bijbel. Het is een bijkomende rite, die afkomstig is van de bisschopswijding. Maar dat terzijde. De handoplegging is meer terzake en bijbels gefundeerd.

Ds. Ruiter (1946) is als predikant verbonden aan de gemeente van Franeker en heeft daarbij ook de pastorale zorg voor de gemeente van Harlingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.