+ Meer informatie

„Dokter, het kind komt eraan!"

In Bamevelds museum wordt de geschiedenis van kraam- en doopgebruiken aanschouwelijk gemaakt

11 minuten leestijd

„Kijk Marieke, in zó'n wieg heeft oma ook gelegen. En die doopjurk, zie je wel, die witte, heeft opa vroeger aan gehad. Daar is mama ook in gedoopt". In museum Nairac gaat de geschiedenis van kraam- en doopgebruiken voor velen weer leven. Oma's en opa's herkennen, herinneren, vertellen èn genieten. De kinderen en kleinkinderen niet minder. Het Veluws Museum in Barneveld houdt onder de titel "Beschuit met muisjes" een tentoonstelling over de gebruiken rond zwangerschap en geboorte, kraamtijd en doop vanaf de 17e eeuw. Mevrouw J. G. Herbert-Groeneveld, Veluwse in hart en nieren, weet mensen op een enthousiaste manier dingen te vertellen aan de hand van de tentoonstelling. „Maar ik luister ook goed", zegt ze. „Er komen hier zo veel mensen die verschrikkelijk veel weten! Daar steek ik weer wat van op. Pas was hier een oude vrouw die vroeger baakster geweest was. Zij vertelde dat de dokter, als er ergens een kindje geboren zou worden, bij de vrouw in de bedstee shep. Het was een grote, dikke man met een snor. Dan riep die baakster: „Dokter, er zijn weeën!" De dokter zuchtte en draaide zich om. Ze riep nog eens, maar hij bleef liggen. Maar als ze riep: „Dokter, het kind komt eraan!", dan vloog-ie zijn bed uit. Ja, die dokters waren vroeger dag en nacht in de weer, dus die hadden ook rust nodig".

Paters

Er komen in het —„vrouwvriendelijke"— museum niet alleen dames. Het zijn vaak hele gezinnen die er een bezoek brengen. „En onlangs waren er zeven oude paters, met van die grijze koppen. Nou, die wisten natuurlijk een heleboel dingen niet. Ik heb ze toen het een en ander verteld".

Als mevrouw Herbert een paar kinderen het museum binnen ziet komen, spreekt ze hen direct aan. „Oööh zeg, komen jullie eens even kijken hier. Het baby'tje huilt, horen jullie dat?" Uit de bedstee komt een klagelijk batterijengejank. Mevrouw Herbert pakt de babypop

Mevrouw Herben met een van de jonge bezoekers. „Kijk toch eens, is het geen schutje?" Foto RD voorzichtig tussen de lakens vandaan. „Wil jij het wel even vasthouden? Kijk nou toch, hij vindt het bij jou veel leuker dan in bed. Nu huilt hij niet meer". Het kind dat de pop in de armen geduwd kreeg, staat verbouwereerd te kijken. Maar mevrouw Herbert loopt al naar de krib, een klein wiegje dat naast de bedstee staat. „Straks moet het kindje hier in hoor. Kijk, er ligt al een kruik in. Voel eens, hoe lekker warm". Drie kinderkoppies buigen zich over de wieg, de knuistjes voelen voorzichtig aan de dekentjes. Ja, knikken ze, lekker warm. Maar dat is verbeelding. De kruik is koud.

Piskijkers

Op informatiepanelen staat informatie over zwangerschap en geboorte in het verleden. Het was vroeger niet zo eenvoudig om vast te stellen of een vrouw zwanger was. De piskijkers, die urine van een vrouw tegen het licht hielden, zaten er wel eens naast. Maar men had nog een methode. Als een vrouw braakneigingen kreeg van de schroeilucht die een veter in een vuurpotje verspreidde, dan was ze zwanger.

Tot de jaren zestig werd de kikkerproef gebruikt. Men verwijderde uit een kikker de hypofyse (hersenaanhangsel), die daardoor een grauwe kleur kreeg. Daarin werd urine van een vrouw gespoten. Als de hypofyse weer tijdelijk groen werd, was het duidelijk dat de vrouw een kind verwachtte.

Bakker bijten

Men hield er in het verleden nogal wat bijgelovige gedachten op na. Allerlei uitwendige factoren zouden invloed kunnen hebben op de gezondheid, het geslacht en het uiterlijk van het nog ongeboren kind. Men dacht vroeger dat je aan de zogenaamde zwangerschapslusten (de neiging bij zwangere vrouwen om bij voorbeeld te gaan stelen of een bepaald iets te eten) vooral moest toegeven. Dat zouden behoeften van het kind zijn. Als je daar niet aan voldeed, zou het niet goed gaan met je kind.

In de 16e eeuw ging het verhaal van een zwangere vrouw die de bakker op straat zag en de neiging kreeg in zijn arm te bijten. De bakker stond het toe. Korte tijd later gebeurde hetzelfde. 9 „ Willen jullie de baby wel even vasthouden ? Wat is hij lief hè f Foto RD Weer liet de bakker zich gewillig bijten. Maar toen de vrouw het een derde keer wilde doen, bedankte de bakker voor de eer. De vrouw kreeg drie kinderen: twee waren er kerngezond, het derde werd dood geboren.

Kraamschudden

In de ingerichte kraamkamer is te zien hoe de baby-uitzet samengesteld was. Ook de vuurmand ontbreekt niet. Daarop werden de luiers gedroogd. Als die te warm werden, werd de baby te heet gebakerd. Het zou dan een driftig kind worden. Voor „slechts een plasje" waste men de luier vroeger niet uit. Drogen was genoeg.

Als traktatie werd voor de kraamvisite kandeel of brandewijn geschonken. Buren en familie die op bezoek kwamen (het zogenaamde "kraamschudden"), brachten meestal een groot krentenbrood mee en voor de kraamvrouw melk, boter en eieren. Als de kraamvrouw hersteld was, kwamen de echte cadeautjes: doopbekers, geboortelepels en rammelaars bij voorbeeld. Veel van deze voorwerpen zijn in het museum te bewonderen. Heel leuk is de gedroogde granaatappel die als rammelaar diende.

Parachute

Mooi is ook de doopkleding met accessoires uit Barneveld en omgeving, witte en donkere. Als een echtpaar een kind verloor, kreeg het volgende kind dat geboren werd dezelfde naam. Het kind werd dan in een zwarte doopjurk gedoopt, om te tonen dat men nog verdriet had om het verlies van het andere kind.

De donkere doopjurk werd soms gemaakt uit kleding van de moeder. Er zaten dan "oprijgjes" in, zodat de jurk lang mee kon. Op de tentoonstelling hangt een foto van een meisje dat op haar zesde jaar nog haar doopjurk aan heeft, heel vaak uitgelegd en met tussenstukken vergroot. Zij (een mevrouw uit De Valk) vond dat toen verschrikkelijk.

Een van de witte doopjurken is gemaakt van parachutezijde. De parachute was van een voedselpakket dat gedropt was in september 1945. Eerst werd er een trouwjurk van gemaakt, later een doopjurk. De doopjurk is tussen 1946 en 1983 tien keer gebruikt.

Glimmen

Mevrouw Herbert weet zich van vroeger nog veel te herinneren. „Ik luisterde, en onthield alles. Ik weet nu bij voorbeeld nog dingen die mijn zusjes niet meer weten. Zo herinner ik me nog wat mijn vader zei bij de begrafenis van mijn moeder. Hij keek naar onze voeten en zei: „Jongens, jullie schoenen zijn goed gepoetst. Leg er maar een lap overheen, want ze glimmen zo". En toen ik twee jaar na het overlijden van mijn moeder een nieuwe fiets kreeg, zei mijn vader: „Neem er maar een met zwarte velgen. Want die andere glimmen zo". Kijk, dat is echt Veluws hè". Een bejaard echtpaar loopt aarzelend en wat om zich heen kijkend de Buitenhofstraat in. „Daar is 't", zegt mevrouw. Ze grijpt haar man bij de arm en met versnelde tred gaat het in de richting van een vrolijk uitziend pandje. De vlag hangt uit, de deur staat open. Na een snelle blik in de etalage duikt het echtpaar het museumpje binnen. Binnen worden ze ongetwijfeld met weinig woorden ontvangen door de rustige en trotse eigenaar Bert Renes. Door Jolanda ]obse Veel woorden zijn ook niet nodig, want een kenner of verzamelaar kan z'n ogen de kost geven. Het kleine pandje aan de Buitenhofstraat in de binnenstad van Kampen staat propvol met Oranje-spullen: borden, bekers, dienblaadjes, schilderijen, lepeltjes, boeken enzovoorts. Er zijn spullen uit het eind van de vorige eeuw tot en met de laatste bekers, die gebakken zijn ter ere van het huwelijksjubileum van koningin Beatrix en prins Claus. Snuisterijen zouden we het niet willen noemen, de prijzen van Renes' collectie-onderdelen variëren van honderden guldens tot enkele tientjes.

Ruilen

Renes stelt zijn hobby niet alleen ten toon, maar is ook bereid tot ruilen. „Verkopen mag ik niet, daar moet je allerlei papieren voor hebben, maar een ruilwinkeltje is legaal".

De nu 40-jange Renes begon zo'n zeventien jaar geleden met het verzamelen van Oranje-spullen. „Daarvoor verzamelde ik aardewerk van Petrus Regout, maar daar is nog zoveel van. Dat vond ik niet leuk meer, en ik heb alles weggedaan". Zijn Oranje-verzameling is „eigenlijk toevallig ontstaan. Op een rommelmarkt kocht ik een stel Oranje-borden, en van het een kwam het ander. Het wordt een sport om een serie bij elkaar te krijgen. Borden zijn , Renes' grootste passie. Waarom |

Wie het museum verlaat, mag van een grote schaal een beschuit met muisjes pakken. Vooral de kinderen laten zich dat goed smaken. Zij weten nu, als het goed is, waar het beschuit met muisjes eten vandaan komt.

Trotse Oranje-verzamelaar in Kampen laat anderen meegenieten van zijn hobby

„Als er een waardevol exemplaar sneuvelt, stijgen de andere spullen in waarde"
weet hij zelf eigenlijk niet. „Ik heb altijd iets gehad met borden. Kijk, bij een boek zie je eerst alleen de omslag, een bord zie je in één oogopslag helemaal, misschien zit 't hem daarin". In het begin hingen de borden bij Renes thuis aan de muur, in de keuken, de gang, het trapgat, totdat het te vol werd in huis. „Toen hebben we alles opgeslagen in een pakhuis, maar dat vond ik ook niet leuk. Daarom heb ik dit pand er maar voor gekocht", zegt Renes nuchter, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is een huis te kopen voor je verzameling.

Zonnescherm

Renes knapte het pand zelf op, brak de bedsteden eruit en bouwde de keuken om tot een vitrine. Hij kreeg van verschillende kanten hulp. Zo was er een bedrijf dat hem de oranje zonneschermen gaf. Waarom? „De vrouw van de bedrijfsleider spaart bekers", verklaart Renes. „Nog steeds krijg ik zo nu en dan dingen toegestopt. Toen ik laatst terugkwam van vakantie, vonden we een pak kroningskoffie van zo'n tien jaar geleden achter de vuilnisbak. Ik weet nog steeds niet van wie we die gekregen hebben".

Renes zelf heeft een fulltime baan bij de vestiging van Douwe Egberts in Kampen, en heeft dus lang niet altijd de tijd om in zijn museumpje te staan. Soms doet zijn vrouw dat, of de kinderen.

Spreuken

„Kampen staat bekend als een Oranje-gezinde stad, maar toch komen de meeste belangstellenden van buiten de stad. Gewoon om even te kijken, of om te zien of er wat te ruilen valt. Het privé-museumpje is inmiddels opgenomen in de VW-wandelroute en is gegarandeerd open tijdens het Monumentenweekend en tijdens de Kamper Ui(t)-dagen. Op al te veel publiciteit zit Renes overigens niet te wachten. „Wanneer het storm loopt, is alles zo weg", zegt hij gekscherend.

Alles wat bij Renes achter glas staat, wordt niet geruild. En dat is nogal wat. Tussen de 130 borden hangen mooie exemplaren, die elkaar lijken te overtroeven met de meest welluidende spreuken. "Trots tegenspoed en krijgsgeweld bleef Nederlands hoop op U gesteld", staat er op een met de hand geschilderd bord van kort na de Tweede Wereldoorlog. De geschatte waarde is 400 gulden. Daarnaast hangt een Delfts-blauw exemplaar met de tekst "Geen blijder maar in 't ganse jaar dan 't groot geluk van 't prinsenpaar". Een herinnering aan de geboorte van Beatrix op 31 januari 1938, met een waarde van rond de 800 gulden.

Bekers

Trots is Renes ook op een simpel lijkend dienblaadje met de afbeelding van koningin Emma, omdat er van haar eenvoudigweg heel weinig is. Ook de bekers die dit jaar werden geMuseum Nairac, Langstraat 13 in Barneveld, van dinsdag t/m vrijdag geopend van 10.00-12.30 uur en van 13.30-17.00 uur. Zaterdags van 12.00 tot 17.00. De tentoonstelling "Beschuit met muisjes" loopt t/m 31 augustus. maakt ter ere van'het huwelijksjubileum van koningin Beatrix en prins Claus konden wel eens een "collectors item" worden, omdat er ook daarvan maar weinig zijn gemaakt.

„Vroeger werd er toch meer gemaakt", zegt Renes. „Misschien omdat de band met het koningshuis in tijden van oorlog sterker is dan nu in vredestijd". Eigenlijk is Renes trots op zijn hele collectie, en terecht. „Laatst werd er publiciteit gemaakt voor een grote Oranjecollectie in het Overijssels Museum. Ik heb er zegge en schrijve tien borden geteld en een paar lepeltjes".

Een bezoekje aan Renes' kleurrijke privé-museum is voor de liefhebber zeker de moeite waard. Een echte Oranje-kenner is de Kampenaar overigens niet. „Ik heb al moeite met het onthouden van de verjaardagen van mijn eigen familie", zegt hij laconiek.

Wat gebeurt er als er eens een zeldzaam exemplaar uit zijn handen in scherven valt? „Dan stijgen de overgebleven exemplaren in waarde", luidt het nuchtere commentaar.

De openingstijden van Renes' privé-museum variëren. Wanneer het open is, hangt de vlag uit. Is dat niet het geval, dan verwijst een bordje naar Renes' woonhuis enkele meters verderop, waar altijd wel iemand is die even mee wil lopen. Jolanda Jobse is journalist bij Axipress in Lelystad.

Renes stelt zijn hobby niet alleen ten toon, maar is ook bereid tot ruilen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.