+ Meer informatie

DE WALDENZEN II

9 minuten leestijd

De vorige maal hebben we de geschiedenis van het ontstaan der Waldenzen beschreven, hoe zij verstrooid werden over Zuid-Europa enz. Ten laatste hebben we stilgestaan bij de contacten die er gelegd werden met de Reformatie en hoe de Waldenzen tot de Hervorming overgingen.

Strijd en Vervolging.

Daar de breuk tussen de Waldenzen en Rooms-Katholieken nu dus definitief was, brachten de volgende eeuwen menige vervolging. Vreselijk hebben de Waldenzen moeten lijden, doch heldhaftig was ook hun verzet. Ja, alhoewel ze jarenlang moesten strijden, toch wisten zij, mede door de overredingskracht van de hertogin, in 1561 de vrede van Cavour aan hertog Emanuël Philibert, bijgenaamd , , de ijzeren kop", af te dwingen. Hierbij werd bepaald, dat alleen in de hoogste valleien de Waldenzen godsdienstvrijheid zouden genieten. Hoewel deze bepalingen vrij belemmerend waren betekende dit grote vrijheid vergeleken bij die, die de Waldenzen hadden, welke woonden in gebieden die vielen onder de heerschappij van Filips II van Spanje. Evenals in ons land de Gereformeerden, roeide hij ook de Waldenzen onvoorwaardelijk uit.

Deze rust duurde echter nog geen honderd jaar. Hevige vervolgingen braken uit in het jaar 1655. Toen drong de markies van Pianezza met een groot leger de dalen binnen en richtte een bloedbad aan. dat bekend geworden is onder de naam van Piemontese Pasen. Vreselijk hebben de soldaten van Rome daar huisgehouden, ondanks cle heftige tegenstand der Waldenzen onder leiding van , , De leeuw van Rora" =( G. Gianavello). Ter illustratie zal ik enkele wandaden der Roomsen verhalen, welke ik ontleen aan het boek van E. Comba. Zo werd een zestigjarige vrouw gelast, op haar knieën liggend, Jezus Maria te zeggen. En toen ze niet meer wilde zeggen als Jezus, werd haar buik met een sikkel opengesneden en haar hoofd afgehouwen. Een andere vrouw werden de borsten afgesneden en voor haar ogen gebraden. Dit „baksel" werd later aan andere soldaten voorgezet, die er ook van aten. Toen hun eenmaal verteld werd wat zij aten, werden zij misselijk. En ook cleze vrouw stierf na vele martelingen. Dit alles deed Rome onder de kreet „De Kerk dorst niet naar bloed." Een predi-

kant wist te ontkomen, namelijk Jean Léger, die naar Parijs uitweek. Daar eenmaal aangekomen gaf hij zijn „Manifest aan Protestantse Naties" uit. Hierin verhaalde hij gruweldaden, waarvoor zelfs Lodewijk XIV zich schaamde. Vele landen hielden een nationale vastendag en landelijke collecten. Doch dat niet alleen, maar door dit manifest gingen verschillende landen pressie op de Hertog van Savoye uitoefenen, zodat 18 augustus 1655 het gratieverdrag van Pinerolo tot stand kwam. Hoewel dit verdrag zeer beperkte vrijheid voorschreef, genoten' de Waldenzen gedurende een periode van dertig jaar betrekkelijke rust.

Deze rust werd echter in het jaar 1685 wreed verstoord door cle herroeping van het Edict van Nantes. Hoewel deze uitspraak in principe alleen de Franse Protestanten gold, bieken de Waldenzen ook de nadelige gevolgen ervan te ondervinden. Lodewijk XIV oefende druk uit op de Savoyse hertog, zodat deze door bedrog in korte tijd ongeveer twaalfduizend Waldenzen binnen de kerkermuren sloot. Slechts 200 Waldenzen wisten te ontkomen en verscholen zich in de spelonken, waar zij van gras leefden. Zij begonnen een guerilla-oorlog, welke tot gevolg had, dat op 13 augustus 1687 de Waldenzen' weer in vrijheid werden gesteld. Slechts drieduizend van de twaalfduizend hadden de gevangenissen overleefd. Zij moesten naar Zwitserland uitwijken, en nadat zij in Genève gastvrij waren ontvangen, werden ze over de verschillende kantons verdeeld, met de bedoeling van de regering, dat de Waldenzen zouden opgaan in de protestantse kerken. Dit leek het einde der Waldenzenkerk, maar.

De Glorieuze Rentree.

Het verlangen, dat iedere landverhuizer kent in de eerste tijd na zijn emigratie, het verlangen naar de geboortegrond, bleek na de verstrooiing over de verschillende Zwitserse kantons bij de Waldenzen ook aanwezig te zijn. Dit verlangen bleek zelfs zo sterk, dat een van hun predikanten, Henri Arnaud, in het diepste geheim de zogenaamde Glorieuze Rentree (= Glorierijke terugtocht) organiseerde. Voor deze tocht die in wezen een reeks vol ontberingen en gevaren betekende, zou Napoleon honderd jaren later nog bewondering hebben.

In de nacht van 25 op 26 augustus in het jaar 1689 verenigden zich ongeveer 1000 Waldenzen op de noordelijke oever van het meer van Genève. Dit aantal verminderde al spoedig, daar de schippers er vandoor gingen, toen zij ongeveer 900 man hadden overgezet. Ondanks deze teleurstelling zette de stoet zich in beweging. Een mars van vele dagen volgde. Onbeschrijfelijke ontberingen hebben de Waldenzen moeten doorstaan. Langs paden, waar de afgrond hen aanblikte, over hoge bergtoppen, langs steile bergwanden wisten zij de valleien van Piemont te bereiken. Waren zij de tocht begonnen met 900 man, nu telden zij nog slechts zeshonderd man. Doch d aarom was hun blijdschap niet minder groot. In de eerste kerk, welke zij bij hun terugkeer in Piemont aantroffen, hielden zij een kerkdienst, waarin predikant en leider ds. Henri Arnaud een predikatie hield over Ps. 124 : 8: Onze hulp is in de Naam des Heeren." De zondag hierop volgend werd er in een nabijliggend bos de eed van trouw afgelegd, daar de strijd nu pas goed begon. Na deze aankomst in de valleien van Piemont volgde er immers een vreselijke guerilla-oorlog. Deze eindigde echter onverwacht gunstig toen Hertog Victor Amadeus van Savoye een bondgenootschap met Engeland, Nederland en Duitsland aanging, dat als tegenhanger moest fungeren tegen het absolutisme van Lodewijk XIV. Bij dit verdrag werd vooral op aandringen van Holland en met name door het toedoen van de Prins van Oranje, bij wie de Walden'zensoldaten in bescherming stonden, bepaald, dat de Waldenzen naar Piemont mochten terugkeren. Op een later tijdstip werd bepaald, dat deze bepaling niet voor de Franse Waldenzen zou gelden. Zo moesten, ondanks het protest van de verschillende bondgenoten, de Franse Waldenzen een ander vestigingsgebied zoeken. Tot deze Franse Waldenzen behoorde ook Ds. Henri Arnaud, de leider van de Glorieuze Rentree. Hij moest naar Duitsland uitwijken, en vestigde zich in Baden Wurtemberg. Zijn huis aldaar is nu het Waldenzenmuseum.

Ondanks het feit, dat de Franse Waldenzen niet mochten terugkeren, woonden er na enkele jaren weer 6000 Waldenzen in de valleien. (Tegen 30.000 in 1686).

Na 1690 komen er geen kruistochten tegen de Waldenzen meer voor, alhoewel er zeer veel kwellende maatregelen zijn, die hen blijven hinderen. Zo was er een verbod, dat de begrafenisstoeten niet groter mochten zijn, dan zes personen, terwijl een bepaald wetsartikel verbood, dat cle Waldenzen nieuwe kerken mochten bouwen.

De Franse tijd bracht ook voor de Waldenzen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Deze vrijheid was echter van korte duur, want de Restauratie bracht allerlei vroegere kwellingen weer terug. In deze tijd onderging de theologie van de Waldenzen de invloed van de Aufklärung. De theologische studenten, die in Bazel, Lausanne of Genève studeerden, brachten de rationalistische theologie mee, in plaats van het Evangelie. Gelukkig kwam de Waldenzenkerk na 1815 onder invloed van het Reveil, dat even'als in ons lancl ook in Genève plaats greep.

De ontwikkelingen na 1848

Het jaar 1848 bracht voor vele staten grote veranderingen teweeg. Immers, in dat jaar kregen vele landen een nieuwe grondwet, waarin meestal de vrijheid van godsdienst werd gewaarborgd. 25 februari kwam het edict, dat bepaalde dat er in Italië vrijheid van godsdienst zou zijn. Voortaan was 17 februari voor de Waldenzen de dag voor het feest van de Emancipatie, door het edict op deze datum was getekend en bekrachtigd.

Het oude vuur was echter niet gedoofd. Was eeuwenlang Handelingen 5 : 29 hun tekst geweest, nu werd hun „Motto": Wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig!'' (1 Cor. 9 : 16). Zodra zich een gelegenheid voordeed begon de Synode te Torre Pellice evangelisten door Italië te zenden, opdat velen de Bijbelse Boodschap zouden horen. Deze Evangeliepredikers kregen hun opleiding aan cle Waldenzenhogeschool te Torre Pellice. Deze plaats werd meer en meer het centrum der Waldenzen. De hogeschool verhuisde echter in 1920 naar Rome, waar het meer en meer het centrum werd voor de dialoog tussen Rome en de Waldenzen. Want ook binnen de Waldenzenkerk is er een roep tot samenwerking met Rome te constateren, dit ten spijt van de overige, die in de Rooms Katholieke Kerk de Antichrist zien.

Na Wereldoorlog II emigreerden er vele Waldenzen naar Amerika wegens overbevolking der valleien. Deze emigranten gingen op in de aldaar gevestigde Evangelische of Protestantse kerken. Zij die naar Zuid-Afrika emigreerden vermengden zich met de daar gevestigde Hollandse boeren. Daarentegen de Waldenzen, die zich in Uruquay en Argentinië vestigden, vormden een eigen gemeenschap, welke verbonden bleef aan de Moederkerk.

Tot 1929 hadden de Waldenzen het in geen enkel opzicht moeilijk. Dit kwam vooral, doordat de Rooms Katholieke Kerk op gespannen voet leefde met de Italiaanse regering. Deze situatie werd echter drastisch gewijzigd, toen Mussolini in het jaar 1929 het Concordaat met de paus sloot. Hierbij werd ondermeer bepaald dat in Italië de Rooms Katholieke godsdienst cle staatsgodsdienst zou zijn.

Toen na de oorlog de fascistische regering afstand moest doen, keerde de verwachte vrijheid niet terug. In de grondwet werd wel gesproken van de vrijheid van godsdienst in positieve zin, doch in cle organieke wetten werden de bepalingen van het Concordaat van 1929 ongewijzigd opgenomen. Deze toestand duurde tot 1957. In dat jaar deed het Constitutionele hof van Italië de uitspraak, dat de bepalingen in cle grondwet zowel voor de Rooms Katholieken als voor cle Waldenzen geldig waren. Hiermee was een geschiedenis van 8 eeuwen afgesloten. Dit was een periode van vrijwel onafgebroken strijd geweest. De strijd om het geloof heeft de Waldenzenkerk moeten voeren in zijn hevigste vormen. Bij dit einde moeten we niet vergeten, dat het de Heere is geweest, Die hen door deze strijd heen geholpen heeft. Zo duidelijk was het in deze periode geworden, dat God de Zijnen niet vergeet. Daarom gold bij de overwinning ook voor de Waldenzen: „Soli Deo Gloria".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.