+ Meer informatie

Briefswiselig met mijn jonge orienden

5 minuten leestijd

(6)

Waarde Jonge vriendin,

Het deed me genoegen een briefje van je Ie ontvangen. Ja, als roe regelmatig verkeeren onder Gods Woord, dan heeft dit invloed op ons leven. En het is niet te verwonderen, dat tve dan eens gaan beproeven wat het uitwerkt. En als we dan de rekening op konden maken, dat het goede vruchten waren, dan zouden we daarin verblijd zijn en .... daarop gerust doorgaan. Het is zooals je zegt: de kennis van God is, besef om te dragen van Zijn deugden. En toch hoezeer zijn we geneigd te staan naar een kennis van .... ja, hoe zal ik het zeggen: van hel geen in ons hart door het Woord uitgewerkt word!. En clan gaan we aan het redeneeren. En dat redeneeren brengt ons niet verder. Soms brengt het ons op dood spoor: en we eindigen met een zucht: „mocht het nog eens." We leggen de handen in den schoot en het blijft bij het oude. Of, het maakt ons moedeloos en verward, maar vrucht draagt het niet. Soms hopen roe door deze redeneeringen en opgeworpen twijfelingen werkzaam en bekommerd te blijven en — stilaan werkt dit bij ons een hope, dat we toch aanvankelijk op den goeden weg zijn.

Is het niet zoo?

Laten we plotseling maar eens bemerken, dat onze bekommering afneemt, wegzakt. Dat onze ernst vermindert. Dan schrikken we; dan worden we daar .... bekommerd over.

Hoe gaarne willen we den weg Gods naspeuren, die Hij houdt met Zijn oolk. En met onze (naar die bevatting gerichte) gebeden willen wij den Heere den weg wijzen, die Hij met ons moet gaan. Onze wijsheid is nog niet vergaan.

En hoe is onze omgang met de menschen? De een, die meer vrijmoedigheid heeft dan de ander, spreekt van zijn vreezen en bekommeringen. ontvangt weerklank bij de menschen; hij bemerkt dat men het goede van hem denkt en./. . zoo denkI hij ook het goede van zichzelf.

Een ander, die van karakter onvrijmoedig is, verbergt het voor de menschen en kan het niet voor waar werk houden, wat in hem omgaat.

Maar toch, mijn vriendin, dal alles zal geen bestendige vrede voor het hart geven. Door 's Heeren Geest verlicht, moeten wij bij aanvang en bij zborlgang kennis bekomen van clen Heere, zooals Hij zich in Zijn Woord openbaart.

Iri het licht van die kennis zullen wij kennis bekomen van onszelf. Zou het ons niet doen vreezen vanwege die geduchte Majesteit? Als onze zond gesteld worden in het licht van Gods aanschijn, zou dan onze eigen gerechtigheid niet worden als een wegwerpelijk kleed?

Maar ook, als ons voorgesteld wordt, dat God de wereld in Christus met zichzelf verzoenende is, wat openbaart zich dan in ons hart vaak een afkeer van zoo enkel uit vrij ontfermen gezaligd te worden.

Doch ook hier zal liet het overtuigend werk des Geest es zijn om ons in te winnen voor de gerechtigheid van Christus.

Menigmaal wordt de voorstelling aangetroffen, dat Gods Geest ons moet overtuigen van zonde, ons terneer moet slaan en dat zulks zoo lang moet duren en zoo diep moet gaan, tot we als uit ons zelf uitgedreven en geen anderen weg meer ziende, uit eigen inzicht en door eigen krachten de toevlucht nemen tot den Middelaar. Dat daarom aan die ziel niet anders dan de wet en haar vloeken dienen voorgehouden te worden en dat het daarbij van geen nut is te spreken van de gerechtigheid van Christus. Daaraan mag die ziel niet denken, dat is nog voor haar niet.

Nu is het terecht volgens Gods Woord, dat de Geest overtuigt van zonden. Maar dit is niet een overtuiging louter en alleen van zonden tegen de geboden der wet, los gedacht van de bediening des Evangelies. Onze gansclie ellendestaat bestaat niet daarin, dal we overtreders van de wet zijn, door nalatigheid en bedrijf, zooverre als Gods wet in ons hart is ingedrukt en daarvan spreekt. Maar omdat wij leven onder het licht van Gods Woord, dat niet alleen deze wet inscherpt, doch ook ons openbaart de verlossing door Christus' bloed, zoo staan wij ook schuldig (en dit maakt niet minder onze ellendigheid uit) dat wij dat bloed des Ver bond s onrein achten. Ook dit maakt ons op het hoogst schuldig voor God.

Daarom, hoezeer behoeven wij de bearbeiding des Geestes, niet alleen om ons daaraan te ontdekken, maar ook ingewonnen te worden voor — (dat is overtuigd te worden van) — die gerechtigheid, die redt van den dood.

Daar vinclt de ziel rust, waar ze niet alleen zich aan de gerechtigheid der wet onderwerpt, maar ook aan de gerechtigheid van Christus. Het is een heilgeheim; maar 's Heeren Geest leidt in dien weg, doet het ons verstaan en beoefenen. wat ons liefelijk wordt voorgehouden: Laat U zaligen. — De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen.

Dat stelt onze ziele in de rust. Moge het aan mijn vriendin, moge het ons allen gegeven worden, daar iets van te beoefenen.

Ik verblijf met hartelijke groeten,

Je vriend BARUCH.

Brieven aan „Baruch" als volgt adrfsseeren: Aan „Baruch" p.a. Heereweg 294 LISSE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.