+ Meer informatie

IS DE TOEËIGENING DES HEILS NOG BESPREEKBAAR?

19 minuten leestijd

Inleiding

Wil je iets lezen over de toeëigening van het heil, dan is het niet moeilijk om aan stof te komen. Want dit onderwerp heeft in de laatste jaren vele pennen in beweging gebracht. Vooral rond de laatstgehouden synode werd dit thema weer volop actueel i.v.m. de contacten met de Nederlands Gereformeerden en de samensprekingen met de Vrijgemaakten.

In dit artikel wil ik pogen een antwoord te geven op de vraag: ‘Is de toeëigening des heils nog bespreekbaar?’ Heeft het nog zin om een onderwerp dat zo diepgravend aan de orde is geweest, zowel op deputatenniveau als op het grondvlak van de plaatselijke kerken, nog verder uit te spitten?

Het is niet eenvoudig daar een eerlijk en objectief antwoord op te geven. Wie kan dit hele veld van samensprekingen over dit thema overzien? Toen ik ermee aan de slag ging, kwam ik zoveel dingen tegen dat ik even dacht: ‘Hoe krijg ik dat op een rijtje en is het wel mogelijk alles op een rij te krijgen?’

Ik ging terdege beseffen dat de redactie mij een moeilijk thema in de maag heeft gesplitst. Want als ‘leek’ op dit terrein loop je gauw gevaar het hele veld maar ten dele te overzien. En conclusies zijn dan ook gebaseerd op dat ‘stukje’, dat je zelf in kaart hebt gekregen. Daarin speelt een persoonlijke mening ook een rol. U zult het mij niet kwalijk nemen dat dit artikel een persoonlijke kleur draagt en allesbehalve de pretentie wil voeren van een uitgebalanceerd verhaal, dat zorgvuldig zin voor zin afgewogen een hoge mate van objectiviteit in zich draagt.

Goed, nu naar de vraag boven dit artikel!

Een doodgepraat onderwerp?

Nu de toeëigening des heils zo vaak aan de orde is geweest, heeft het zin om als kerken daarover nog door te praten? Zullen er nog nieuwe gezichtspunten naar voren komen? Of keren steeds weer dingen (tot vervelends toe) terug, die al lang gezegd zijn? Men proeft aan vrijgemaakte en Nederlands-gereformeerde zijde soms iets van ongeduld en teleurstelling in de zin van: Is het dan nog niet duidelijk, hoe wij de toeëigening des heils zien? We willen daarin toch Schrift en belijdenis volgen? Is dat dan niet voldoende? Is er dan nog een soort criterium boven Schrift en belijdenis uit, waaraan we elkaar willen toetsen? Een speciale christelijke gereformeerde opvatting over de toeëigening des heils? Je voelt, dat het geduld aan de andere kant wat opraakt en plaats maakt voor een zekere teleurstelling.

Zo schreef dr. A.N. Hendriks in de bijlage van het N.D. (25 september 1992):

‘Ja, er is teleurstelling. Wij spreken nu al zo’n 45 jaar met de christelijk gereformeerden. Het verloopt uiterst moeizaam. Ik denk wel, dat er gaande de ontmoeting, meer duidelijkheid is gekomen in wat we beiden bedoelen’.

Aan vrijgemaakte zijde voelt men zich vaak verkeerd beoordeeld op het punt van de toeëigening des heils. En ook daar is teleurstelling over. Dr. A.N. Hendriks schrijft in bovengenoemde bijlage:

‘Wij preken wel degelijk de noodzaak van bekering en wedergeboorte. Houd nu eens op caricaturen van ons te schetsen’.

In de Reformatie (26 september 1992) schrijft hij:

‘Er zou veel mee gewonnen zijn, wanneer men in Christelijke Gereformeerde kring nu eindelijk eens aanvaardt, wat tijdens de jarenlange deputatengesprekken van onze kant over de prediking is gezegd’.

Je beluistert hier de hartekreet: Neem ons op ons woord. Als wij zeggen, dat we de noodzaak leren van geloof en wedergeboorte en dat we het verbondsautomatisme afwijzen, dan is dat ook zo!

Teleurstelling op dit punt is er ook aan onze zijde. In een interview in het blad Kerk (helaas kon ik de datum niet achterhalen) stelt J. Westerink:

‘Ik heb het verdrietige gevoel, dat je al jaren met elkaar spreekt over dingen in een taal, die de ander niet begrijpt’.

En ook bespeur ik teleurstelling in ‘Het Laatste appel’ gericht aan de synode door ds. J.C. Schaeffer (22 oktober 1992):

‘We hebben de grootste moeite om nog weer eens te moeten praten over zaken, die al zo vaak aan de orde waren. Op de landelijke Vergadering in Ede heeft de Kommissie (voor het contact met andere kerken) uitgesproken, dat er een eind moet komen aan het gesprek over de toeëigening des heils. Ook uw deputaten hebben bij monde van de brs. den Butter en Van Malkenhorst verklaard, dat de fase van het gesprek over deze zaken inderdaad ook wat het deputaatschap betreft afgerond moet worden. Het gaat er nu om de verschillen te wegen in het licht van de confessie.

We zijn verbaasd en teleurgesteld, dat deputaten toch weer op verder gesprek aandringen.

Onze weigerachtigheid is geen koppige onwil. Een verder gesprek zal niet meer duidelijkheid kunnen bieden. We menen na zovele jaren werkelijk ons laatste woord gesproken te hebben.

Broeders, neemt ons op ons woord en houdt ons aan ons woord. Een gesprek op landelijk niveau is nauwelijks zinvol te noemen. Schrijven ook uw eigen deputaten niet ergens in hun rapport …ook deputaten zagen weinig perspectieven in het nog weer eens doorspreken van de verschillen. De standpunten waren al vaak onder woorden gebracht en we konden niet dichter bij elkaar komen. Dan ontstaat het gevoel: Wat moeten wij nog meer zeggen?’

In de landelijke contacten hoor je iets van een diepe zucht: Hoe nu verder? Waarom nemen we elkaar niet op eikaars woord? Waarom blijven beschuldigingen als verbondsautomatisme en heilsobjectivisme klinken? Men wordt er wat moe van!

Komen we wel verder op deze weg? Of blijven we aan weerskanten van de streep staan en scheiden onze wegen zich, omdat we blijvend verschillend denken over deze materie?

Toch doorspreken!

De laatstgehouden synode heeft erop aangedrongen om het gesprek over de toeëigening des heils voort te zetten om zo tot overeenstemming te komen. De synode spreekt uit, dat de verschillen met betrekking tot de toeëigening des heils dienen te worden besproken …opdat op deze wijze de verschillen zullen worden weggenomen.

De synode wil verder gesprek. Maar in het licht van het bovenstaande (uitlatingen van dr. A.N. Hendriks en di. J. Westerink en J.C. Schaeffer) zal het de vraag zijn of de verschillen wel weggenomen zullen worden. Die verschillen hebben immers te maken met een verschillende kerkelijke cultuur, een verschillende geschiedenis waarbij wij als christelijk-gereformeerden meer de bloedgroep van de Nadere Reformatie in ons hebben opgenomen. Verschillen zullen er m.i. blijven. De grote vraag is nu: Hoe taxeren we die verschillen in het licht van Schrift en confessie? Als we zeggen, dat de vrijgemaakte visie over de toeëigening des heils binnen het raam van de confessie ligt, dan zou ik zeggen: Aanvaard elkaar in deze verschillen. En verrijk elkaar met deze verschillen. En al sprekend met elkaar zul je elkaar ook corrigeren en verdiepen.

Accentsverschillen

Ik kan mij goed vinden in de typering ‘accentsverschillen’ als het gaat om het punt van de toeëigening des heils. Als dat waar is, hoeven verschillen geen blokkade op te werpen. En is er de mogelijkheid van een zinvol verder gesprek.

Aan vrijgemaakte zijde wordt bijna algemeen gesteld, dat we in accenten verschillen. Men kan zich dan ook heel goed vinden in het bezinningsstuk van onze deputaten over de toeëigening des heils.

Ik bespeur alleen een lichte mate van kritiek waar men graag iets meer accent geplaatst zag op de positie van de gelovige als subject van de toeëigening des heils. Prof. J. Kamphuis schrijft in de Reformatie (27 maart 1993):

‘…dat de belijdenis over de toeëigening spreekt als het werk van de gelovigen - in hen gewerkt door Gods Geest’.

Hij vindt dat het bezinningsstuk het rustige spreken van de belijdenis over het zich gelovig toeëigenen niet goed aandurft.

‘Hoe teer is hier de taal van Art. 22 NGB en Z. 23. We mogen in het geloof de hand leggen op Gods belofte en de inhoud daarvan ‘mijnen’.

Prof. Van ’t Spijker denkt ook in de richting van accentsverschillen. Hij schreef in het N.D.:

‘Ik vind dat je op goede gronden kunt verdedigen, dat een kwestie als deze behoort bij de pluriformiteit, die er mag zijn binnen de ene gereformeerde kerk’.

Dr. A.N. Hendriks schrijft in de Reformatie over de toeëigening des heils (19 september 1992):

‘Het gaat om accentverschillen. Er is een grote mate van overeenstemming over de prediking. Over en weer kunnen we van elkaar leren inzake de prediking. De verschillen die er zijn, vallen binnen het kader van de confessie …..’.

Prof. J. Kamphuis schrijft op 3 april 1993 in de Reformatie:

‘We moeten ons niet op het eigen accent fixeren. Dat we zouden gaan denken, dat we elkaar niet nodig hebben voor het leren verstaan van het werk Gods voor ons, aan ons en in ons. We hebben elkaar nodig. Alleen ‘met al de heiligen’ gaan we iets verstaan van Gods alomvattend heilswerk, waarbinnen Hij plaats geeft aan het gelovig werkzaam zijn met zijn heilsbeloften… God heeft ons aan elkaar toegewezen om de boodschap van het heil in haar katholieke rijkdom te verstaan en te doen horen.

We willen er alleen maar mee wijzen op de gevaren van de vereenzijdiging, als wij in onze parmantigheid denken elkaar niet nodig te hebben, terwijl de Schrift ons het ‘met al de heiligen…..’ leert’.

Als het om accentverschillen gaat, zoals bovengenoemde broeders stellen, kunnen we met elkaar doorsprekend elkaar wezenlijk aanvullen en zonodig corrigeren.

In de samensprekingen op plaatselijk niveau merk je al iets van die aanvulling van elkaar en correctie.

Zo schrijft ds. J.H. Ulehake in het Gereformeerd Kerkblad voor Overijssel. Gelderland, Utrecht en Noord-Holland o.a.:

‘De prediking in de Gereformeerde Kerken wordt gekenmerkt door de grote daden en de vaste beloften van God. Dat is goed. Maar daarmee zijn we er niet… Christus wil onze persoonlijke Heiland zijn. Hoe worden we ons daarvan bewust? Door het werk van de Geest. Als het gaat om de persoonlijke band met de Here klappen veel kerkmensen dicht. Daarin hebben we nog veel in te halen… Ons leven is misschien wel zeer uitwendig. Wij hebben overal onze organisaties voor. Daarin ligt onze kracht. Maar het kan ook een bedreiging zijn. Dat we menen, dat al onze organisatietalenten ons er brengen… Deze noties (bekering en wedergeboorte) zijn mij door de gesprekken met de Christelijke Gereformeerde broeders en door de lectuur hierover, persoonlijk scherper voor de aandacht komen te staan. Ik merk, dat deze dingen en in mijn preken en in mijn pastorale arbeid meer nadruk en invulling krijgen dan voorheen. Wat is er veel sleurgang. Weinig zondekennis. Weinig droefheid over de zonden. En daarom ook weinig echte blijdschap over Gods vergeving en genade’.

Hier zie je hoe spreken over de toeëigening des heils verrijkend, inspirerend kan werken naar beide kanten. We leren van elkaar. We leren ook om vooroordelen over elkaar op te geven juist op het punt van de toeëigening des heils.

Dat wil niet zeggen, dat die verrijking van elkaar grootse vormen aanneemt. We moeten wel nuchter blijven. Waar er alleen ontmoetingen zijn op kerkeraadsniveau kan het ook wat theoretisch blijven en nauwelijks praktische doorwerking hebben. Wezenlijke beïnvloeding van elkaar is nog niet zo aan de orde. Daarvoor tasten we elkaar nog te veel af. En soms komt de vraag op of een eventuele verrijking van elkaar met eikaars gedachtengoed wel opweegt tegen de spanning, waaronder eigen kerkverband kan komen te staan door de samensprekingen.

Voorzichtigheid en ootmoed naar elkaar toe is geboden!

Zijn de verschillen weg te nemen?

Als de synode uitspreekt, dat verschillen moeten worden weggenomen, dan is dat m.i. een onmogelijke zaak. Want hoe doe je dat? Is het water, ook al spreken we over accentverschillen die er mogen zijn binnen het raam van Schrift en confessie, dan toch niet te diep? We kunnen natuurlijk een brug bouwen.

En afspreken, dat we midden op die brug samenkomen. Maar is er hier een brug te bouwen, waarbij je op het midden (van beide kanten iets inleverend) bij elkaar komt? Staan de visies aan beide kanten niet reeds vast? Moeten de Nederlands-gereformeerden en vrijgemaakten onze kant opschuiven in de visie op de toeëigening des heils of wij hun kant? Dat zou niet reëel zijn. Zelfs een onvruchtbare situatie. We zouden iets gaan forceren. Mijns inziens staan aan beide kanten de standpunten vast. De Nederlands-gereformeerden en vrijgemaakten weten, wat wij met de toeëigening des heils bedoelen en wij weten het ook van hen. Er zijn zoveel publikaties aan beide zijden verschenen, dat we onderhand toch wel eikaars visie op de toeëigening des heils kennen. En dan kun je er niet omheen, dat er verschillen in benadering zijn. Die verschillen neem je niet weg. Je moet boven die verschillen uit het gemeenschappelijke zoeken en elkaar in Christus aanvaarden. Ik ben pessimistisch gestemd over het wegnemen van verschillen. Temeer daar die verschillen in de ‘rechterflank’ van onze kerken als heel ernstig worden ervaren. Dan blijven we oeverloos praten en lopen we gevaar op den duur meer verwijdering te krijgen. In een huwelijk zijn man en vrouw ook niet identiek.

Er zijn verschillen om elkaar aan te vullen. Willen we elkaar in die verschillen aanvaarden en aanvullen?

En zien we daar mogelijkheden toe?

De confessie in geding?

Of gaan we zeggen, dat die verschillen in visie op de toeëigening des heils dermate ernstig zijn, dat de visie van de vrijgemaakten de confessie ernstig te kort doet?

Dat zou een vergaande uitspraak zijn. Terecht is onze synode niet tot zo’n uitspraak gekomen en heeft ze deputaten opgedragen opnieuw na te gaan, hoe ernstig de verschillen ten aanzien van de toeëigening des heils zijn. Want mochten we concluderen, dat de vrijgemaakte visie op de toeëigening des heils buiten het kader van de confessie staat, dan is het gesprek afgelopen. Of het gesprek moet verder gaan om de ander tot de confessie te ‘bekeren’ op dit punt.

De vrijgemaakten stellen telkens opnieuw, dat zij op dit punt trouw aan de confessie zijn. Moeten we dat in twijfel trekken? Is dat niet pijnlijk voor broeders en zusters die evenzeer als wij de confessie hartelijk liefhebben? Uiteraard blijft het de vraag, hoe zij de confessie op dit punt (b.v. wat de Dordtse Leerregels over de doodstaat van de mens en de wedergeboorte zeggen) verwerken in de prediking en de pastorale praktijk. Hoe een confessionele kijk op de toeëigening des heils gestalte krijgt in de praktijk. Maar dat geldt voor ons evenzeer. Doen wijzelf de confessie (met in de D.L. het accent op de doodstaat van de mens en de prachtige omschrijvingen van de wedergeboorte) ook niet dikwijls te kort? We staan er wel achter. Maar functioneert hier nog de volle rijkdom van Schrift en belijdenis? Ook als dienaar van het Woord vraag je je dat telkens weer af: Hoe ga ik zelf om met de toeëigening des heils?

Want waar het toepassend werk van de Geest gemist wordt in de prediking, dreigen mensen voor eeuwig verloren te gaan. Wij zullen ons zelf moeten onderzoeken of we de confessie op het punt van de toeëigening des heils recht doen. Want hoe willen we anderen dan de spiegel voorhouden?

Juist hier wordt ons door de vrijgemaakte broeders pijnlijk de spiegel voorgehouden.

Dr. A.N. Hendriks schrijft (Variant, 25 september 1992):

‘In uw boek: ‘Wie zijn wij?’ (hij spreekt hier ds. J.H. Velema aan), maakt u een deel van uw eigen kerken dezelfde verwijten met betrekking tot de toeëigening des heils als ons: ‘dat Gods heil moet worden toegeëigend, komt er niet aan de orde, want de hele gemeente deelt in het heil. Dan zeg ik: Broeders, doe eerst de balk uit uw eigen oog weg,. voordat u de splinter uit ons oog haalt’.

Ds. J.H. Velema geeft dan toe:

‘Inhoudelijk zie ik binnen onze kerken hetzelfde als bij de Vrijgemaakten. Maar het zit er bij de Vrijgemaakten wat meer ingebakken’.

Is de toeëigening des heils bij ons nog bespreekbaar?

Het blijkt nu, dat we ook in eigen kring verdeeld zijn op het punt van de toeëigening des heils. In zijn boek ‘Wie zijn wij’ tekent ds. J.H. Velema op pag. 186 de uitersten:

‘In de ene gemeente… hier zit een gelovige gemeente, die in het geheel op weg is naar de zaligheid. De oproep tot bekering ontbreekt. Dat Gods heil moet worden toegeëigend komt niet aan de orde, want de hele gemeente deelt in het heil. Waarom zouden wij haar met deze moeilijke termen vermoeien?

In de andere gemeente vinden wij min of meer het tegendeel. Somber en ernstig is de dienst. De weg van het geloof wordt in de preek beschreven en allerlei standen van het geestelijk leven belicht. De oproep tot bekering klinkt duidelijk door. Maar toch lijkt het, dat de prediker door allerlei voorwaarden, die hij opnoemt, met de ene hand terugneemt wat hij met de andere hand wilde geven’.

Jammer genoeg stuiten we hier op grote verschillen in eigen kerkverband.

Bij ons worden zaken zo heel verschillend beleefd. Is het feit van gesloten kansels niet een gevolg van een verschillende benadering van de toeëigening des heils?

Is het niet pijnlijk dat er kanselruil met andere kerken is, terwijl eigen kansels gesloten zijn? Ik weet, dat ik hier een teer punt aanraak. Maar het heeft direct te maken met de zaak van de toeëigening des heils.

Omdat men van oordeel is, dat predikanten te weinig onderscheidenlijk preken, te weinig het werk van de Geest in de mens schetsen, is men niet welkom op bepaalde kansels. We staan daarom ook zwak in het gesprek naar buiten over de toeëigening des heils, als we er in eigen kring niet meer over kunnen praten. Als wij bij de verschillende visies op de toeëigening des heils in eigen kerk niet meer kunnen spreken over accentverschillen, maar die visies een blokkade vormen waardoor er gesloten kansels komen. De vrijgemaakten ontdekken ons aan dit pijnlijke punt. Houden ons de spiegel voor als het gaat om deze verdeeldheid. Mijns inziens moeten we ook in eigen kring weer leren om vruchtbaar over deze zaak te spreken.

Als we van elkaar vinden, dat het werk van de Geest onderbelicht wordt, laten we er dan met elkaar weer broederlijk en vruchtbaar over spreken. En ons niet op dit punt heilloos tegen elkaar afzetten. Als we in eigen boezem niet zinvol verder kunnen praten over de toeëigening des heils en de verschillen die we daarin hebben, dan zal het gesprek naar buiten toe op zeker ogenblik verzanden.

Als we het in eigen kerken niet eens kunnen worden en op het punt van de toeëigening des heils gescheiden wegen gaan (en zo een modaliteitskerk zijn en nog meer worden), dan is dat het zwakke punt waardoor we naar buiten toe op zeker moment niet verder kunnen.

We lopen het gevaar straks in de samensprekingen steeds in herhaling te vallen op dit punt. Weer die toeëigening des heils!!!

Ik stem daarin ds. J.H. Velema toe in een uitspraak in Koers (21 augustus 1992). Hij pleit ervoor intern orde op zaken te stellen:

‘Ik zou graag willen, dat de verschillen, die er bij ons zijn in prediking, gemeente-zijn etc. veel meer bespreekbaar zouden worden dan nu het geval is. De tegenstellingen blijven nu te veel onder de oppervlakte. Op classisvergaderingen zouden deze dingen op geestelijke wijze met elkaar besproken moeten worden. Dat bedoel ik met orde op zaken stellen. Als dat niet gebeurt, ben ik bang, dat we nog eens uit elkaar vallen…’.

Slotconclusie

Laten we allereerst in eigen kring (classisvergaderingen, predikantenconferenties) dit uiterst belangrijke thema oppakken en elkaar daarin zoeken en verrijken binnen het eigen kerkverband. Daar is veel ootmoed voor nodig en gebed. Maar waar we die weg gaan, kunnen we ook evenwichtiger naar buiten treden en elkaar als kerken corrigeren en verrijken. Mijns inziens gaat het terzake van de toeëigening des heils om accentsverschillen, die vallen binnen het raam van de confessie. Als dat zo is, kunnen we zeer vruchtbaar verder spreken op basis van de nota, opgesteld door deputaten.

Wel moet gezegd worden, dat accenten ook zo eenzijdig geplaatst kunnen zijn, dat de confessie op een bepaald punt te kort gedaan wordt. Laten we elkaar dan corrigeren. En vooral ook zelf voor de spiegel gaan staan. Doen wij, die anderen wellicht verwijten dat ze wezenlijke elementen van de belijdenis onderbelichten, zelf die belijdenis wel recht op die punten? Doen wij wel recht aan de volle rijkdom die Schrift en confessie bieden op het punt van de toeëigening des heils? Dan zou de nota van deputaten niet alleen anderen moeten worden voorgelegd zo van: zo denken wij nu over de toeëigening des heils, maar dan kan het ook een praatstuk worden op de eigen kerkeraadsta-fel om onszelf in alle ootmoed te toetsen in het licht van Schrift en confessie.

We hoeven in het gesprek met de vrijgemaakte broeders de verschillen niet op te heffen en weg te nemen. Een stukje pluriformiteit mag er zijn. Wel zullen we in gesprek moeten blijven om eenzijdigheden aan beide kanten te voorkomen. Namelijk de eenzijdigheid van heilsobjectivisme en een verregaand subjectivisme.

Het gesprek over de toeëigening des heils kan verder gaan, maar dan aan de basis in de plaatselijke gemeenten, waar men eikaars prediking en pastorale praktijk kan toetsen aan Schrift en belijdenis.

En als we elkaar toetsen, moeten we elkaar niet pakken op een bepaalde terminologie. Omdat met een andere terminologie dan men in ‘bevindelijke kringen’ gewend is, men toch wezenlijk dezelfde zaken kan aanroeren. We zitten soms te veel op bepaalde termen te wachten.

Hierin wil ik graag dr. J. Hoek bijvallen, die in Koers (2 oktober 1992) schrijft:

‘We moeten echter op basis van gemeenschappelijk geformuleerde standpunten tot wederzijdse correctie kunnen komen. Zo verrijk je elkaar. Niet door te zeggen: wij constateren bij u bepaalde eenzijdigheden. Kom maar terug, wanneer u die allemaal overwonnen hebt.

Als we het erover eens zijn, hoe de prediking zou moeten zijn, dan gaan we met elkaar een proces in om ernaar te streven, dat onze prediking ook werkelijk zo wordt’.

De Here moge een verder spreken over de toeëigening des heils in eigen kring en daarbuiten rijk zegenen, zodat wij met ‘al de heiligen’ (Ef. 3) een nog rijker zicht krijgen op wat de Geest wederbarend en vernieuwend in een mens kan doen.

Naschrift van de redactie

De redactie meent dat het goed is om over de toeëigening des heils met elkaar na te denken. Zij heeft ds. A. Wagenaar gevraagd zijn gedachten daarover in een artikel te verwerken. De lezer wordt het resultaat daarvan hierbij aangeboden.

Wij beschouwen dit artikel als een bijdrage aan de discussie die met name op de najaarsconferentie van ambtsdragers zal worden gevoerd. Deze conferentie zal D.V. 2 oktober a.s. in Amersfoort worden gehouden. We onderstrepen met deze mededeling het belang van die conferentie en wekken nu reeds op om daar aanwezig te zijn. Ds. A. Baars van Middelharnis en ds. J.G. Schenau van Middelburg hopen dan de bespreking over dit onderwerp in te leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.