+ Meer informatie

Kerkregering XXI

4 minuten leestijd

Kan deze legende over belijdenis afleggen en Avondmaal vieren de wereld niet uit? 5.

Tenslotte: wat zei Doc. van Lingen ervan?

In het vorige artikel beloofden wij te laten boren wat één van onze voormannen, nl. docent F. P. L. C. van Lingen over het verband van belijdenis-doen en Avondmaal vieren dacht.

Waarom geven wij Van Lingen nu het woord? Wel, om de eenvoudige reden dat Van Lingen de man was die met ds. J. Wisse Czn, van Den Haag, de opsteller was van het bezwaarschrift dat ongeveer 700 leden van Chr. geref. kerken indienden op de synode te Amsterdam, die in 1892 over de zaak van de vereniging met de Ned. Geref. (dolerende) kerken moest beslissen; omdat hij de man was die mee besloot tot het doen voortbestaan van de Chr. geref. kerk op de bekende vergadering van 20 juli 1892 te Utrecht, van welke vergadering hij zelfs voorzitter was; omdat hij wegens het trouw blijven aan de Chr. geref. kerk smaad en hoon heeft geleden en financiële schade; omdat hij door de zeer klein geworden Chr. geref. kerk vrijwel onmiddellijk werd belast met de opleiding van a.s. predikanten; omdat hij tot aan zijn dood in 1913 altoos het volle vertrouwen van onze Chr. geref. kerk heeft genoten. Welnu, deze Van Lingen, een man van onverdachte rechtzinnigheid en even onverdachte vroomheid, schreef in De Wekker van 20 mei 1898:

,, . . . Wij schreven dit omdat wij een woord wilden zeggen over het Avondmaal en de avondmaalgangers. Doch daar dit in een zo nauw verband staat met het afleggen van belijdeniszij hiervan vooraf nog gesproken. Dat dit iets anders is dan wat men hier en daar „afleeren” noemt zal geen betoog behoeven. Het is een schandelijk misbruik en een verderf voor de Kerk, indien het niets meer is dan een soort examen afleggen na eenige tijd onderwijs te hebben ontvangen .....

Het woord „geloofsbelijdenis” zegt toch iets anders. De vragen, welke gedaan worden zijn veelbeteekenend. Volgens die van Voe tius toch verklaart men plechtig voor God en Zijne gemeente niet alleen de beleden leer voor de ware, zaligmakende te houden, maar ook in die belijdenis te leven en te sterven, en door Christus’ genade godzalig en eerlijk te leven. Nog sterker zijn de vragen, welke naar het formulier voor de bejaarden doop worden gedaan. Er wordt toch daarin gevraagd of gij gelooft: „dat gij een lid van Jezus Christus en zijne Kerk door de kracht des Heiligen Geestes zijt ge worden” alsmede dat „gij in het gebruik des Avondmaals zult volharden.”

Dat meer geëischt wordt dan een voor waar-houden der Gereformeerde leerstukken is wel niet te ontkennen, en indien wij ook slechts het minste willen noemen, dan behoort er toch een toevluchtnemend geloof te zijn bij den aannemeling, eene ware begeerte om den Heere Jezus toe te behooren, een gevoel van verloren te zijn, met een worstelen om genade.”

En even verder schrijft Van Lingen:

„Als nu een leeraar als leden kan toelaten, die vooraf verklaren geen Avondmaal te willen, of zelfs zelf bedingt, dat zij zich niet tot de tafel zullen begeven, dan komt dat of uit onwetendheid of uit een veel meer af te keuren bron voort. Zulk een had zeker wel kerkelijke terechtwijzing noodig”. In het vervolg van dit stuk handelt Van Lingen dan over allerlei geestelijke moeilijkheden en bezwaren die er bij de leden kunnen zijn, zodat zij veel strijd hebben met het ten Avondmaal gaan enz. Overigens is zijn standpunt over het verband tussen belijdenis-afleggen en Avondmaal-vieren wel duidelijk. Dit standpunt komt ook heel duidelijk uit in wat Van Lingen schreef in De Wekker van 16 aug. 1901 onder het opschrift: Belijdenis en Avondmaal. Het artikel van Van Lingen begint aldus:

„Het is mij meermalen vreemd voorgekomen, dat op sommige plaatsen lidmaten der gemeente zijn, die nooit ten Avondmaal zijn geweest. Zij hebben vrijmoedigheid gehad om belijdenis af te leggen, maar tevens vrijmoedigheid om ’s Heeren bevel: „doet dat tot mijne gedachtenis” te veronachtzamen. Mij dunkt de zulken konden en mochten dan ook geene belijdenis afleggen. Die geen avondmaal kan houden, kan ook dat eerste niet in waarheid”.

We zouden gemakkelijk allerlei andere uitspraken van bekwame theologen kunnen aanhalen, maar we laten het hierbij. Laat ook het bovenstaande van Van Lingen mogen helpen de legende de wereld uit te krijgen die zegt, dat onze generale synode van 1965/'66 iets nieuws heeft willen invoeren door het onlosmakelijk verband tussen belijdenis-doen en Avondmaal-vieren (door de opname van vroegere synodale besluiten in de nieuwe uitgave van de Kerkorde) uit te spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.