+ Meer informatie

Poging meningsverschillen over geloof te beëindigen

Alexander Comrie was waakzaam theoloog

9 minuten leestijd

Eigenlijk heeft Comrie slecbts een tweetal strikt dogmatische werken het licht doen zien: zijn Brief aan zijn Missive over de rechtvaardigmaking. Zijn dogmatische inzichten zijn echter ook ruimschoots te vinden in zijn praktitsche en polemische geschriften.

Uiteraard behoefde Comrie als reformatorisch theoloog geen eigen dogmatiek te ontwerpen. Hij kon voortbouwen op de grondslagen die kerkvaders en Reformatoren hadden gelegd. Hij citeert dan ook vaak Augustinus, Luther en Calvijn, en ook Schotse en Hollandse theologen. Comrie was echter te oorspronkelijk om klakkeloos na te praten wat anderen vóór hem hadden gezegd. Zo nodig durfde hij met geestverwanten van mening te verschillen, of ook tegenstanders op bepaalde punten gelijk geven. Daarbij had hij een afkeer van twisten over zaken van weinig belang of van verminderde actualiteit. De geschillen tussen Voetianen en Coccejanen, die de kerk hadden verontrust liet hij onaangeroerd. Hij zag andere gevaren die kerk en theologie bedreigden.
Opvallend is dat in Comrie's werken het geloof centraal staat. Daar was ook alle reden voor., Onder de gereformeerde theologen waren veel geschillen over de aard en de functie van het geloof en van de studeerkamers van de predikanten waren die geschillen overgewaaid naar de gezelschappen van de vromen. Comrie werd daarmee geconfronteerd in zijn eigen gemeente, waar na die opwekkingsbeweging „nutteloze strubbelingen gekomen waren over het beginsel van Gods zaligmakend werk in het hart van de uitverkorenen".

Ingestort
Zo kwam Comrie ertoe diepgaand te handelen over de aard, de eigenschappen, de werkzaamheiden en de vruchten van het geloof. Een belangrijk geschilpunt was of het geloof aan de wedergeboorte voorafgaat, dan wel of het erop volgt. Wilhelmus a Brakel had geleerd dat het geloof vóór de wedergeboorte gaat, niet in tijd, maar in volgorde. Comrie vreesde dat hierdoor de deur zou kunnen worden geopend voor de dwaling dat de mens door zijn geloof zijn wedergeboorte zou kunnen bewerken. Daarom stelde hij met nadruk dat het geloof bij de wedergeboorte wordt „ingestort".
Hij wenste daarbij onderscheid te maken tussen de „habitus" en de „actus" van het geloof. De habitus is dan het geloof als geloofsvermogen, de actus de geloofsdaad, welke twee woorden hij vertaalde met de weinig fraaie termen „hebbelijkheid" en „dadelijkheid" van het geloof. Het geloof dat in de habitus volkomen is moet in de actus beoefend worden. De habitus is dan als de smaak, de actus is het proeven, waardoor de smaak geoefend wordt!

Nieuwe twisten
Het was een goedbedoelde poging van Comrie om een einde te maken aan de geschillen over het geloof, maar de filosofische onderscheiding tussen de habitus en de actus ontmoette veel tegenstand. En zelfs wanneer deze onderscheiding aanvaard werd, dan ontstonden nieuwe twisten over de vraag of de habitus voldoende is tot zaligheid of niet...
Behalve over het geloof heeft Comrie zich ook uitgesproken over de rechtvaardigmaking, een dogma, waarmee naar zijn mening de kerk staat of valt. Op grond van sommige uitlatingen van oude theologen heeft hij weer gegrepen naar de „rechtvaardigmaking van eeuwigheid". Hij deed dit om alle verdienstelijkheid van het geloof uit te sluiten en om de absolute soevereiniteit Gods in het zaligen van zondaren te verdedigen. Vandaar zijn stelling dat er niet alleen een rechtvaardigmaking is dóór het geloof, waarbij God de verdienste van Christus aan de zondaar schenkt en toerekent, maar dat er ook een rechtvaardigmaking is vóór het geloof, namelijk in het voornemen Gods van eeuwigheid.
Dat Conwie waakzaam was tegen Arminiaanse en Pelagiaanse gevoelens mag hem als een verdienste worden aangerekend. Helaas speelde zijn wijsgerige denktrant hem weleens parten. Het opkomende rationalisme, dat hij door de voordeur trachtte uit te drijven zag op die manier kans door de achterdeur binnen te glippen... Comrie was een vredelievend man en zou zich waarschijnlijk nooit op het terrein van de polemiek hebben gewaagd wanneer een meer strijdbare figuur als Nicolaus Holtius hem niet uit zijn schuilhoek had gelokt. In het jaar 1752 traden ze beiden in het strijdperk van de zogenaamde „Zwolse troebelen". In Zwolle was een conflict ontstaan rondom de figuur van ds. A. van der Os, die leringen verkondigde die in strijd waren met de Gereformeerde belijdenis. Zo leerde hij dat men buiten de kennis van Christus toch God wel kon vrezen, zag hij het geloof als een daad van de mens en had hij een remonstrantse opvatting van de praedestinatie. Het geval zou misschien met een sisser afgelopen zijn indien professoren van de Leidse Universiteit niet openlijk de zijde van Van der Os hadden gekozen.
Holtius wist Comrie ervan te overtuigen dat ze samen een banier moesten oprichten voor de waartieid. Daar ze echter wel begrepen dat ze van de Leidse Universiteit nooit de vereiste approbatie (goedkeuring) zouden verkrijgen voor hun werk, besloten ze hun geschrift anoniem uit te geven.
Zo verscheen het „Examen van Tolerantie", waarbij de auteurs het doen voorkomen alsof er een genootschap bestaat van 20 personen die voorstanders zijn van de Formulieren van Enigheid. Dit genootschap heeft gehoord dat er een ontwerp van tolerantie (verdraagzaamheid) is opgesteld om de leer van Dordt met die van de Remonstranten te verenigen. Van tijd tot tijd komt dit genootschap bijeen om dat ontwerp te examineren (onderzoeken) en om afwijkende leerstellingen te signaleren en te bespreken.

Samenspraken
Aan die samenspraken nemen vijf personen deel. Ze treden op onder Griekse namen, waaruit met weinig moeite Holtius, Comrie en de professoren Schultens en Albertl te herkennen zijn. Het was te verwachten dat de Leidse faculteit een gelegenheid afwachtte om Comrie en Holtius tot zwijgen te brengen. De ontactische Holtius heeft zelf deze gelegenheid geschapen, toen hij voor de tiende samenspraak een voorrede schreef met een levensschets van de reeds overleden prof. Van den Honert. Dit stuk dat beledigend was voor Van den Honert, strekte Holtius niet tot eer. Hij had het geschreven buiten medeweten van Comrie. Toen dit uitlekte, verboden de Staten van Holland de verdere uitgave.

Eenvoud
Een groot aantal preken — zoals bijvoorbeeld Hellenbroek en Smytegelt — heeft Comrie niet nagelaten. Toch is het mogelijk ons aan de hand van enkele prekenbundels een beeld te vormen van zijn homiletische en pastorale werkzaamheid.
Eén van de meest elementaire eisen die Comrie zelf aan de prediking stelde was dat ze eenvoudig moest zijn. Het was zijn eerste vrouw, die hem daartoe in het begin van zijn ambtelijke bediening stimuleerde. Hijzelf vertelt dat zij hem herhaaldelijk waarschuwde: „Gij weet niet half hoe onvatbaar de mensen zijn". In vergelijking met de preken van tijdgenoten is Comrie's preekwerk inderdaad eenvoudig. Geen lange inleidingen, geen toepassingen zonder verband met de tekst. Ook geen citaten uit de klassieken of verhalen uit de mythologie. Dienaar van het Woord wilde Comrie zijn en anders niets.
Gemeten naar onze maatstaven zijn Comrie's preken echter niet eenvoudig. Ze zijn zéér lang en hebben talloze verdelingen en onderverdelingen. Er zijn dan maar twee mogelijkheden: of slechts weinigen hebben deze preken kunnen volgen, of het Woubrugge van de 18de eeuw moet een modelgemeente zijn geweest. Waarbij we natuurlijk niet moeten vergeten dat men vroeger langer en beter kon luisteren dan tegenwoordig...
Wat zijn uitgegeven preken betreft — over de andere kunnen we niet oordelen — deze zijn in twee groepen te onderscheiden. Het ABC en de Eigenschappen hebben als centraal thema: het geloof en de rechtvaardiging. De Verzameling van leerredenen is gericht op de toestand van de kerk in het algemeen en van de gelovigen in het bijzonder.

Verweer en vermaning
Dat hij juist deze stoffen uitgaf pleit voor de actualiteit van zijn prediking. Enerzijds zag hij het antinomianisme binnensluipen, anderzijds zag hij de twisten over het geloof hoog oplaaien en constateerde hij een verachtering in de genade en een verkilling in de liefde. Scherp was dan ook zijn verweer tegen de nieuwe wetsbestrijders, maar zacht en liefdevol zijn vermaan aan de ware vromen om zich weer te verenigen onder de banier van de Reformatie. Een sterk accent kregen de middelen der genade: de bediening van Woord en Sacrament, ook het gebed en de bijeenkomsten van de vromen. Tegen het misbruik van de conventikets (gezelschappen) liet hij zijn waarschuwende stem horen: Het is — zo zegt hij — „alsof eenige vrome menschen den duivel in haar binnenkamers gezien hadden; ze kunnen er niet in blijven. Het is al praaten; gezelschappen houden; zoo lang bij malkanderen blijven dat er weinig tijt is om zonder bekrompenheit Godt te zoeken en gemeenschap met Hem te houden; alles geraakt in ongeregeldheit in de huisgezinnen de tijt van afzondering is verloopen, men is vadzig, leedig, uitgepraat...

Schotse invloed
Worden er gezelschappen gehouden, dan adviseert Comrie zich op de Cathechismuspreek voor te bereiden of de gehoorde preek met elkaar te bespreken. De prediking van Comrie droeg in het algemeen een evangelisch karakter. Het allesbeheersende thema wordt gevormd door de beloften Gods in Christus Jezus. Hier verraadt zich de Schotse invloed, met name van de gebroeders Erskine. Toch valt niet te ontkennen dat we bij Comrie in een wat ander klimaat zijn terecht gekomen. „De kabinetten der Evangelische beloften", bij de Erskines „voor allen zéér wijd geopend", staan bij Comrie toch weleens op een kier! In plaats van onbekrompen Christus te prediken aan alle hoorders van het Evangelie, zoals de Erskines deden, vervalt hij soms in wensen aan het adres van de onbekeerden. En in plaats van de bekommerden — zoals hij zelf nodig acht —van zichzelf af en op Christus te wijzen, schuift hij er nogal eens de kenmerken der genade tussen. Maar deze inconsequentie heft hij dan ineens zelf weer op door de prediking van „Christus alléén!"

Formaat
Deze wat fragmentarische opmerkingen doen niets af aan het feit dat Comrie een theoloog van formaat is geweest die in een eeuw van verval heeft teruggegrepen naar de Reformatie, en die in zijn tijd en ook lang daarna velen tot zegen is geweest. Een man wiens invloed groot was, ook in de eeuwen na hem, bijvoorbeeld op Abraham Kuyper, maar ook op ds. G. H. Kersten.

Het zou geen overtollige luxe zijn wanneer er eens een afgeronde studie verscheen over Comrie's theologie en prediking en zijn invloed op de kerk van toen en nu. De dissertatie van A. G. Honig (1892) is sterk verouderd en het overigens zeer lezenswaardige boek van J. H. R. Verboom is bijna uitsluitend een levensbeschrijving.
Bij zijn tweehonderdste sterfdag moge nog eens herinnerd worden aan de vermaning van de apostel waarmee ds. Ouboter in Woubrugge herdacht: „Gedenkt uw voorgangers die u het Woord Gods gesproken hebben en volgt hun geloof na,' aanschouwende de uitkomst van hun wandeling".

___________________________________________________________________
Dit is de tweede — en laatste bijdrage van ds. W. van Gorsel, Hervormd predikant te Ridderkerk, over Alexander Comrie, ter gelegenheid van zijn tweehonderdste sterfdag. Het eerste artikel plaatsten wij in de krant van gisteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.