+ Meer informatie

Landbouwverkenningen

8 minuten leestijd

Vandaag heeft minister A. van der Stee van Landbouw een viertal structuurvisies aangeboden. Van zijn kant zijn dat de bouwstenen geweest voor de Nota landelijke gebieden, die vorige week werd ingediend en waaraan wij toen in de krant van vrijdag en zaterag aandacht hebben geschonken. De nota's die de minister nu aan de beide kamers van de Staten-Generaal heeft aangeboden dragen de namen: Structuurvisie landbouw. Structuurvisie op het bos en de bosbouw. Visie landschapsbouw en de Nota landbouwverkenningen.

In deze laatste nota vindt men een beredeneerde analyse van de te verwachten ontwikkelingen in de land- en tuinbouw tot 1990. Omdat de Nota landbouwverkenningen de bouwstenen verschaft voor de Structuurvisie landbouw willen we in dit artikel bekijken hoe het ministerie van Landbouw de ontwikkelingen in de komende jaren 'voor onze boeren en tuinders beziet.

In hoofdstuk 1 van de nota worden de ontwikkelingen die zich in de jaren '50 tot '75 hebben voorgedaan beschreven. Er wordt op gewezen, dat er al sinds eeuwen een veranderingsproces aan de gang was, maar tot aan de Tweede Wereldoorlog ging dat heel geleidelijk. Met name na 1950 is dat proces zeer versneld. De snelle economische groei die toen inzette en zijn hoogtepunt bereikte in de tweede helft van de zestiger jaren, had natuurlijk consequenties voor de agrarische wereld. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg toen reëel met 4,3 procent per jaar.

Aanpassingen %,

Om niet achter te komen moesten boeren en tuinders toen wel tot structurele aanpassingen overgaan. Men raakte daarmee in een stroomversnelling, die ondanks de kenterende groei in het begin van de jaren zeventig, nog steeds doorgaat. Om een beetje in de pas te kunnen blijven lopen èn ook de steeds grotere kosteninflatie te beteugelen is jaarlijks een aanzienlijke stijging van de arbeidsproduktiviteit nodig geweest. Dit is gerealiseerd door vergroting van de bedrijven en door vermindering van het aantal arbeidskrachten. De mechanisatie speelde in dit proces natuurlijk ook een grote rol.

Enkele cijfers maken duidelijk om welk een omvangrijke operatie het hier ging. In het begin van de jaren vijftig nam het aantal arbeidskrachten in de landbouw af met 3,3 procent, in de penode '60-'70 met 4,7 procent en in het begin van de jaren zeventig met 4,5 procent. In de tuinbouw waar de expansiemogelijkheden wat groter waren was de afvloeiing van arbeidskrachten wat kleiner.

Minder bedrijven

Ook het aantal bedrijven is drastisch gedaald. In de landbouW telde men in 1950 nog bijna 200.000 bedrijven, in 1974 nog 111.000. Tuinbouwbedrijven waren er in 1950 38.000, in 1974 was dit aantal gedaald tot 27.000. Dit rationalisatieproces leidde tot een grotere produktie per man en per hectare. Vooral vanaf de zestiger jaren trad een specialisatie-proces op van minder produktieeenheden die dan van grotere omvang waren. In dit verband kan men wijzen op de wijzigingen van het bouwplan naar suikerbieten en aardappelen en de veel dichtere veebezetting per hectare.

De EEG bood goede mogelijkheden voor de expanderende Nederlandse produktie. Vooral op het gebied van varkens- en pluimveevlees en ook van melk nam de regionale specialisatie van ons land binnen de EEG toe. Het Nederlandse aandeel in de EEG-produktie van varkensvlees nam tussen 1960 en 1974 toe van 10,6 tot 14 procent. Van de totale produktie van pluimveevlees steeg ons aandeel in dezelfde periode van 9,1 procent tot 14,5 procent, terwijl melk omhoog ging van 10,6 naar l3 procent. E^enzelfde ontwikkeling trad op in de glasgroenten- en sierteeltsector.

Deviezen

Dat leverde natuurlijk ook de nodige deviezen op. De uitvoer van landbouwprodukten steeg vanaf het begin van de jaren vijftig van 3,1 miljard naar 13,5 miljard gulden. Zeer belangrijk voor onze betalingsbalans. Zonder de bijdrage uit de landbouw zou onze goederenbalans over de periode 1971-1975 een tekort hebben vertoond van 6,5 miljard gulden; Ook de gehele betalingsbalans zou dan negatief zijn geweest.

Effecten

De genoemde ontwikkelingen hebben een aantal bedrijfstructurele effecten in de land- en tuinbouw, waarvan de belangrijkste zijn: • Ten gevolge van de vrij grote vermindering van het aantal bedrijfshoofden kan de toename van de gemiddelde bedrijfsoppervlakte in de komende tijd sneller verlopen; • De intensivering - d.i. het aantal standaardbedrijfseenheden (sbe) per ha - zal gezien ook dé geringere groei in de produktie-omvang, aanzienlijk minder snel toenemen; , -,_™,, i • Hierdoor kan, ondanks dé 'sBëilere stijging van de bedrijfsoppervlakte, ooic de bedrijfsomvang in sbe na 1974 slechts langzaam groeien. De groei van de bedrijfsomvang in de tuinbouw blijft gelijk; • Door de geringere daling van het aantal arbeidskrachten in. de landbouw en de minder sterke groei van de produktie-omvang in sbe na 1974 is ook de stijging van de produktieomvang per man geringer dan in voorgaande jaren. Ook hier is het beeld in de tuinbouw gunstiger; • De arbeidsbezetting (excl. tuinbouw) blijft in de toekomst vrijwel gelijk (gemiddeld 1,32 per bedrijO, hetgeen moet worden toegeschreven aan het feit dat de arbeidsbezetting op veel bedrijven reeds minimaal is (overwegend eenmansbedrijven). Verdere daling van het aantal arbeidskrachten moet hoofdzakelijk gepaard gaan met bedrijfsopheffing.

Uit de Landbouwverkenningen blijkt voorts dat bij een afnemend totaal aantal bedrijven de groei naar grotere bedrijfseenheden (oppervlakte, aantallen melkkoeien, varkens of pluimvee) per bedrijf ook na 1974 is doorgegaan, zij het (behalve in de leghennensektor) in trager tempo. Dit proces gaat gepaard met een verdergaande ontmenging. In de Landbouwverkenningen is ook een poging gedaan een vergelijking te maken tussep de bedrijfstructuur in 1974 en 1990 in relatie tot de inkomensvorming (arbeidsopbrengt). Daaruit blijkt - met inachtname van'de gemaakte veronderstellingen - dat de in het bedrijf ingezette produktiefaktoren, althans op pachtbasis berekend, onder gemiddelde omstandigheden een beloning ontvangen overeenkomstig de beloningsni. veaus, die voor vergelijkbare produktiefaktoren in andere sektoren gelden.

Op basis van de in de Landbouwverkenningen uitgevoerde modelberekening en daarbij rekening houdend met het effect van realisering van het areaal „Relatienotagebied" tot 1990 (75.000 ha beheersgebied en 25.00 ha reservaat) kan worden vastgesteld dat in de melkveehouderij nauwelijks en in de akkerbouw en voor de glastuinbouwsektor een veel duidelijker verbetering van de bedrijfstructuur in relatie tot de rentabilitieit zou kunnen optreden. Vastgesteld kan ook worden dat de spreiding in bedrijfsomvang en daarmede van de inkomenscapaciteit in 1990 veel groter zal zijn dan die in 1974-, •^'•i op haar beurt.reeds groter was dan in 1960.

In de.Landbouwverkenningen zijn bij enkele gewijzigde uitgangspunten enige aanvullende berekeningen uitgevoerd: • variant 1: een geringere toename van het besteedbare inkomen per hoofd van de bevolking, nl. r,'ó i.p.v. 2%; • variant 2: een daling van het aantal hoofdberoepsbedrijven met 2,6% i.p.v. 3,3/c; • variant 3: extra onttrekking van 25.000 ha cultuurgrond ten behoeve van uitbreiding van het bosareaal.

Toepassing van variant 1 leidt tot geringere groei van de produktie-omvang in s.b.e. dan was aangenomen. Wanneer de zeer lage groei van de particuliere bestedingen gepaard gaat met zeer beperkte loonkostenstijging, behoeft dit niet te leiden tot een slechtere bedrijfsstructuur in relatie tot de inkomensmogelijkheid van vergelijkbare inkomensgroepen buiten de landbouw. De glastuirrtjouw is echter in een kwetsbaarder situatie dan de landbouw.

Variant 2 leidt tot geringere produktie-omvang per bedrijf en per man wat betreft het aantal s.b.e. en ha. Bij toepassing van deze variant ontstaat een duidelijk minder gunstige bedrijfstructuur.

Variant 3 leidt ook tot daling van de produktie-omvang in s.b.e. Het effect hiervan op de bedrijfsstructuur is afhankelijk van de wijze waarop de onttrekking plaatsvindt, namelijk via overname van gehele bedrijven of via bedrijfsverkleining.

Beleidsinstrumentarium

De belangrijkste pijlers van het landbouwbeleid zijn, als bekend, het markten prijsbeleid en - in nauwe samenhang hiermee - het internationale beleid, abmede het structuurbeleid. De gegeven visie over de mogelijkheden en grenzen van het markt- en prijsbeleid leidt tot de conclusie dat in het kadei' van een integraal inkomensbeleid een stuk sociaal beleid in aanvulling op de marktregeling niet kan worden gemist.

Bij het structuurbeleid gaat het in wezen om de vraag hoe de produktiefaktoren (ondernemerschap, arbeid, grond en kapitaal) optimaal kunnen worden gecombineerd en gericht op de functies die land- en tuinbouw te vervullen hebben. Daarbij gaat het niet alleen om de kwantiteit, doch evenzeer om de kwaliteit van de in te zetten faktoren. Zo zijn onderwijs, onderzoek en voorlichting gericht op de verbetering van de kwaliteit.

Landschapsbeheer

De Nota landbouvwerkenningen zou nauwelijks in deze tijd geschreven kunnen zijn als er niet aandacht werd geschonken aan natuur- en landschapsbeheer. We hebben er niets op tegen dat er aandacht wordt geschonken aan het natuurbeheer. Het is de cultuuropdracht aan de mensen gegeven om de aarde te bebouwen, maar ook te bewaren. Of het echter noodzakelijk is de bewaar-functie zo te verabsoluteren, dat een boer zijn functie niet meer kan uitoefenen zouden we haast tegen-natuurlijk willen noemen.

Er zijn dan nog wel andere mogelijkheden te bedenken die het in stand houden van een fraai landschap zullen bevorderen. Ooi: de melkveeiwtiderij raakte in beeld dat in de vijftiger jaren normaal. Met de moderne apparattmr kan men een stroomversneiling. Boven: een maar nii schaar'^ i^'"'worden. Onder; tientallen lyoeien per keer melken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.