+ Meer informatie

Voor de jeugd

BESTE JONGELUI! Gideon 16 (Richt. 6 : 23)

8 minuten leestijd

22

Gideon vreesde toen het offer door het vuur uit de rots verteerd werd. Hoe was hij waardig verteerd te worden. Hoe zijn wij allemaal waardig verteerd te worden. Want we zijn en blijven onheilige, zondige mensen.

Doch de Heere had gedachten des vredes over Gideon en niet des kwaads. Dat werd hem dan ook van de hemel duidelijk gemaakt, toen de HEERE tot hem zeide: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.

Gideon vreesde door ’t wraakzwaard van Gods gerechtigheid te zullen sterven en nu hoort hij uit des HEEREN eigen mond, dat Hij met Gideon in vrede leven kan, omdat Hij bevredigd is door het gebrachte offer, zij het dan dat dit offer een voorlopig karakter droeg. Het had ten tijde van Gideon nog geen wezenlijke betekenis, daar brandofferen, noch offers voor de schuld voldeden aan Gods eis, noch eer. Het ware Offer dat God alleen heeft kunnen bevredigen en ook bevredigd heeft, dat is gebracht door de Heere Jezus. Doch daar hebben we de vorige keer al op gewezen.

Vrede zij u, vrees niet gij zult niet sterven.

Op zichzelf is dit een zeer rijke toezegging van Gods wege. Alle woorden, die de Heere gesproken heeft, zijn waard om overdacht te worden. Dat dit zo weinig gebeurt, moet tot onze schande worden gezegd. We horen mensen aan. Hun woorden leggen, naar wij denken, gewicht in de schaal. Als de z.g.n. „groten der aarde”, grote woorden spreken, dan gaan de koersen op de beurzen daarmede op en neer. We denken, dat de vrede afhankelijk is van mensen, al is al duizendmaal en meer aangetoond, dat niemand enige vrede garanderen kan.

Het woord „vrede”, daar zitten een hoop mensen mee. Ik geloof ook van jonge mensen. Het is nog maar enkele weken geleden kerstfeest geweest. Toen is er weer gepreekt over „vrede op aarde”, en gezongen niet minder. Doch als we onze blik over de aarde laten gaan, dan is het allerminst „vrede”. We leven in een wereld vol onrust. Het nieuwe jaar dat we zijn ingetreden belooft ten deze ook niet veel goeds. De spanningen zijn ontzaggelijk groot. Ieder vraagt zich af, wanneer men in het midden Oosten de wapenen weer tegen elkaar op zal nemen. Wat zullen de gevolgen zijn van de olieboycot in het jaar 1974? Staan we misschien weer aan de vooravond van een nieuwe wereldbrand? De misdaad neemt hand over hand toe. Het zedelijk peil gaat pijlsnel naar beneden. Een ieder, die niet naast z’n tijd leeft, kan niet anders dan met zorg vervuld zijn, wanneer hij denkt aan datgene wat te wachten staat. Als hij dan het woord „vrede” hoort weerklinken, dan roept dit alleen maar een „droomwereld” op, die in werkelijkheid toch niet blijkt te bestaan. Want het gonst in de wereld van oorlogen en geruchten van oorlogen, op grote en op kleine schaal.

Want als er in de wereld tussen de volkeren al geen vrede is, maar een grenzeloos egoïsme, waarin ieder aan zichzelf denkt, in de veel kleinere sektor van het particuliere leven is het al niet veel beter. Want wie kan er nu zeggen, waarlijk vrede te hebben? Er is twist en tweedracht in de gezinnen. Mannen en vrouwen leven langs elkaar heen. Broers en zusters staan tegen elkaar op. Velen lopen daarbij met problemen rond, betrekking hebbende op hun eigen leven, die men aan geen sterveling ter wereld ooit prijsgeven zal, doch die de vrede des harten verre doet blijven. Men wordt door de innerlijke onrust voortgejaagd over de wereld, en de onuitgesproken zuchten getuigen er van, dat men naar vrede, rust haakt en ze toch niet vindt.

Zeg niet dat de situatie al te somber getekend wordt, want de ambtelijke ervaring heeft ons geleerd, dat dit nuchtere werkelijkheden van het leven zijn.

Hoe zou dit toch allemaal komen? De diepste oorzaak is hierin gelegen, dat de mens een gevallen schepsel is. Hij is van God afgevallen. Hij is tegen God opgestaan. En dit goddeloze benueerd. Het blijft in z’n opstand tegen God volstaan wordt door elk mens van nature gecontiharden. En daarom kan men nooit tot vrede komen. In de wereld niet, en ook in de klein-menselijke verhoudingen niet, waarin we allemaal leven. Ook in het persoonlijke leven niet.

Ieder leeft van huis uit met God in oorlog en daarom ook met de naaste. Want als de verhouding tussen God en ons niet in orde is, dan kan hij met de naaste ook niet in orde zijn. Het een ligt hier altijd in het verlengde van het ander. De mens is van nature geneigd God en de naaste te haten. En hoe kan er nu van zulk een mens vrede verwacht worden? Hij kan alleen maar verwachten, dat God met Wie hij in vrede zou moeten leven, hem van voor Zijn aangezicht zou wegdoen.

Dat gelooft de wereld niet. Die is daar blind voor en die blijft daar ook blind voor. En al zoeken de „groten der aarde” nu nog zo naar het paradijs op aarde, vinden zal men het nimmer, ook in het jaar 1974 niet. Hebt daarom van de wereld maar geen verwachting, want dan kunnen we jullie niet anders voorspellen dan bittere teleurstelling.

Doch in de kerk moet men ze ook met een lantaarn gaan zoeken, die dat nog geloven, namelijk dat we waardig zijn, dat God ons, vanwege ons opstandig bestaan, voor eeuwig van voor Zijn aangezicht zou wegdoen.

O zeker, er zijn er nog wel die dit belijden, en in dat opzicht alleszins rechtzinnig zijn. Maar belijden is nog geen beleven.

Als men dat gaat beleven, dan gaat men vrezen. En daar heeft Gideon iets van verstaan, en daar leren allen iets van verstaan, die wezenlijk met God te doen krijgen.

Terwille van het Offer nu, kan de Heere tot dezulken van „vrede” spreken. Dat heeft Hij dan ook tegen Gideon gedaan. Hij behoefde niet te vrezen, want hij zou niet sterven. Dit „zeggen” van God, is toch wel een duidelijk bewijs, dat Gideon vreesde te sterven. Nu, zegt de Heere, dat behoeft niet. Je behoeft niet te vrezen, gij zult niet sterven. Want Ik heb Mijn Zoon bereid gevonden, om in de plaats van zondaren te sterven, om Zijn leven tot een offer te geven.

Dat moest toen nog wel gebeuren, maar van God uit gezien, was dit van eeuwigheid af al een uitgemaakte zaak. En daarom kon Hij in de tijd Gideon en de ganse oud testamentische Kerk genade bewijzen.

Wij leven nu in het nieuwe testament. Het enige Offer is gebracht, en daarom kan God ook tot ons van „vrede” spreken. Het is heel eenvoudig, een verklaring van God aan de ziel, dat Hij bevredigd is, dat aan de eis van Zijn recht voldaan is, dat de schuld betaald is. Het is een verklaring van God, dat Zijn Eniggeboren Zoon gestorven is, en daarom behoeven degenen, die in de Zoon geloven, niet meer te sterven. „Die in Mij gelooft en leeft, die zal niet sterven in der eeuwigheid”, zo heeft Jezus eens tegen Martha gesproken, en zo is het ook.

Als men dit nu uit des Heeren mond verneemt, terwijl men vrezende en bevende voor Hem staat, dan wijkt ook de vrees uit het hart. Dan komt er vrede voor in de plaats. Dat is een wonderlijke vrede. Vrede met God! Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus, zo getuigde Paulus in Rom. 5 : 1.

Wie vrede met God heeft, heeft ook vrede met de naaste. Dat kan niet uitblijven. Te denken vrede met God te hebben en in onvrede met de naaste te kunnen leven, dat is niets anders dan zelfbedrog.

Die wonderlijke vrede nu, wordt alleen beleefd door het geloof. Doch daar een gelovige niet altijd zichzelf gelijk is, wordt dit vaak weer zo gemakkelijk verstoord. Zodra men niet meer in het geloof leeft, dat is in constante verbondenheid aan God en Zijn woord, dan raakt men weer uit de koers. Dan wijkt de vrede uit het hart. Vrede is daarom zulk een teer bezit. Het is zalig als men het hebben mag, doch droevig als men het missen moet.

Nu mag hier niet over het hoofd worden gezien, dat dit woord gesproken is door de HEERE, dat is Jahwe. Dat is de getrouwe Verbondsgod. Hij neemt Zijn woord nooit terug. Doch als men door eigen schuld de vrede des harten missen moet, dan kan het de schijn hebben, alsof de Heere Zijn woord teruggenomen heeft. Doch dit is dan alleen maar schijn. De Heere verbergt dan Zijn aangezicht, waardoor de vrede in de beleving gemist wordt. Men kan ze dan alleen weer terug krijgen, door tot de Heere weder te keren, met belijdenis van zonde en schuld. Wie dan zijn zonde belijdt en laat, die krijgt weer vergiffenis, die mag weer in de vrede delen. Dan wijkt de vrees. Hij mag weer geloven dat hij niet sterven zal, omdat de Heere Jezus Christus eenmaal gestorven is, en dat hij daarom nu een recht op het eeuwige leven heeft, ondanks al zijn afmakingen. Maar het is dan een recht wat niet door de zondaar verworven is, doch door de Heere Jezus Christus, en wat aan de zondaar uit genade geschonken wordt.

Dat is een vrede die de wereld niet kent en heeft noch geeft. Het is een vrede die alleen gekend en beleefd wordt door diegenen die voor de Heere hebben leren vrezen. Zij behoeven niet te vrezen.

Als die vreze niet gekend wordt, dat men dan vreze!

Lieve vrienden, ik ga weer eindigen. De vrede met God, door het geloof in de Vredevorst, zij jullie aller deel in 1974. Wie waarlijk vrede met God heeft, heeft rust, in deze wereld, die zo vol onrust is.

Jullie aller vriend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.