+ Meer informatie

OUDERLING ZIJN IN EEN GEMEENTE MET LIGGINGSVERSCHILLEN

16 minuten leestijd

De redactie vroeg mij enkele gedachten over dit onderwerp op papier te zetten. Als je op zo’n telefonisch verzoek wat spontaan ja hebt gezegd, blijkt nadien pas wat je op je hebt genomen.

Want als wij willen nadenken over de vraag welke aandacht door ambtsdragers (in dit geval door ouderlingen) aan liggingsverschillen in eigen gemeente dient te worden gegeven, mag over de aard van die verschillen en over de oorzaken en de gevolgen ervan geen misverstand bestaan. Een gemeente met liggingsverschillen. Wat zijn dat voor verschillen en waar komen ze vandaan?

In recente literatuur komt dit woord weinig voor. Ik vond het b.v. slechts een enkele maal in „Verrechtsing” van ds. J.H. Velema, b.v. op pag. 21, waar hij „ligging” ook „instelling” noemt. De betekenis die men in het spraakgebruik aan het woord „ligging” verbindt, is volgens hem: eenzijdig, wettisch, zwaar of progressief, ruim, licht, meestal nog voorzien van het woordje „te”. Zwaar wordt dan „te zwaar”, licht „te licht”. In zijn artikel „En toch niet verteerd” in het gelijknamige Gedenkboek 1982 rangschikt ds. J.H. Velema liggingsverschillen onder „spanningen, die wij op allerlei manieren kunnen aanduiden”. Hij stelt daar liggingsverschillen gelijk met „voorwerpelijk en onder-werpelijk, conservatief en progressief, rekkelijken en preciezen” (pag. 170).

Onder liggingsverschillen zou ik in dit artikel liever iets anders willen verstaan. Het onderscheid, dat men in het spraakgebruik door deze aanduiding bedoelt te maken, heeft m.i. een diepere oorzaak. Die te onderkennen is belangrijk. Bovenbedoelde aanduidingen zijn meer kenmerken dan dat zij het wezen van de verschillen raken. Want als wij het daarover eens zijn, worden die aanduidingen die wij elkander over en weer geven, zo betrekkelijk. Wij geloven toch dat de Koning der Kerk zijn kinderen zowel onder progressieve als onder conservatieve christenen heeft? En als wij tegen deze achtergrond over liggingsverschillen willen nadenken, moeten wij wel weten waar wij het over hebben.

„Ligging” houdt volgens Van Dale verband met de manier, waarop iemand of iets gelegen is, b.v. een bed met een goede ligging, een stad met een gunstige ligging, een logement, dat gunstig gelegen is. Aan ligging is dus als regel een kwaliteitskenmerk verbonden. Ligging in de zin als in dit artikel bedoeld, is dan het zich wel bevinden in een bepaald geestelijk klimaat, waarbij aanduidingen als wettisch of ruim, zwaar of licht als kenmerken van dat klimaat overkomen. Onze geestelijke ligging houdt verband met, is eigenlijk, als het goed is, onze reactie op hetgeen de Here ons in zijn Woord openbaart omtrent zijn heiligheid en ons zondaar zijn en dat dank zij de werking van zijn Geest. Voor deze beperking vraag ik, in verband met hetgeen verder volgt, wel de aandacht. Elke ligging heeft, helaas, haar meelopers, mensen waar dit werk van Gods Geest (nog) niet aanwezig is, voor wie de „ligging” geen hartezaak werd. Zij behoeven een andere geestelijke bearbeiding dan degenen, die heilbegerig zuchten en niet verder komen, dan wel met alle bestrijding aan hun geloof eigen, toch mogen zeggen de vaste grond van hun behoud gevonden te hebben.

Ter illustratie van de door mij bedoelde liggingsverschillen geef ik hieronder twee gesprekken weer op huisbezoeken, zoals die ongetwijfeld onder ons voorkomen.

Op het ene huisbezoek gaat het om de vraag hoe een zondig mens met een heilig God wordt verzoend. Omdat de Here zelf daartoe de weg gebaand heeft en Zijn Zoon heeft gegeven tot een verzoening van onze zonden - aldus het antwoord van de ouderling. Ja, maar de zonden van wie, is de reactie. Daar gaan de wegen uiteen en komen de situaties waarin de ambtelijke leiding - ook in de prediking - zo belangrijk wordt. Immers, zondekennis, zegt de een - ook op het door mij veronderstelde huisbezoek - doet niet zo gauw over verlossing en dankbaarheid spreken. Er moet wat gebeuren van Gods zijde in de weg der ontdekking. Onze doodsstaat, hebben wij daar wel voldoende weet van? Lees ons doopformulier maar eens. Wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, kinderen des toorns. Wij kunnen in Gods rijk niet komen, tenzij wij wederom geboren worden. Daar kont het op aan; God moet beginnen. En daar wacht ik op -aldus krijgt de ouderling te horen.

Men wacht op de zekerheid van dat begin. En hoe krijg ik die zekerheid? Ja, door het geloof. Maar ik ben zo bang, aldus kan de reactie zijn, mij iets toe te eigenen dat een valse grond zou zijn. Want als ik op mijzelf zie! Het is zo donker en het verandert maar niet. Het Avondmaal is nog zo ver in zo’n gesprek. Aanknopingspunten voor de ouderling overigens te over voor een schriftuurlijk en bevindelijk gesprek.

Een andere reactie, b.v. in de lijdensweken. De preek van zondagochtend bracht ons in gedachten bij het kruis van Golgotha. Christus' bloed vergoten tot een verzoening van al onze zonden. Gedenkt en gelooft! Ik mocht dat geloven, ook ik kostte Hem die slagen. Ik heb het er wel moeilijk mee gehad, maar dat is mijn houvast, dat de Here toch een waarmaker van Zijn Woord blijft, ook in mijn leven. Want een wonder, aldus de ouderling, dat kruis van Golgotha een verzoening van al onze zonden. En wat heerlijk dat bij brood en beker bevestigd te mogen zien. Maar dan ook geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid. Wat een strijd! Gelukkig te weten en te mogen geloven dat, als wij zonden vallen, wij aan Gods genade niet mogen twijfelen, noch in de zonde blijven liggen, immers wij hebben een eeuwig verbond met God.

Twee gesprekken. Ik heb getracht daarin het wezen van wat ik meen dat wij onder liggingsverschillen moeten verstaan, te benaderen. Natuurlijk is hiermee niet alles hierover gezegd. Want tussen het „niet” of „nog niet” van de avondmaalsgang en het „ja” daarvan ligt zo vaak de strijdvraag in ons zondige hart of Gods genade inderdaad ervaren wordt. Er is zoveel in de strijd des geloofs, dat tegen ons getuigt. Het „en toch” is dan zo ver. En zou „ligging” dan niet betekenen het gebonden blijven in de twijfel of het blijvend dankbaar mogen beleven van de persoonlijke toeëigening door het geloof?

Liggingsverschillen, zoals omschreven, behoeven een geestelijke eenheid niet in de weg te staan. Waar dat wel zo is -en de Satan probeert dat- ligt een taak voor het pastoraat. Men trekt echter naar mijn gevoelen het beeld van ons kerkelijke leven scheef, als men over de totaliteit van ons kerk zijn het odium legt van dat gaat daar mis, de flanken of hoe men de gesignaleerde verschijnselen wil noemen, verdragen elkaar niet of niet lang meer. Wat plaatselijk door een goede ambtelijke bearbeiding, dank zij Gods zegen, mogelijk is, blijft landelijk een ideaal dat bereikbaar moet zijn.

Herkomst

Na deze poging liggingsverschillen te omschrijven eerst iets over hun herkomst. Zij zijn er de eeuwen door in Gods gemeente geweest. Reeds Thomas had een vermaning nodig omdat hij het woord van zijn Meester, dat door zijn medediscipelen was bevestigd, zonder nader bewijs niet geloofde. Zalig, zegt de Heiland dan, die niet zullen zien en toch geloven.

Vanwaar het verschil in het zich welbevinden in een bepaalde geestelijke sfeer? Ik denk dat enkele oorzaken, waar wij ook vandaag mee te maken hebben, aanwijsbaar zijn. Oorzaken, die deels liggen in de Woordverkondiging, in de ontwikkelingen van het reformatorische belijden en beleven in de tijden van de Reformatie, de Nadere Reformatie en in ons land met de nawerking daarvan, vooral na 1834 en 1892. Lectuur hierover is er te over. Zie Brienen: Prediking en vroomheid bij Reformatie en Nadere Reformatie - uitg. Kok. En wat betreft ons eigen kerkelijke leven enkele bijdragen in het gedenkboek 1982 „En toch niet verteerd”. Heel leerzaam was b.v. voor mij bij het gereedmaken van dit artikel de bijdrage van prof. Van ’t Spijker in dit boek over „Spanningen de jaren door”. Hij wijst erop dat bij de erfenis van de vorige eeuw een diversiteit behoort, die er altijd binnen de gereformeerde gezindte is geweest, ook van meet af binnen de herstelde christelijke gereformeerde kerk sinds 1892 (pag. 127).

En toch geloof ik, dat deze historische ontwikkeling niet alles verklaart. Bij de individuele mens zijn er altijd met zijn persoonlijkheid verbonden factoren, die mede invloed hebben op de stand van zijn of haar geloofsleven. Herkomst, opvoeding, het gezin waarin men groot werd, het werk dat men vond, het huwelijk, de sfeer waarin men, zeg maar, de middelbare leeftijd bereikte, zijn altemaal factoren, die in belangrijke mate bepalend zijn voor ons geestelijk zijn. Het is Gods Geest die ons als schepsel Gods vindt zoals we zijn, en ons als schepsel Gods ongeacht onze aanleg en persoonlijkheid, maar ook met ons door de zonde soms lichamelijk, maar zéker geestelijk getroffen mens zijn, roept tot Zijn dienst.

En nu het werk als ouderling

En dat in een gemeente met de beschreven liggingsverschillen.

Je hebt de benoeming, na een roeping via een stemming als door de Here zelf zo gewild, aanvaard. De gemeente heeft dus in meerderheid vertrouwen in je. Maar als ouderling heb je de roeping de gehele gemeente te dienen. Dat vraagt bekendheid met de situatie in de gemeente maar ook zelfkennis, waar je wel biddend mee bezig mag zijn. Het kan nuttig zijn nog eens kennis te nemen van „De ouderling persoonlijk” in „Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente”, vooral het daarin door Koole op pag. 188 genoemde. Hij schrijft daar, dat de ouderling een voortdurend gebed past om er zeker van te mogen zijn, dat men zelf deel heeft aan wat men anderen verkondigt. En waar voel je dan jezelf in de gemeente geestelijk thuis? Het is zo belangrijk in een situatie met duidelijke geestelijke liggingsverschillen, dat Gods Geest de ouderling bij het licht van zijn Woord en dank zij zijn grote genade persoonlijk de strijd om de vreugde van het geloof in de schuldvergeving om Christus' wil doet ervaren. Dat maakt het gemakkelijk om in Gods gemeente ondanks aanwezige liggingsverschillen vruchtbaar werkzaam te zijn. Als grote bezwaren ervaren zaken in de gemeentelijke situatie verliezen dan, althans voor de ouderling, hun belang. Wat maakt dat een gesprek op huisbezoek over bezwaren tegen de wensen en visie van anderen gemakkelijk! De geloofservaring te beleven dat, even zeker als bij het komende Avondmaal - aldus de ouderling - het brood wordt gebroken en de wijn wordt vergoten, ook uw zonden zijn vergeven, dat is belangrijk. Zo’n gesprek kan tot Christus leiden, al is het aanvankelijk maar in de hartelijke begeerte en het kan ten onrechte als groot ervaren zaken zo klein maken.

Maar bij dit alles moet je als ouderling in liefde om des Heren wil aanvaardbaar zijn en het vertrouwen van de gemeente hebben. Dat vraagt een biddend leven en brede kennis van wat op kerkelijk terrein leeft en zich ontwikkelt. En niet alleen op kerkelijk terrein maar ook maatschappelijk en staatkundig. Zie b.v. „Uit liefde” pag. 128 e.v. Ooster-hoff „De ouderling en de geloofsvragen van deze tijd”. Immers ook bij liggingsverschillen vraagt de roeping van de ouderling om duidelijkheid en beslistheid, niet het minst ook daar waar zaken als het Schriftgezag en de ethische problematiek in onze kring vragen oproepen. Denk maar eens aan gezinnen met schoolgaande of doorstuderende kinderen.

Maar niet alleen het troostend en opbouwend element verdient in het pastoraat de aandacht. Daar waar b.v. de avondmaalsgang een automatisme zonder geestelijke bewogenheid wordt of dreigt te worden, is een waarschuwend woord zeker op zijn plaats. Want in de ambtelijke dienst in een gemeente met de in dit artikel bedoelde liggingsverschillen is de gemeentebeschouwing een hoogst belangrijke zaak. In het reeds aangehaalde artikel van prof. Van’t Spijker in „En toch niet verteerd”, pag. 128/9, beschrijft hij een meningsverschil uit de jaren twintig over het karakter van de geloofsbelijdenis. Belijdenis des geloofs of der waarheid? Kan en mag de kerk een levend geloof verwachten bij hen die zij toelaat tot de openbare geloofsbelijdenis? Destijds werd (door wijlen prof. Van der Schuit) reeds staande gehouden dat de kerk niet met minder kan volstaan dan met de eis te stellen van een waarachtig geloof. In het geding was, aldus het commentaar van prof. Van ’t Spijker, ten diepste de vraag of wij zullen begeren kerk te zijn naar Schrift en belijdenis dan wel of wij een willekeurige vergadering van luisteraars zijn zonder innerlijke samenhang. Een stukje erfenis uit het verleden, maar ook onder ons een nog levende zaak. Hoe is b.v. de aanspraak van de gemeente des zondags? Het kan gemakkelijk aanleiding zijn voor een vraag op huisbezoek. Is het een begroeting van de gemeente des Heren? En wat is dan het antwoord van de kerkeraad en welke leiding gaat er in dat opzicht uit, ook via het huisbezoek?

Want in wezen is hier onze leer omtrent het genadeverbond in het geding. Gemeente des Heren, aangesproken door Gods beloften, geroepen tot het heil. Hier gaan ook onder ons de wegen, althans in de praktijk, nog vaak uiteen. Daarom kan het dienstig zijn nog eens kennis te nemen van een deel van het „getuigenis” dat onze generale synode van 1953 deed uitgaan. Zie o.a. „En toch niet verteerd”, pag. 132 e.v. De kern ervan is op pag. 133 samengevat. Kort weergegeven kan worden gezegd, dat er door de synode op werd gewezen, dat in de ambtelijke bediening de rijkdom van het genadeverbond - het zalig worden als een wonder van Gods genade alleen - vergezeld behoort te gaan van de waarschuwing tegen het automatisme van een vanzelfsprekende genadeërvaring. Geloof en bekering blijven noodzakelijk in het licht van het verbond, maar hoe ellendig de mens in zichzelf zich ook mag bevinden, krachtens Gods verbondsbelofte heeft hij een recht om te geloven. Wat maakt dat Gods roeping tot zijn heil belangrijk! Uit diepten van ellenden - hoe en in welke mate ook ervaren - leidt de weg tot het wonder van Golgotha, door het geloof, hoe zwak soms en bestreden. Bij deze voorstelling van het verbond en de beleving ervan zal - aldus het „getuigenis” ook de toegang tot het Heilig Avondmaal zowel worden beperkt als op goede gronden ontsloten, beperkt voor hen voor wie Gods genade geen wonder is geworden, maar ontsloten daar waar de kracht van dat wonder, al is het maar in begeerte, wordt ervaren.

Ook de lezing en bestudering van de studie van prof. Van Genderen over „Verbond en verkiezing” is voor onze ambtsdragers onmisbaar (Kok, Kampen 1984). In het bijzonder wijs ik op de pag.8e.v.Zie ook Exalto „Binnen of buiten” (Kok,Goudriaan 1984). Het gaat hier om fundamentele vraagstukken die vaak, bij velen onbewust, ten grondslag liggen aan hun geestelijke structuur en ligging. De verleiding is groot de hoofdzaken hier weer te geven maar het zou slechts herhaling zijn van wat bekend kan zijn.

Er is ook een wat ouder handboek voor ouderlingen onder de titel „Weid mijne schapen” door ds.Wiersinga sr. Mijn 4e druk is reeds van 1945. Met grote kennis van zaken wordt daarin de weg gewezen voor de bearbeiding van wat wij gewoon zijn liggingsverschillen te noemen. Daarin wordt ook aandacht geschonken aan hen die „koud” zijn. Helaas, welke ambtsdrager kent de moeilijkheid van deze contacten niet. Maar ook de werkelijk „gebondenen”, zij die echt zuchten en zo graag zouden weten „dat het goed met hen staat”, worden in hun noden besproken, waarbij in het bijzonder ook aandacht wordt geschonken aan de grote wisselvalligheid, die voorkomt bij een te veel drijven op het gevoelsleven. In dit opzicht verdient ook in verband met de verhouding Woord en Geest het artikel van ds. J.W. Maris in een van onze vorige nummers de aandacht. Hij schreef onder de titel „Missen wij iets?” over de charismatische beweging. Hoe sympathiek ook, er dreigen daar gevaren, soms dichter bij huis dan wij denken.

Er zijn ook enkele praktische punten voor ouderlingen in een gemeente met liggingsverschillen, die de aandacht verdienen. Ik noem b.v. de verhouding tot en het overleg met de predikant en de medeambtsdragers. Wat is het nodig dat het ambtelijke werk in de gemeente dezelfde uitgangspunten en doelstellingen heeft, vooral als daar duidelijk liggingsverschillen zijn. Het kan in zo’n situatie zelfs nuttig en ook wel nodig zijn, dat voor of na je bevestiging als ouderling een gesprek plaats vindt om je beleidslijn voor de toekomst te bepalen. Een periodiek gesprek op kerkeraadsniveau over de aan de gemeente te geven leiding is dan zeker nodig. En de preekbespreking daarbij vooral niet vergeten! Want de Woordbediening, wat is die belangrijk voor de geestelijke leiding en bearbeiding van de gemeente!

En tenslotte: ik kan er niet omheen dat men als ouderling in een gemeente als men dit artikel op het oog heeft, te eniger tijd in aanraking komt met de wens om bepaalde vernieuwingen doorgevoerd te krijgen. De situatie in ons kerkelijke leven brengt dat nu eenmaal mee als gevolg van de door de generale synode aan de kerken gelaten vrijheid op liturgisch gebied. Wat doe je als ouderling als je op huisbezoek de wens tegenkomt iets te vernieuwen, zeg maar het vrouwenstemrecht in te voeren. Deze of andere vernieuwingen treft men in genabuurde gemeenten aan. Wat daar kan, mogen wij toch ook vragen?

De eerste reactie kan dan zijn een verwijzing naar de kerkeraad, mogelijk is het al een oud punt waar in je gemeente en bij de kerkeraad al een gevestigde mening over bestaat. Maar ook als de aandrang toeneemt, kan hernieuwde bezinning nodig zijn. Hoe te handelen als ouderling in gevallen, waarin hernieuwde bezinning nodig is en de meningen zijn verdeeld? Stel, je behoort tot een minderheid, welkedan ook, voor of tegen. En de meerderheid van de kerkeraad beslist anders dan je zou willen. Gedraag je dan als constructieve minderheid, je ambt waardig. Van groot belang is in zo’n situatie dat ondanks dat meningsverschil de kerkeraad en in het bijzonder de predikant (als de gemeente zo rijk is) het vertrouwen hebben van de gemeente als geheel. Dan kunnen zij als veilige gids de gemeente leiden. Zelfs kan dat betekenen, dat een kerkeraadsbeslis-sing wordt aanvaard, omdat men ondanks blijvende meningsverschillen bemerkt, dat de leiding een juist inzicht had in de weg om de eenheid van de gemeente te bewaren.

De praktijk leert helaas dat liggingsverschillen als in dit artikel bedoeld, vaak herkenbaar zijn uit de reactie van betrokkenen op wensen inzake vernieuwingsverschijnselen op liturgisch gebied, ook al zijn deze door de synode vrijgegeven. Reacties die dan tot polarisatie uitgroeien. Wat is het gelukkig, dat de Koning der Kerk, die onze harten kent, een andere norm hanteert om zijn kinderen te kennen, immers „dit is de wil mijns Vaders, dat die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe (Joh. 6: 40).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.