+ Meer informatie

Onderscheiden dooppraktijk vertraagt SoW

8 minuten leestijd

De hervormde classis Alblasserdam nam als eerste het besluit. Harderwijk volgde. Beide keerden zich tegen classicale herindeling. Wat was hun motief? Van groot belang bij die afwijzing was dat de 'noodzaak' van herindeling vooral ingegeven is door de begeerte om het Samen-op-Wegproces te bevorderen. Als de classes van de Gereformeerde Kerken en die van de Hervormde Kerk dezelfde grenzen zouden hebben, zou het ideaal van de ene kerk weer wat dichterbij gekomen zijn. Maar (het verzet tegen) die aanpassing vormt niet het enige knelpunt. Er zijn ook problemen van theologische aard. Ik bedoel de onderscheiden dooppraktijk in beide kerken.

De toenmalige secretaris van de Raad van Deputaten Samen op Weg, ds. B. J. Aalbers, schreef in 1978 een boekje met als titel "Samen door één doop". Maar, zo zei hij medio mei in een reportage in het blad "Kerk": „Dat is één van de belangrijkste punten die tijdens mijn periode als secretaris niet zijn opgelost". Er is dus sprake van onderscheid in de dooppraktijk tussen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Ik laat de ook in SoW participerende lutheranen buiten beschouwing. Het onderscheid kan grofweg getypeerd worden in deze regel, dat binnen de Gereformeerde Kerken nog steeds een van de doopouders belijdend lid moet zijn. Anders gaat de doop niet door. Terwijl het in de Hervormde Kerk genoeg is als de ouder(s) dooplid is/zijn. Al menen vele hervormden met hun beroep op de hervormde kerk „alhier" een reformatorischer weg te gaan dan in het grote geheel van de Hervormde Kerk gebruikelijk is. Ten aanzien van beide standpunten zijn wel wat relativerende kanttekeningen te maken.

Gereformeerd

De in het genoemde nummer van "Kerk" aan het woord komende gereformeerde ds. F. Huisman uit Hazerswoude beriep zich bij de verdediging van het standpunt dat ten minste één ouder belijdend lid moet zijn, op de oude Dordtse Kerkorde. Persoonlijk kan ik mij in dit standpunt -het belijdend lidmaatschap van een van beide ouders als voorwaarde om een kind ten doop te mogen houden— goed vinden.

De ouders doen, althans bij de beantwoording van de vragen uit het klassieke formulier, in feite eerst belijdenis van hun geloof. Dat heeft ten diepste niet minder gewicht dan de gebruikelijke geloofsbelijdenis, los van de doopsbediening. Waarom zouden zij deze dan niet aandurven? De ouders beloven vervolgens de dopeling te onderwijzen in deze leer der zaligheid. En hoe zal een kerkeraad ouders die daarin te kort schieten kunnen vermanen, of hun via de censuur de voorrechten van het lidmaatschap onthouden, als die ouders niet de status van belijdend lid hebben?

Toch spreekt de Dordtse Kerkorde minder stellig over het lidmaatschap van een der ouders als vereiste voor de kinderdoop dan in de woorden van ds. Huisman gesuggereerd wordt. Artikel 61 maakt duidelijk dat er zonder de „belijdenis der gereformeerde religie" (en zonder het getuigenis van een vrome levenswandel) geen sprake kan zijn van toelating tot het heilig avondmaal. Maar artikel 56 -over de heilige doop— noemt geloofsbelijdenis niet uitdrukkelijk als voorwaarde. Op de vraag welke kinderen gedoopt moeten worden, luidt het antwoord van artikel 56 eigenlijk: „de kinderen van de christenen".

Hervormd

Volgens het hervormde standpunt hoeven de ouders die hun kind ten doop houden, niet beslist belijdend lid te zijn. Maar het aan artikel 56 ontleende —dat aan „de kinderen van de christenen" de doop bediend moet worden— mag niet uitgelegd worden ten gunste van de gedachte dat het niet uitmaakt of ouders nu als doopleden of als belijdende leden hun kind ten doop houden. Neen, wie aanspraak maakt op de christennaam, heeft verplichtingen. Ook de plicht van het -overeenkomstig artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis— zich voegen bij de ware kerk. Door geloofsbelijdenis af te leggen.

Anderzijds heeft men —met name in de tijd van de Reformatie— niet altijd het lidmaatschap van de kerk door geloofsbelijdenis als een absoluut vereiste gezien voor het ten doop houden van een kind. Roomse ouders die nog geen lid waren van de Hervormde (gereformeerde) Kerk, durfden soms nog niet met de Rooms-Katholieke Kerk te breken. Als dergelijke ouders vroegen of hun kind in de kerk der Reformatie gedoopt kon worden, heeft de kerkeraad daar meer dan eens bevestigend op geantwoord. Mits de ouders aan gereformeerde doopgetuigen opdracht gaven om voor de opvoeding te zorgen.

Verwarde tijd

De geschetste mogelijkheid bestond bij de gratie van de verwarring. Daar kwam een eind aan toen zich de scheiding tussen rooms-katholiek en hervormd (gereformeerd) in het maatschappelijk leven duidelijker ging aftekenen en toen de situatie minder verward werd. Daarna waren het alleen de kinderen van lidmaten die gedoopt mochten worden. En nog —maar niet eens zo veel— later kregen wij al te maken met de problematiek van de "volkskerk".

Wie denkt vanuit een hervormde positie, moet tot de conclusie komen dat er in de huidige kerkelijke situatie in sommige gevallen meer reden is om een kind te dopen van ouders die zelf geen geloofsbelijdenis aflegden, dan om het kind van bepaalde belijdende leden te dopen. In die gevallen namelijk waarin schroomvallige ouders die zichzelf niet voor Gods volk kunnen houden en daarom geen belijdenis durven doen, staan naast belijdende leden die van de gereformeerde belijdenis niets willen weten en er een eigen 'geloof' op na houden.

Dat is niet in strijd met de soepelheid waarmee onze gereformeerde vaderen in de tijd van de Reformatie in sommige gevallen zijn opgetreden. Wij kunnen immers rustig zeggen dat er in onze post-christelijke tijd opnieuw sprake is van verwarring. De kerk der Reformatie is een modaliteitenkerk geworden. Meer modaliteitenkerk dan de zogenoemde afgescheiden kerken.

Misvatting

De bij beide dooppraktijken gemaakte kanttekeningen verhinderen mij niet een paar misvattingen ter sprake te brengen. De eerste kwestie is, dat er soms gezegd wordt dat het gereformeerde standpunt —minstens één ouder moet belijdend lid zijn— tekort zou doen aan het genadekarakter van het geloof. Ds. Aalbers zei in "Kerk": „Er is een overaccentuering van wat wij presteren, in plaats dat wordt gekeken naar de ruimte van Gods verbond".

Dit is, zei ik, een misvatting. Wèl is het een reëel gevaar voor 'gereformeerden' om zich te verheffen op en tevreden te zijn met het afleggen van hun geloofsbelijdenis. Om zich daardoor als het ware automatisch verzekerd te weten van de voorrechten in de kerk. Waaronder het gebruik van de sacramenten. Dat is afkeurenswaardig. Dan ligt het accent inderdaad op wat de mens doet.

Maar in plaats dat men het afleggen van belijdenis des geloofs als prestatie ziet, dient men het te beschouwen als gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid uit liefde tot de enige ware God en Zaligmaker. En die voortvloeit uit wat Johannes zegt: „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad".

Consumptie

Prestatie „in plaats dat wordt gekeken naar de ruimte van Gods verbond", zei ds. Aalbers. Kijk, dat het genadeverbond ten diepste van één kant komt, vanuit Gods eeuwig welbehagen, dat is waar. Maar dat de oneindige ruimte van het genadeverbond geen verplichtingen zou inhouden, dat is onjuist. Verplichtingen, jazeker, maar weer: vanuit de liefde van de nieuwe gehoorzaamheid, in de wedergeboorte gewerkt door Gods Geest.

De verplichting, zo lijkt ds. Aalbers te zeggen, dat een van dp doopouders in elk geval belijdend lid moet zijn, doet tekort aan „de ruimte van Gods verbond". Is dat zo? Neen, ik geloof dat degenen die zó denken, er grondig naast zitten. Alsof goddelijke genade de mens wel tot 'consumptie' maar niet tot verplichtingen zou brengen. Verbond en genade geven verplichtingen. Wie dat niet honoreert, dreigt op dezelfde klip te stranden als die mensen van wie de apostel Paulus zei: Ze zeggen: „Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?"

Visie op verbond

De bredere dooppraktijk in de Hervormde Kerk hangt ongetwijfeld samen met de bredere visie op het genade verbond, zoals die niet alleen in de woorden van de gereformeerde(!) ds. Aalbers, maar ook in de hervormde kerkorde tot uitdrukking komt. Deze visie is niet geënt op de oude calvinistische gedachte van een tweeërlei wijze van zijn in het verbond. Waarmee nog niet gezegd is dat de huidige Gereformeerde Kerken zich wèl in dit spoor bevinden. Hoe het ook zij, met de brede visie hangt de gedachte samen, dat allen tot de Hervormde Kerk behoren die uit hervormde ouders geboren zijn. Dat zijn de zogeheten geboorteleden. En zo kunnen mensen tot de kerk —en dus tot het verbond— gerekend worden die al geslachten lang de kerk nooit meer van binnen zagen. Deze gedachtengang leidt op z'n minst tot praktische problemen rond pastoraat en evangelisatie.

Grenzen

Het verschil in dooppraktijk tussen hervormden en gereformeerden hangt in wezen samen met de vraag waar de grenzen liggen van het genadeverbond. En daar is al veel over gesproken en geschreven. Het onderscheid in dooppraktijk heeft dan ook niet alleen te maken met kerkorde-artikelen, maar met de geloofsleer.

Dat alles is op zichzelf genomen erg. Maar als dit verschil een vertraging -nog liever een verhindering— zou opleveren van het Samen-op-Wegproces, dan zou dat niet erg zijn. Want nog tijdens de laatste synodevergadering merkte ds. R. van Kooten op: „Ik zal me niet thuisvoelen in de nieuwe Samen-op-Wegkerk en heb niet de indruk dat het herenigingsproces uit God is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.