+ Meer informatie

De Pinksterbeweging III

13 minuten leestijd

In de voorgaande artikelen is nog geen volledige beschrijving gegeven van de kenmerken van de Pinkstergroepen. Er is meer van te zeggen. Maar voordat wij nagaan wat er in deze kringen verder geleerd wordt, vragen wij ons af, hoe wij moeten oordelen over de leer van de doop met de Heilige Geest en de leer van de geestelijke gaven, waarmee wij kennis gemaakt hebben.

Het ontbreekt aan Schriftbewijs

Elke sekte maakt zich sterk met een aantal Bijbelteksten. De Pinksterbeweging beroept zich vooral op het boek Handelingen en op 1 Cor. 12 en 14.

De term „gedoopt worden met de Heilige Geest” wordt ook aan enkele teksten ontleend. Van Christus wordt in de Evangeliën gezegd, dat Hij met de Heilige Geest — en met vuur — zal dopen (Matth. 3: 11, Joh. 1: 33). Maar daar staat niet, dat dit een geestelijke evaring is, die boven de vernieuwing en heiliging door de Geest uitgaat. De Heiland sprak het woord: Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na dezen (Hand. 1: 5).

Daarmee wordt een bijzondere gebeurtenis aangeduid. Maar welke? Het ziet op de uitstorting van de Heilige Geest. Maar het Pinksterfeest is uniek. Het heeft zijn uitwerking in de geschiedenis, maar het herhaalt zich niet evenmin als de andere heilsfeiten. De belofte van Hand. 1: 5 is vervuld. Wel kan erop gewezen worden, dat het spreken in tongen, waarvan wij in Hand. 2 lezen, in de apostolische kerk meer voorkwam bij het ontvangen van de Heilige Geest. Het is echter opmerkelijk, dat er dan geen tongen als van vuur zijn en geen geluid als van een geweldige windvlaag zoals op het Pinksterfeest in Jeruzalem.

Er is geen „nieuw Pinkteren”. Er zijn na de uitstorting van de Heilige Geest nog wel bijzondere manifestaties van de werking van de Geest geweest: in Samaria bij de eerste doorbraak van het evangelie buiten het Jodendom (Hand. 8), bij Cornelius (Hand. 10) en bij de discipelen in Efeze, die nog nooit van de Heilige Geest hadden gehoord (Hand. 19). Dit zijn buitengewone situaties geweest, waarin het werk des Heren op onweersprekelijke wijze blijken moest. Zo kon Petrus de doop van Cornelius en de zijnen verdedigen: het was onmiskenbaar, dat zij de Heilige Geest hadden ontvangen (Hand. 11: 15-18). Lang niet in alle gevallen volgen er echter bepaalde tekenen op het komen tot het geloof. Wat wij in Hand. 8 over de kamerling en in Hand. 16 over Lydia lezen, doet meer „gewoon” aan. Het is er niet minder het werk van de Geest om. En in het Nieuwe Testament tekent zich al duidelijk af, dat het buitengewone meer en meer op de achtergrond raakt zonder dat hier aan een teruggang gedacht moet worden. Of de Heilige Geest zich in deze tijd niet op dezelfde wijze zou kunnen openbaren als in de dagen van de apostelen? Wij mogen Zijn vrijmacht niet beperken. Maar het is ook een beperking van zijn vrijmacht om te stellen, dat het nog precies zo moet gaan! Dit is niet op te maken uit de beschrijving, die in het boek Handelingen gegeven wordt. En ook niet uit de Brieven. Van de zijde van de Pinksterbeweging wordt de aandacht ook gevestigd op Ef. 5: 18: Wordt vervuld met de Geest. Staat dat niet op één lijn met het vervuld zijn met de Heilige Geest op de Pinksterdag?

In de Bijbel betekent een woord als „vervuld” echter niet altijd het zelfde. Het zijn in Hand. 2: 4 en in Ef. 5: 18 trouwens nog twee verschillende woorden. Vervuld worden met de Heilige Geest leidt volgens Ef. 5 niet tot glossolalie en andere bijzondere verschijnselen. Er is alleen sprake van zingen, jubelen en danken. Sommigen gebruiken de uitdrukkingen „gedoopt worden met de Heilige Geest” en „vervuld worden met de Heilige Geest” door elkaar. Men heeft het zelfs over „vervulde christenen”. Zij hebben die geestelijke ervaring gehad en blijkens het spreken in tongen hebben zij deel aan de Heilige Geest en Zijn gaven: Anderen maken wel onderscheid tussen het een en het ander. Volgens de Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland (in haar antwoord aan de Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk) is het spreken in tongen niet het enige teken van de doop met de Heilige Geest. En deze doop is op zichzelf nog weer geen garantie voor de vervulling, die immers ook langzaam komen kan, en die steeds nodig is, zal men niet terugvallen in het oude leven.

Maar welke onderlinge verschillen er ook zijn, alle Pinkstergroepen houden eraan vast, dat de christen na de wedergeboorte nog een speciale doop met de Heilige Geest moet hebben.

Door deze doop of door de „vervulling” zou men een plus ontvangen. Er zou dan niet alleen leven maar ook kracht zijn. Deze scheiding tussen vernieuwing en vervulling, geestelijk leven en geestelijke kracht, de mens, die alleen object van de Geest, en de mens, die instrument van de Geest is, moeten wij zeer bedenkelijk noemen. Onderscheidingen zijn er wel, maar het is op grond van de Heilige Schrift onmogelijk om het een van het ander te scheiden. Christenen zijn in het Nieuwe Testament mensen, die Christus toebehoren. Door de Heilige Geest delen zij in Zijn gemeenschap en leven zij van Zijn gaven. Zij zijn allen — niet sommigen wel, anderen niet — met één Geest gedrenkt en tot één lichaam gedoopt (1 Cor. 12: 13). Zij hebben allen een zalving van de Heilige (1 Joh. 2: 20). De Heilige Geest woont in de gemeente van Christus (Ef. 2: 22), Hij woont ook in de gelovigen (1 Cor. 6: 19). Daarom zijn zij niet in het vlees maar in de Geest (Rom. 8: 9): in het krachtenveld, in het machtsgebied, onder de heerschappij van de Geest (dr. H. N. Ridderbos).

De Bijbel zegt het op meer dan één wijze, maar van Christus zijn en de Geest van Christus hebben, is onlosmakelijk verbonden. Dan is er ook een leven door de Geest of door de kracht van de Geest, en een wandelen door de Geest. Dat wordt openbaar in de vrucht van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Gal. 5: 22). Wanneer de gelovigen met kracht gesterkt worden door de Geest in de inwendige mens, zoals Paulus bidt (Ef. 3: 14-21), is dat, opdat Christus door het geloof in de harten woning make. Wij vernemen niets van tongentaai of andere geestelijke gaven, die hiervan het bewijs zouden zijn. Wel spreekt de apostel over de liefde: het geworteld en gegrond zijn in de liefde en het kennen van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Zo is er een vervuld worden tot al de volheid Gods. In dit alles wordt God verheerlijkt in Christus Jezus. Daar gaat het de Heilige Geest om. Hij zal Christus verheerlijken (Joh. 16: 14). Is er iets dat aanleiding geeft om de opvatting van de Pinkstergroepen over het ontvangen van de Heilige Geest over te nemen? Ik meen van niet.

Maar één belangrijk onderdeel vraagt nog meer bespreking. Hoe te denken over de gaven van de Geest, waarvoor deze groepen vooral verwijzen naar 1 Cor. 12: 8-10? Hierbij moet worden opgemerkt, dat men dit Schriftgedeelte niet mag isoleren. Ook in Rom. 12: 6-8 worden verschillende genadegaven genoemd. De apostel Paulus gebruikt in Rom. 12: 6 en in 1 Cor. 12: 4 het woord „charismata” Bij een vergelijking zien wij, dat alleen de profetie zowel in Rom. 12 als in 1 Cor. 12 wordt vermeld. Behalve aan 1 Cor. 12: 8-10 denken wij aan 1 Cor. 12: 28-30, en daarnaast moet behalve om. 12: 6-8 ook Ef. 4:11, 12 worden gelegd. Het is onjuist om alleen aan 1 Cor. 12: 8-10 een leer van de geestelijke gaven te ontlenen en om van de opsomming, die de apostel daar geeft, een norm te maken. Met nadruk wijst de apostel op de verscheidenheid van charismata. Wij zullen daar een open oog voor moeten hebben. Het gaat niet aan om alleen bepaalde gaven als de specifieke kenmerken van de werking van de Heilige Geest te beschouwen. Men mag de geest van de tongentaai, de gave van de profetie en de gave van de genezing niet verabsoluteren tegenover de andere gaven. Er zijn er veel meer. Dat Paulus in 1 Cor. 14 vooral spreekt over de tongentaai en de profetie, had zijn reden. Hij moest daar regels voor geven om verwarring in de gemeente te voorkomen! Volgens 1 Cor. 12 zijn ook het spreken met wijsheid en met kennis gaven van de Geest. Volgens Rom. 12 ook dienen, onderwijzen, vermanen, uitdelen, leiding geven en barmhartigheid bewijzen — minder opvallend misschien, maar niet minder geestelijk. De leden van het lichaam van Christus ontvangen gaven „tot welzijn van allen” (1 Cor. 12: 7). Ze moeten gebruikt worden tot opbouw van de gemeente. Maar ook de ambten zijn daarvoor gegeven (Ef. 4: 12). De apostel Paulus maakt met het beeld van het ene lichaam en de verschillende functies van de lichaamsdelen duidelijk, hoe de Here voor elk van de Zijnen een eigen plaats en taak heeft. Aan niemand wordt àlles geschonken, opdat hij niet, voldaan over het zijne, zich van de anderen zou afzonderen en voor zichzelf alleen zou leven. Niemand heeft in de gemeente van Christus zo weinig, dat hij niet iets van belang zou kunnen bijdragen, dat ons ten goede komt (Calvijn). Men mag daarom niet zeggen, dat een christen, die de gave van de wijsheid heeft en niet die van de profetie of wel de gave van het leiding geven maar niet die van het spreken in tongen, nog niet toegekomen is aan het volle leven, dat de Geest geeft. In de Pinkstergroepen denkt men in schema’s, terwijl het geestelijke leven en de geestelijke gaven niet in een schema te brengen zijn. Over de geestelijke gaven, die door de Pinksterbeweging zo sterk vooropgesteld worden (de tongentaai, de profetie en de gave der genezing) is ook nog wel iets te zeggen. Maar eerst enige bezwaren tegen deze leer van de doop met de Heilige Geest en de gaven van de Geest in het algemeen.

Ernstige bezwaren

1. De opvattingen van de Pinksterbeweging leiden tot een opsplitsing van de ene gemeente. Men verdeelt de gelovigen in twee groepen. Er zijn er, die wel wedergeboren en gerechtvaardigd zijn, maar die daarbij zijn blijven staan. Er is een geestelijke elite, die met de Heilige Geest gedoopt is en de geestelijke gaven bezit. Heeft men daar geen deel aan, dan is men geen volwaardig christen! Dan bevindt men zich hoogstens in de voorhof maar heeft geen toegang tot het heiligdom zelf. Dat is in strijd met het Nieuwe Testament, dat niets van een dergelijke classificatie weet. Het is één lichaam en één Geest, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen (Ef. 4: 4-6). Het gevaar is groot, dat de „elitechristenen” van de Pinkstergroepen zichzelf in geestelijke hoogmoed gaan verheffen boven anderen. Zij zijn de christenen in de stijl van Pinksteren. Zij zijn vervuld met de Heilige Geest en daarom vol kracht en blijdschap.

Het christendom zou alleen echt zijn in een enthousiaste sfeer, bewogen en op het extatische af. Alsof een oprecht christen zijn geloof altijd zo sterk emotioneel moet beleven! Geestdrift is nog geen teken van de aanwezigheid van de Heilige Geest. Wie aan het ideaal van de groep niet beantwoorden — de overgrote meerderheid — zijn hoogstens „christenen onder de maat die noodzakelijk hogerop moeten, terwijl men vermoedelijk uiteindelijk bedoelt, dat het maar ingebeelde christenen zijn” (dr. S. van der Linde).

Scherp is de kritiek ook op de kerken, die het naamchristendom in de hand zouden werken, omdat ze niet meer open zouden staan voor de werking van de Heilige Geest. Dat haar „schriftgeleerden en farizeeërs”, de theologen, de goddelijke waarde en de heilsnoodzakelijkheid van de doop met de Geest betwijfelen, de wondergenezing en overige geestesuitingen van deze tijd niet als werkingen van de huidige „spade regen’ erkennen, zou haar zware zonde tegen de Heilige Geest zijn.

2. De doop met de Heilige Geest staat hier centraal en niet de persoonlijke verhouding tot de Here Jezus Christus. Alles is geconcentreerd op het grote gebeuren, dat men moet meemaken. Men zal plaats en tijd kunnen noemen. Dat is een eis, die methodistisch maar niet bijbels is. Men gaat als vanzelf van deze bijzondere beleving uit om daarop te bouwen in plaats van op het volbrachte werk van Christus. Dat is een verschuiving van het zwaartepunt. Alsof niet het geloof in Christus maar de geestelijke ervaring beslissend is!

3. Er zouden voorwaarden zijn om de doop met de Heilige Geest te ontvangen. Ze worden nog verschillende aangeduid. Volgens Skibstedt zijn het: Aanbidding, blijmoedig geloof, gespannen verwachting, lof en dankzegging, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, eendracht en volharding. Anderen noemen overgave, gebed en geloof (Donald Gee). Volgens het boek van Torrey over de doop met de Heilige Geest moeten er zeven stappen worden gedaan, die hij een voor een beschrijft. Hij besluit met: Wees er zeker van, dat ge aan de voorwaarden hebt voldaan, en vraag er dan eenvoudig om, maak er aanspraak op, handel!

Hoe men het ook voorstelt, de leer van de voorwaarden is een echt wettisch element in de vroomheid van de Pinkstermensen. Het hoogtepunt kan en moet bereikt worden. God vraagt het van iedereen en maakt het ook iedereen mogelijk. Alleen is het van het vervullen van de voorwaarden afhankelijk, of het in iemands leven werkelijkheid wordt. Hangt het hier nog van de Geest af, Die Zijn gaven uitdeelt, zoals Hij dat wil, of van de mens, die bereid is om de aangewezen weg te gaan?

4. Dan rijst de vraag, of het krampachtige streven naar het geestelijk hoogtepunt niet leidt tot het toepassen van een psychologische techniek om het klimaat voor het „vallen van het vuur van de Geest” zo gunstig mogelijk te maken. Door de hooggespannen verwachtingen in de samenkomsten komt men gemakkelijk onder de invloed van suggestie of zelfs tot autosuggestie. En als de spanning, die door het zingen van opwekkingsliederen, het getuigen en het hartstochtelijk bidden al meer opgevoerd is, zich ontlaadt in extatische verschijnselen en men in tongen gaat spreken of profeteren, is dat dan een overweldigd worden door de Heilige Geest of is het zielkundig te verklaren?

Er is niet zelden aanleiding om het laatste te vermoeden. Ook ds. W. Glashouwer zegt in een overigens nogal waarderend stuk over „Het appèl van de Pinksterbeweging” (Kracht van Omhoog, 27 januari 1961): Men zweept soms de stemming op, waardoor de Heilige Geest niet kan gaan werken, maar alleen de menselijke geest in vervoering en tot excessen kan komen. Het hapert in de Pinkstergroepen maar al te veel aan een kritische instelling tegenover hen, die de doop met de Heilige Geest ontvangen zouden hebben en tegenover hun uitingen. Beproeft de geesten, of ze uit God zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.