+ Meer informatie

ZIEK NAAR DE KERK?

6 minuten leestijd

Een ambtsdrager kan in de praktijk geconfronteerd worden met een zieke, die zich afvraagt, of hij, of zij, bij ziekte al of niet de kerkdienst mag overslaan. Doe ik God en mijzelf tekort wanneer ik thuis blijf, doe ik mijn naaste tekort, als ik wel ga?

Het ligt voor de hand aan te nemen, dat een dergelijke vraag niet opkomt, wanneer er sprake is van een griepje, maar pas als er een langduriger ziekte is. Bovendien moet iemand wel in staat zijn te gaan en niet bedlegerig zijn.

Wat moet je als ambtsdrager adviseren?

Paulus schrijft: “verzuim de samenkomsten niet, zoals sommigen onder U gewoon zijn te doen”; dus er moet een goede reden zijn om niet te gaan. Waar ligt onze verantwoordelijkheid?

We moeten onderscheiden onze verantwoordelijkheid tegenover:

- God

- de naaste(n)

- onszelf

Ten eerste onze verantwoordelijkheid tegenover God

Wij geloven, dat geen ding ons bij geval treft, maar dat we alles uit de hand van onze hemelse Vader krijgen, ook ziekte! Natuurlijk is het niet zo, dat onze hemelse Vader ziekte of dood gewild heeft. Integendeel! In onze paradijselijke staat bestond geen ziekte. Ziekte is door de zondeval van de mens in ons bestaan gekomen en is ook bij uitstek een teken van ons bederf. De oorzaak van de aanwezigheid van ziekte ligt in onze zonde, maar duidelijk moet gezegd zijn, dat een bepaalde ziekte bij een mens niet het gevolg is van een bepaalde zonde. Christus is daar heel duidelijk over.

Ziekte is in wezen onnatuurlijk. Het druist in tegen de volmaaktheid van Gods schepping, zoals gezegd: een teken van bederf. We zien dan ook, dat veel ziekten in het O.T. gepaard gaan met onreinheid. De zieke mens is een mens, waarop Gods oordeel extra rust. De toegang tot de tempel is dan ook verboden. Heel pregnant was dat het geval bij de melaatsheid, maar ook bij allerlei andere ziekten en aandoeningen werd een mens als onrein beschouwd en was zelfs het kontakt met zo iemand voldoende om zelf ook onrein te worden. In een dergelijke situatie spreekt het vanzelf, dat kontakt tussen mensen van beide zijden vermeden wordt om de onreinheid niet over te dragen.

Het is God zelf, die een zieke verbiedt in de samenkomst te komen. De heiligheid van God verdraagt zich niet met het onvolmaakte, zoals ook de offerdieren gaaf moesten zijn.

Hoe is dat sinds de komst van Christus op aarde?

Christus bestrijdt de gangbare gedachte, dat iemand zelf, of een van de ouders, door te zondigen verantwoordelijk voor zijn ziekte is. Op de vraag van de discipelen bij de blindgeborene: “wie heeft gezondigd, deze, of zijn ouders?”, antwoordt Jezus: “Noch deze, noch zijn ouders hebben gezondigd.” Daarmee bedoelt Jezus natuurlijk niet, dat zij zonder zonden waren, maar dat de oorzaak van de blindheid niet het gevolg van een bepaalde zonde was. We zien dat Jezus overal de zonde, die bovenal scheiding brengt tussen God en zijn schepsel, wegneemt, door in de eerste plaats zonden te vergeven en dan ook de ziekte te genezen, waardoor de onreinheid wordt weggenomen, als teken van het heil, de “heelheid”, die Hij teweegbrengt.

In Christus zijn we gereinigd voor het oog van God en is er geen scheiding meer tussen God en ons. Er is dus in de nieuwe bedeling geen ruimte voor de gedachte, dat een ziekte ons ongeschikt zou maken om voor Gods oog, of in Gods huis te komen. Integendeel, onder alle omstandigheden mogen we naderen voor de troon van Gods genade. Wellicht hebben we in tijden van ziekte daar nog wel meer behoefte aan dan anders.

Toch kan het wenselijk zijn om ervoor te kiezen om niet naar de kerk te gaan. Dat brengt ons bij de volgende twee punten:

Onze verantwoordelijkheid tegenover de naaste(n)

Wanneer er sprake is van een overdraagbare, een besmettelijke ziekte, zou het van onverantwoordelijkheid getuigen, als men zich temidden van anderen begeeft. Ook al zou het met de beste bedoelingen zijn. Natuurlijk is God bij machte het evt. besmettingsgevaar af te wenden, maar wij zijn mensen, door Hem begiftigd met kennis en verstand. Wanneer we weten dat we een risico vormen voor een ander, mogen we die ander niet in gevaar brengen. Het zou Gode verzoeken zijn, zoals de duivel Christus voorstelde van het tempeldak te springen, Hem voorhoudend, dat God bij machte was Hem te redden. Wanneer we weten besmettelijk te zijn, hebben we een meer dan gerechtvaardigd excuus om de samenkomst te verzuimen. God zelf zorgde in zijn geboden immers ervoor, dat zulke mensen niet in de tempel kwamen? De bescherming van mens en maatschappij stond al in het O.T. op een hoog peil! Onze zorg voor de naaste moet ons ertoe bewegen thuis te blijven, ook al gaat het bv. om een simpele verkoudheid. De ander kan besmet worden en wellicht meer last ondervinden dan wij verwachten.

Ook moeten we ons afvragen of een aandoening voor anderen storend is. Te denken valt aan hoestbuien, waardoor anderen afgeleid worden, of aan onrustig bewegen, wanneer we rugpijn hebben. Telkens zal de vraag moeten zijn, of onze ziekte voor anderen een negatief gevolg kan hebben.

Aan de andere kant moeten we als gemeenteleden openstaan voor anderen, zeker als de ander lijdt onder ziekte of gebrek. We moeten ons hartelijk en warm gedragen, met belangstelling en meeleven. In de gemeente moet plaats zijn voor ieder, ongeacht zijn situatie. Niet alleen een gebed, hoe belangrijk en wezenlijk ook, maar ook persoonlijke belangstelling. In Gods oog zijn we allen als een kostbare parel in Zijn hand.

Er moet in de gemeente van alles ondernomen worden om ook zieke of gehandicapte broeders en zusters een goede plaats te geven in de kerk, zowel figuurlijk als letterlijk. Wanneer dat nodig is moet een aangepaste plaats, of stoel, klaargezet worden. Dat spreekt, naar ik meen, vanzelf.

Tenslotte onze verantwoordelijkheid tegenover onszelf

We hebben de opdracht onszelf lief te hebben, immers het gebod luidt: Heb uw naaste lief, als uzelf. In de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs, hfdst. 6: 19 schrijft hij: “Uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest.” We hebben daarom zorg te dragen voor dat lichaam; we moeten er zorgvuldig mee om gaan. Niet in een verafgoding, zoals bij schoonheidswedstrijden, of in sportverdwazing, maar in besef, dat ook het lichaam deel van Gods schepping is.

In die zin moeten we in geval van ziekte ons afvragen, wat voor onze gezondheid het beste is: kerkgang of niet. Zijn we er zelf bij gebaat? Zullen we zegen ervaren wanneer we door onze aandoening tijdens de dienst geplaagd worden? Staat het bezoek aan de kerk een voorspoedige genezing in de weg?

Tenslotte is het met de huidige communicatiemiddelen mogelijk de erediensten mee te maken, al is het op afstand.

Samenvattend moeten we zeggen dat gemeenteleden niet in gewetensconflict behoeven te verkeren als er medische redenen zijn om een samenkomst niet te bezoeken. Er zijn veel gewettigde redenen aan te geven, maar het bezoek aan de dienst is voor de eer van God, de groei en versterking van het geloof en de onderlinge band van groot belang.

De heer Schut is in het dagelijks leven huisarts te Haarlem/Overveen. Hij is ook ouderling van de gemeente van Haarlem-C.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.