+ Meer informatie

Huisbezoek - mooi en moeilijk

29 minuten leestijd

1. Inleiding

Ongeveer vijftig jaar geleden kwam het in onze kerken regelmatig voor dat op zondag bij de mededelingen werd afgelezen bij wie in die week huisbezoeken zouden worden afgelegd. Ik heb dat gehoord van oudere gemeenteleden en ik heb het zelf als kind ook nog meegemaakt. De kerkenraad stelde per week een rooster op: twee huisbezoeken per avond. Dan kwamen de dominee en een ouderling. En je werd geacht dan thuis te zijn om huisbezoek te krijgen. Erg lang konden die huisbezoeken niet duren en daarom kwam al vrij snel de vraag naar boven hoe men persoonlijk stond tegenover de HERE en Zijn dienst. Daar ging het immers om! Andere gespreksonderwerpen konden in feite niet meer dan een aanloop vormen naar die centrale vraag. Zijpaden werden eerder als hinderlijk ervaren dan als ondersteunend. Was de kern voldoende aan de orde gekomen, dan werd het huisbezoek afgesloten met Schriftlezing en gebed en gingen de bezoekende broeders op weg naar hun volgende adres. Zo kreeg de hele gemeente huisbezoek en men had er vaak nog geen half jaar voor nodig.

Er is veel veranderd

Vast en zeker zal het geschetste beeld op onderdelen wel verschillen van de ene gemeente tot de andere. Maar het is wel duidelijk dat er in vijftig jaar veel veranderd is. Het kost ambtsdragers tegenwoordig veel meer moeite om hun huisbezoeken af te spreken. Want iedereen is druk. Om de agenda’s van alle gezinsleden en van de ambtsdragers op elkaar af te kunnen stemmen is het raadzaam ver van tevoren te beginnen met afspraken in te plannen. En dan is het te hopen dat niet op het laatste moment de afspraak wordt afgezegd, want het is bijna onmogelijk op korte termijn uit te wijken naar een ander adres.

Is het eerlijk om te stellen dat tegenwoordig nog altijd de vraag op huisbezoek centraal staat hoe men persoonlijk staat tegenover de HERE en Zijn dienst? Of zijn er allerlei andere vragen en onderwerpen bij gekomen die ook meer en meer een plaats hebben gekregen in het huisbezoek? Bijvoorbeeld vragen over opvoedingsproblemen, over relatie-problematiek, over verslaving, over huiselijk geweld, over seksualiteit, over rouw en over hoe de eigen gemeente aankijkt tegen onderwerpen als volwassendoop en overdoop, samenwonen en echtscheiding, de plaats van Israël ten opzichte van de gemeente van Christus en het duizendjarig rijk, vrouwelijke ambtsdragers, homoseksualiteit… Het is duidelijk dat ambtsdragers zulke actuele onderwerpen op huisbezoek niet zomaar kunnen negeren. Gemeenteleden vragen terecht om eerlijke Bijbelse leiding - ook als ze zulke onderwerpen misschien wel eens wat ongelukkig of strijdlustig aan de orde stellen. Maar het is ondertussen wel de vraag of dat nu allemaal op het huisbezoek thuis hoort. Of laten we ons tegenwoordig veel te makkelijk van de kern van het huisbezoek wegleiden? Komen we nog genoeg toe aan het doel van het huisbezoek?

Nuancering

Voor ik verder ga, moet ik nu eerst de beelden van vroeger en van nu nog wat nuanceren. Want als vijftig jaar geleden veel huisbezoeken kort en kernachtig konden zijn, is dat niet los te zien van de grotere sociale samenhang die er toen nog was. Binnen en buiten de kerkelijke gemeenten kenden mensen elkaar en trokken ze met elkaar op als familie en buren en gemeenteleden. Op allerlei manieren stond men met elkaar in contact en leefde men met elkaar mee - onderschat daarbij niet het uitgebreide verenigingsleven dat ook gelegenheid gaf voor geestelijke gesprekken. Ambtsdragers en gemeenteleden wisten wat ze aan elkaar hadden en waren van elkaars wel en wee redelijk op de hoogte. Verder was de hele samenleving meer overzichtelijk en was de levensloop van mensen redelijk stabiel en voorspelbaar. Het was de tijd dat je nog 40 of zelfs 50 jaar bij één baas kon werken. In zo’n klimaat kun je ook op huisbezoek snel schakelen om bij de geestelijke dingen uit te komen.

In onze tijd is de samenleving helemaal veranderd en is ook de levensloop van mensen totaal veranderd. Doorgaans hebben man en vrouw in een gezin allebei een betaalde baan. Gemiddeld komen de kinderen op wat latere leeftijd. Het is niet ongewoon dat de naaste familie op behoorlijke afstand woont. Elke paar jaar kunnen er grote veranderingen optreden in woon- en werksituatie. En het komt meer en meer voor dat huwelijken geen stand houden en in een echtscheiding uitmonden. Het is ook lang niet meer vanzelfsprekend dat ambtsdragers en gemeenteleden van elkaars wel en wee op de hoogte zijn. Want weliswaar wordt naar buiten toe het beeld op Facebook hoog gehouden dat iedereen blij en gelukkig is, terwijl tegelijk achter de voordeur veel gebrokenheid en ellende leeft. In zo’n klimaat is het heel zinvol om in het pastoraat de tijd te nemen voor wat mensen werkelijk bezig houdt en hoe hun levensomstandigheden hun geloofsleven beïnvloeden. Maar het is de vraag of het huisbezoek daar de meest aangewezen gelegenheid voor is.

Laten we eerst gaan kijken naar de Bijbelse en historische achtergrond van het huisbezoek en vervolgens naar het doel van het huisbezoek om van daaruit lijnen te trekken naar onze eigen situatie.

2. Bijbelse achtergrond

De gereformeerde theoloog P. Biesterveld was hoogleraar aan de VU in Amsterdam en schreef rond 1900 een toen veelgelezen standaardwerk over het huisbezoek. Bij de behandeling van de gegevens uit Oude en Nieuwe Testament laat Biesterveld zien dat er naast geestelijke leiding voor heel het volk in de Bijbel ook aandacht is voor persoonlijke vragen. De volgende stap die hij zet is dat ambtsdragers een bijzondere plaats hadden bij die persoonlijke geestelijke begeleiding. Daarna is de conclusie snel getrokken, namelijk dat het huisbezoek een legitieme Bijbelse achtergrond heeft1.

Nu is het inderdaad zo dat er een aantal vrij algemene lijnen in de Bijbel te vinden zijn die ook doorgetrokken kunnen worden naar het huisbezoek. Maar dat wil niet zeggen dat onze huidige praktijk van huisbezoeken afleggen zo ook in de Bijbel terug te vinden is. Latere handboeken leggen meer de nadruk op pastoraat in het algemeen, waarna de lijn naar Christus wordt doorgetrokken als de Goede Herder bij uitstek. Vanuit Christus als Opperherder loopt de lijn dan door naar de oudsten en opzieners als onderherders. Huisbezoek kan dan gezien worden als een van de manieren waarop zij hun pastorale taak invullen. Het onder ons nog altijd bekende handboek voor de ouderling Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente volgt bijvoorbeeld ook die laatste lijn2. Laten we de hoofdlijn daarvan bekijken.

Enkele lijnen uit het Oude Testament

Het is een bekend beeld uit het OT dat het volk Israël wordt vergeleken met een schaapskudde (Ps. 77:21; 78:52). God is de Herder die zijn volk hoedt en weidt (Gen. 48:15; 49:24; Ps. 23:1; 79:13; 80:2; 95:7; Jes. 40:11; Jer. 31:10). Ook de politieke en militaire leiders van Israël worden met herders vergeleken. Maar zij zijn geen goede herders voor het volk. Ezechiël 34 laat op onthutsende wijze zien hoe Israël te lijden heeft onder de slechte herders. Zij weiden zichzelf (Ez. 34:2) en verwaarlozen de kudde. Zij zijn uit op eigen voordeel en zijn niet bewogen met de noden van het volk (vs. 3 en 4). Hun pastoraat is hard en vol geweld. De kudde raakt verstrooid. De schapen dwalen op alle bergen (vs. 5 en 6). Ze worden de prooi van roofdieren (vs. 8). Over deze slechte herders komt het oordeel van God. Hij zal een eind maken aan het wanbestuur van de slechte herders (vs. 10). Hij zal Zelf zijn kudde weiden (vs. 11). Onder de verlossende hand van God leeft de kudde weer op. De schapen worden bijeengebracht, gevoed en gezond gemaakt (vs. 11-19). God zal het onrecht wegdoen dat de kudde is binnengeslopen (vs. 20-22). Het hele hoofdstuk loopt uit op de verwachting van een nieuwe herder. Deze Messiaanse herder wordt genoemd: David, de knecht van God (vs. 23). Het Messiaanse herderschap vindt zijn hoogtepunt in de verzekering dat Israël het volk van God is en dat God met zijn volk zal zijn (vs. 24, 30).

Enkele lijnen uit Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament laat zien dat Jezus de beloofde Goede Herder is. Reeds bij zijn geboorte wordt van Jezus gezegd dat Hij de leidsman uit Bethlehem is, die het volk Israël zal weiden (Mat. 2:6). Deze Herder handelt niet op eigen initiatief. Hij weet zich gezonden door de Vader: ‘Ik ben gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls’ (Mat. 15:24). Jezus vervult het Messiaanse herderschap waar Ezechiël reeds over sprak. Evenals in het Oude Testament brengt deze Messiaanse Herder recht en gerechtigheid: Hij scheidt de schapen van de bokken zodat het over is met onrecht en geweld (Mat. 25:31-33; vgl. Op. 2:27; 12:5; 19:15). Jezus zoekt het verlorene om het te behouden (Luk. 19:10). Jezus is bewogen met mensen die leven als schapen die geen herder hebben (Mat. 9:36). De Goede Herder brengt de schapen bijeen (Mat. 3:12; 12:30; 24:31; Mar. 13:27; Luc. 3:17; 11:23). Ook het afgedwaalde schaap telt mee voor Christus. Dat wil Hij terugbrengen. Geen van de schapen van ‘deze stal’ (Israël) wil Hij verliezen. Hij brengt ze samen met nog andere schapen ‘die niet van deze stal zijn’ (de volken). Ook die moet Hij leiden. Ze zullen allemaal samen naar zijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder (Joh. 10:16). Dit bijeenbrengen rond Christus als de Goede Herder heeft alles te maken met het kennen van Hem en het door Hem gekend zijn.

Het hoeden van de kudde heeft als doel dat de schapen leven en overvloed zullen hebben (Joh. 10:10). De Goede Herder voedt zijn schapen met het evangelie van het Koninkrijk der Hemelen. In dat Rijk wordt het heil van God ontvangen: vergeving en vernieuwing, genezing en bevrijding, verzoening en vrede met God en met de mensen. Het heil van God dat alle menselijke voorstellingen ver te boven gaat, is verbonden met de persoon en het werk van Christus en met de gave van de Heilige Geest. Delen in het heil is alleen mogelijk door het geloof dat gevoed en geleid wordt door het Woord van de Goede Herder.

Gezonden door Christus

Het Nieuwe Testament spreekt niet alleen over het herderschap van Christus. Ook mensen worden ingeschakeld om pastoraal werk te doen in zijn Naam. Terwijl Jezus nog bij hen is, stuurt Hij de twaalf discipelen ‘naar de verloren schapen van het huis van Israël’ (Mat. 10:6). Zij moeten gaan en het Koninkrijk der Hemelen preken, zieken genezen, doden opwekken, melaatsen reinigen en boze geesten uitdrijven (vs. 7-8). Zij handelen niet op eigen gezag, maar in opdracht van Christus: ‘wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft’ (Mat. 10:40; vgl. Joh. 13:20). Kortom, de discipelen ontvangen de opdracht en de volmacht om het werk van Christus te doen. Wat God in de zending van zijn Zoon begonnen is, wordt op een bepaalde manier voortgezet in de zending van de discipelen. Jezus is en blijft de grote Herder der schapen (Hebr. 13:20). Zijn plaats is uniek en onvervangbaar. Het pastoraat van Christus’ volgelingen staat in dienst van Jezus’ eigen pastoraat aan mensen.

Niet alleen in de evangeliën, maar ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament zijn deze lijnen te herkennen. De gemeente is en blijft het eigendom van Christus. Oudsten, opzieners, herders en leraars worden geroepen om pastoraal leiding te geven, op de kudde toe te zien, haar te weiden en te beschermen (Hand. 20:28; Ef. 4:11; 1 Petr. 5:2). Maar zij doen hun werk in afhankelijkheid van en in opdracht van Christus, de Opperherder (1 Petr. 5:4). Met het oog op de opbouw in het geloof en de liefde zijn o.a. ook herders aan de gemeente gegeven (Ef. 4:11-12). De herders zijn gave van Christus aan de gemeente, gezonden om in opdracht van Hem de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon.

Opvallend is dat Christus in 1 Petr.2:25 niet alleen herder, maar ook hoeder van de zielen wordt genoemd. De woorden ‘herder’ en ‘hoeder’ worden in deze tekst op één lijn gesteld. Christus is de ‘Herder-Hoeder’ van de zielen. Het woord ‘hoeder’ is een vertaling van ‘epi-skopos’, letterlijk: op-ziener. De taak van een opziener is toezicht houden op een zaak of persoon die aan zijn opzicht is toevertrouwd. Daarin klinkt een stuk toewijding mee voor de persoon die beschermd, of de zaak die bewaakt wordt. Bovendien komt er de gedachte in mee dat de opziener van dichtbij de zaak in de gaten houdt. Hij houdt er het zicht op. In verband met zijn opdracht gaat de opziener op bezoek bij hen over wie hij verantwoordelijkheid draagt. Daarom is de op-ziener tegelijk een om-ziener: hij ziet van dichtbij naar mensen om, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden.

3. Historische achtergrond

Oude kerk

Hoe worden de Bijbelse gegevens verwerkt in de loop van de kerkgeschiedenis? Daar zou veel over te zeggen zijn, maar ik moet me beperken tot een paar hoofdzaken. De kerkvaders in de eerste eeuwen na Christus kennen twee soorten bezoek aan hun gemeenteleden. De eerste soort is het bezoek aan zieken en stervenden. Het is in grote lijnen vergelijkbaar met wat wij tegenwoordig crisis-pastoraat noemen. De tweede soort is het regelmatige bezoek zonder speciale aanleiding, bedoeld om de gemeente op te bouwen, te bemoedigen en met elkaar mee te leven. Van de bekende kerkvader Augustinus is bekend dat hij trouw de zieken en stervenden bezocht, maar door zijn drukke werkzaamheden kwam hij aan de andere bezoeken niet toe. Bij verschillende gelegenheden beklaagt Augustinus zich erover dat hij als herder de gemeente onvoldoende heeft kunnen wijden. Want hij beseft maar al te goed dat hij rekenschap moet afleggen over alle schapen die aan zijn herderlijke zorg zijn toevertrouwd.

Middeleeuwen

Uit het bezoek aan de zieken en de stervenden ontwikkelt zich in de Middeleeuwen het sacrament van de ziekenzalving als voorbereiding op het sterven. Het overige pastoraat werd in die tijd geconcentreerd rond het sacrament van de biecht. Van persoonlijke herderlijke zorg vanuit de Schrift kwam in de praktijk niet veel meer terecht.

Reformatie: Luther

De beweging van de Reformatie in de zestiende eeuw brengt een grote verandering ten opzichte van bestaande kerkelijke praktijken en theologische inzichten. Van Maarten Luther is bekend dat hij zich zoveel mogelijk bij de bestaande tradities wilde aansluiten. In die lijn ontwikkelt hij zijn visie op de biecht. Hij wijst misstanden af, maar laat de biecht wel bestaan en probeert die een positieve inhoud te geven. In de Augsburgse Confessie, één van de belijdenisgeschriften van de Lutherse kerk, wordt nog wel ingegaan op de biecht, maar in de loop van de eeuwen raakt het biechten in onbruik. Er ontstaat in de lutherse tak van de Reformatie niet een praktijk van jaarlijkse huisbezoeken door ambtsdragers.

Reformatie: Bucer en Calvijn

In de gereformeerde tak van de Reformatie is er van meet af aan grote aandacht voor de pastorale roeping van ambtsdragers en de pastorale taak van de gemeente als geheel. Martin Bucer, de reformator van Straatsburg en vriend en collega van Johannes Calvijn, schrijft al in 1538 een indringend boek Over de ware zielzorg. Bucer noemt het gebrek aan goede pastorale zorg de oorzaak van het grote verval van de kerk. Terugkeer tot de Schrift en tot de praktijk van de kerk van de eerste eeuwen acht hij een heilzaam middel tot herstel. Bucer wijst twee kernen aan van de ware zielzorg: het behoud van zondaren en de heiligheid van de gemeente. Ouderlingen en predikanten hebben een bijzondere taak in het pastoraat, maar dat neemt niet weg dat de gemeente als geheel ook naar elkaar dient om te zien - om zo voluit een pastorale gemeente te zijn.

Geheel in lijn met de gedachten van Martin Bucer krijgt in het Genève van Johannes Calvijn het regelmatig terugkerende huisbezoek door ambtsdragers een blijvende plaats in de pastorale bearbeiding van de gemeente. Bij Calvijn is dit huisbezoek nauw verbonden aan het avondmaal. De predikanten en de ouderlingen zijn verantwoordelijk voor toelating of afhouding van het avondmaal. In het verlengde daarvan is het ook hun taak om voorafgaand aan de viering van het avondmaal de gemeenteleden te bezoeken. Zo moet voorkomen worden dat iemand aan het avondmaal zou deelnemen zonder te weten wat het fundament van zijn behoud is. Het huisbezoek krijgt daarmee het karakter van een onderzoek naar het geloof dat nodig is om avondmaal te vieren. Waar dat geloof onvoldoende leeft of verzwakt is, wordt van de ambtsdragers verwacht dat zij vanuit de Bijbel onderwijs geven en bemoedigen. Heeft dat niet het gewenste resultaat, dan dient op de kerkenraad besproken te worden of de betrokkene wel aan het avondmaal mag deelnemen. Zo krijgt het huisbezoek naast een pastoraal, ook een sterk catechetisch accent en dient het de opbouw en de heiliging van de avondmaalsvierende gemeente. De conclusie is terecht dat in de plaats van de biecht bij de gereformeerde kerken het huisbezoek wordt ingesteld. Naast de huisbezoeken die sterk verbonden zijn met de avondmaalsvieringen, zijn er ook andere pastorale bezoeken om in bijzondere noden de troost van het Evangelie te delen, dwalenden terug te roepen, zondaren te bestraffen, tegensprekers te overtuigen en alles te doen wat nodig is om de vrede en het heil van de gemeente te bevorderen.

De Reformatie in Nederland

Nederland sluit zich in de zestiende eeuw in meerderheid aan bij het protestantisme van de gereformeerde lijn. Er zijn een aantal kerkelijke vergaderingen die van groot belang blijken te zijn voor de opbouw van het kerkelijke leven. Om te beginnen is dat het Convent van Wezel uit 1568. Daar worden over het huisbezoek een aantal opmerkelijke dingen gezegd. Allereerst dat men de kerkelijke gemeente in wijken moet verdelen met een ouderling in elke wijk. Deze wijkouderling behoort elke week de adressen van zijn wijk te bezoeken, maar in het bijzonder bij het avondmaal. De viering van het avondmaal moet twee weken van tevoren aan de gemeente bekend gemaakt worden. Een ieder kan dan voldoende voorbereid zijn om in de week voor het avondmaal antwoord te geven op de vragen die de wijkouderling op huisbezoek stelt. Een paar dingen vallen op: 1. de wijkindeling met de wijkouderling, 2. het wekelijkse bezoek aan alle gemeenteleden, 3. de actieve voorbereiding die van de gemeenteleden gevraagd werd met het oog op het huisbezoek.

In de praktijk heeft dit systeem niet gewerkt, want de nationale synode van Dordrecht 1574 besluit al om het wekelijkse huisbezoek te laten vervallen. Blijkbaar was dat in de praktijk niet haalbaar. Maar het geeft wel iets aan van het ideaal dat men wilde nastreven. Daarnaast wordt in 1574 besloten ook de predikanten in te schakelen bij de huisbezoeken. Er is over dit laatste punt op verschillende nationale synodes gesproken. Het werd gebruikelijk om zesmaal per jaar het avondmaal te vieren maar het werd een te grote belasting geacht om de predikanten zes keer per jaar huisbezoek te laten doen bij alle gemeenteleden. Uiteindelijk raakt het vanaf de zeventiende eeuw in Nederland ingeburgerd dat de predikant met een wijkouderling minstens eenmaal per jaar op huisbezoek gaat, voorafgaand aan de bediening van het avondmaal. Daarnaast leggen predikanten en ouderlingen ook nog bezoeken af tot algemene opbouw van de gemeente en ter bemoediging van zieken en anderen die in nood verkeren. De lijn van avondmaal, huisbezoek en tucht is duidelijk herkenbaar. Daarbij is het goed op te merken dat de tucht niet gericht was op uitsluiting van lidmaten, maar op openlijke verzoening met het oog op een gezegende avondmaalsviering.

De destijds bekende Utrechtse predikant en hoogleraar theologie Gisbertus Voetius heeft deze praktijk in verschillende van zijn boeken beschreven en aanbevolen. Als man van de praktijk acht Voetius het goed haalbaar om al dat bezoekwerk te doen in een gemeente van 500 tot 600 gemeenteleden. Zijn er 1000 tot 1200 zielen, dan moet men met wijsheid doen wat men kan.

G. Heitink maakt er in zijn boek ‘Biografie van de dominee’ melding van3 dat in de negentiende eeuw deze huisbezoeken meer het karakter hadden gekregen van een persoonlijke uitnodiging om naar het avondmaal te komen. De predikant en de ouderling gingen deur na deur de gemeenteleden langs maar de gesprekken duurden meestal niet meer dan vijf minuten.

Breuk met de historische traditie

Tot in de twintigste eeuw heeft deze vorm van huisbezoek standgehouden. De sporen ervan zijn in de kerkordelijke bepalingen van de PKN en van de verschillende kerken van gereformeerde belijdenis terug te vinden. De kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken vermeldt in 1999 nog onder artikel 23 dat het tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort ‘zowel vóór als na het heilig avondmaal huisbezoek te doen, om de leden van de gemeente te vertroosten en te onderwijzen en anderen te bewegen tot het geloof in Christus’. De generale synode van 2001 heeft besloten de tekst van de kerkorde aan te passen. Als motivatie wordt genoemd dat het niet haalbaar is rond elke avondmaalsviering huisbezoek af te leggen4. Het vernieuwde artikel 23 stelt nu dat de ouderlingen ‘jaarlijks huisbezoek zullen afleggen. Daarbij zullen ze de leden van de gemeente vertroosten, vermanen en onderwijzen, onder andere met het oog op de avondmaalsviering’. Daarmee dient de vraag zich aan of de synode niet al te gemakkelijk een traditie van eeuwen heeft opgegeven. En of het jaarlijkse huisbezoek volgens de nieuwe versie van artikel 23 niet gebukt gaat onder veel te grote verwachtingen. Het lijkt erop dat waar onze voorouders verschillende gesprekken voor nodig hadden, bij ons in één gesprek moet kunnen plaatsvinden. Het is de vraag of dat haalbaar is.

Aandachtspunten en conclusie

Het beknopte historische overzicht laat zien dat er in de loop van de eeuwen op verschillende manieren invulling is gegeven aan de pastorale bearbeiding van de gemeente. De Oude Kerk van de eerste eeuwen kende al verschillende soorten bezoeken die enerzijds gericht waren op crisispastoraat en anderzijds op de opbouw en de bemoediging van de gemeente. In de Middeleeuwen wordt het pastoraat geformaliseerd en geritualiseerd in de sacramenten van de ziekenzalving en de biecht waarbij de Bijbel zelf nauwelijks meer open gaat. De Reformatie weet zich veel directer verbonden aan Christus als Opperherder en Zijn Woord als krachtige belofte van vergeving en eeuwig leven. Ambtsdragers weten zich niet zoals bij de Rooms Katholieke Kerk indirect via kerkelijke instituten en de paus met Christus verbonden, maar zij weten zich rechtstreeks ingeschakeld door de Heilige Geest in het werk dat Christus doet tot opbouw en uitbouw van Zijn gemeente. Er komen in de gereformeerde stroming van de Reformatie twee vormen van regelmatig pastoraal bezoek aan huis. De eerste is het huisbezoek rond de avondmaalsvieringen en de tweede is het huisbezoek tot opbouw en bemoediging. Daarnaast vindt ook nog crisispastoraat plaats bij bijzondere noden. In de loop van de geschiedenis zijn de huisbezoeken rond het avondmaal opgegaan in het jaarlijkse huisbezoek door predikant en ouderling. Tenslotte is in de Chr. Geref. Kerken in 2001 de koppeling tussen huisbezoek en avondmaal opgegeven. Avondmaal is nu niet meer dan een van de vele onderwerpen waar het op het huisbezoek over kan gaan. Het is ook in de praktijk al lang niet meer zo dat de predikant aan alle huisbezoeken in de gemeente deelneemt.

In de huidige situatie van ons kerkelijke leven zou men kunnen zeggen dat de gewoonte om voorbereiding op het avondmaal te houden voor een belangrijk deel de functie heeft overgenomen van het huisbezoek rond het avondmaal. In plaats van een persoonlijk pastoraal gesprek is in de praktijk van ons kerkelijke leven de voorbereidingspreek en de voorbereidingsweek gekomen. Er zijn voorbeelden genoeg van gemeenten die in de week van voorbereiding speciale bijeenkomsten hebben om zich te bezinnen op de viering van het avondmaal. Toch is het tegenwoordig niet meer zo dat de hele gemeente in beweging komt met het oog op het sacrament van brood en wijn. Veel wordt overgelaten aan de persoonlijke invulling van de gemeenteleden zelf.

Aan de andere kant noemde ik al de veelheid aan pastorale problematiek waar de gemeente in de huidige samenleving mee te maken heeft. In het huisbezoek komt dat meer en meer naar voren. Maar dreigt dan niet het gevaar dat het huisbezoek inhoudelijk niet veel verder komt dan crisispastoraat? Dat roept de vraag op of er mogelijkheden zijn om het huisbezoek zo in te richten dat recht gedaan wordt aan zowel het pastorale ideaal van de Reformatie als de hedendaagse situatie.

4. Doel van het huisbezoek

Bij Calvijn waren huisbezoek, avondmaal en tucht nauw aan elkaar verbonden. Als op huisbezoek bleek dat iemand zonder het goede fundament naar het avondmaal wilde gaan, kon de kerkenraad de toegang ontzeggen. Naast deze hoofdlijn van avondmaal, huisbezoek en tucht was er nog een tweede hoofdlijn van ambtelijk bezoekwerk naar crisispastoraat en naar de opbouw van de gemeente in het algemeen. Het waken over de heiligheid van de gemeente door middel van tuchtoefening zal in de huidige tijd niet overal bijval oproepen. Ondertussen zijn er wel een paar belangrijke uitgangspunten in beide hoofdlijnen van pastoraal bezoekwerk te vinden die ook voor vandaag van groot belang zijn. Het ging Bucer en Calvijn om het behoud van zondaren en om de heiligheid van de gemeente. Laten we oppassen dat we dit niet al te snel plaatsen in de sfeer van het opgeheven vingertje en harteloze afwijzing. Het gaat immers heel positief om de persoonlijke geloofsband aan Christus en om het welzijn van de gemeente. Dat ambtsdragers met het oog daarop aan huis bezoeken komen doen geeft in positieve zin een belangrijk uitgangspunt weer.

Het betekent dat gemeenteleden in hun geloofsbeleving niet alleen aan zichzelf worden overgelaten. In de gemeente van Christus worden mensen niet aan hun eigen twijfels, dwalingen, duivelse verzoekingen of zelfgenoegzaamheid uitgeleverd. Er is vanuit het Lichaam als geheel aandacht voor de gezondheid en het welbevinden van ieder lidmaat afzonderlijk. In een persoonlijk gesprek wordt in het licht van de Bijbel gekeken naar de punten waar iemand alleen misschien niet echt uitkomt, of niet voldoende in doorgroeit, of zich te gemakkelijke vanaf maakt, of juist te hard over zichzelf of een ander oordeelt. Tegenwoordig zouden wij dat benoemen als persoonlijke coaching of spirituele supervisie.

Verder laat de oorspronkelijke opzet van het huisbezoek in de gereformeerde kerken zien dat er aandacht is voor de persoonlijke situatie van elk gemeentelid afzonderlijk. Daarin ligt dan ook weer een lijn naar het geheel van de gemeente: wat kan ieder afzonderlijk bijdragen aan het functioneren van de gemeente als lichaam onder Christus het Hoofd? Want iedere gelovige doet ertoe als levend lidmaat van Christus. En het geheel van de gemeente doet ertoe als lichaam van Christus waarvan Hij het Hoofd is en dat door de Heilige Geest bezield wordt.

Als ik de signalen die mij bereiken goed beluister, zijn dat ook de huisbezoeken waar ambtsdragers en gemeenteleden zich het meest positief over uitlaten: als het gelukt is op persoonlijk niveau contact te maken over het geloof en het geestelijke leven in het algemeen. Daarin liggen dus raakvlakken met de idealen van de kerk van de Reformatie. Maar het is goed om te beseffen dat moderne inzichten over communicatie en gesprekstechniek duidelijk maken dat je niet zomaar kunt verwachten dat je met iedereen direct een gesprek van hart tot hart kunt hebben. Daarvoor moet eerst vertrouwen opgebouwd worden. Hoe meer vertrouwen, hoe dieper je kunt gaan. In feite is dat ook heel begrijpelijk. Want als het al niet lukt om met iemand echt contact te krijgen over alledaagse gespreksonderwerpen, dan is ook niet te verwachten dat het ineens wel lukt om over de diepste dingen van de ziel te spreken. Het gesprek over ‘koetjes en kalfjes’ op huisbezoek is gesprekstechnisch heel vaak een vorm van elkaar aftasten. Is er werkelijke betrokkenheid en aandacht? Is er voldoende vertrouwen om het over de diepere dingen van God en geloof te hebben?

Verder zou er ook nog heel wat te zeggen zijn over het feit dat mensen naast zondaren en gelovigen ook en allereerst schepsel zijn uit Gods hand. Wat er op schepselmatig vlak gebeurt, kan een grote uitwerking hebben op het geloofsleven. Denk bijvoorbeeld aan ziekten en zorgen die allerlei geloofsvragen op kunnen roepen. Werkelijke pastorale aandacht voor de schapen van de kudde van de Goede Herder betekent de schapen ook willen zien in de werkelijkheid waarin zij leven - inclusief de alledaagse schepselmatige kant ervan. Aandacht voor de praktijk van het alledaagse leven is daarmee niet af te doen als een hinderlijk zijpad dat afleidt van het eigenlijke doel. Maar het is eerder een legitiem onderdeel van de manier om elkaar werkelijk te ontmoeten en samen bij de kern terecht te komen: het geloof in Christus dat in de alledaagse praktijk handen en voeten wil krijgen.

5. Lijnen naar onze eigen situatie

Stimulansen?

Terugkijkend op wat tot hiertoe aan de orde is geweest, is het goed om de vraag te stellen: zijn er stimulansen te vinden die de huidige praktijk van het huisbezoek kunnen verrijken?

Over het avondmaal

Een pleidooi om opnieuw avondmaal en huisbezoek strak aan elkaar te verbinden lijkt me wel mooi en ook wel zinvol, maar niet erg kansrijk gezien de overwegingen van de generale synode in 2001. Bovendien lijken de getallen die Voetius noemde erop te wijzen dat zulke bezoeken in de praktijk maar heel kort konden zijn. Daarbij moeten we ook niet vergeten dat in onze tijd veel gesprekstijd opgaat aan het opbouwen van vertrouwen want het is in de regel niet (meer?) zo dat ambtsdragers en gemeenteleden elkaar zo goed kennen dat ze meteen tot de kern kunnen komen. Als dat de werkelijkheid is waarmee we te maken hebben, dan lijkt het me uiterst zinvol voor ambtsdragers en gemeenteleden om te bekijken welke mogelijkheden er zijn om in onze tijd de week van voorbereiding op het avondmaal een passende invulling te geven. Misschien liggen er wel mogelijkheden voor een groepsapp per wijk waarin ieder iets vertelt over hoe hij of zij naar het avondmaal toe leeft. Of wellicht dat er nog meer vormen bedacht kunnen worden voor bijeenkomsten voor de hele gemeente waarin de betekenis van het avondmaal wordt belicht en de beleving van het heil kan worden gedeeld. Een krachtig pleidooi dus om als ambtsdragers en gemeenteleden op een manier die past bij de huidige omstandigheden met elkaar bezig te zijn met de diepe kern van het heil in Christus zoals de tekenen van brood en wijn daarvan spreken.

Minder opzien, meer omzien

In de geschiedenis van het huisbezoek in onze kerkelijke traditie hebben we naast het crisispastoraat twee hoofdlijnen aangetroffen. De ene verbindt avondmaal, huisbezoek en tucht nauw aan elkaar. Het accent op deze benadering is minder geworden omdat de verbinding tussen avondmaal en huisbezoek losser is geworden. Daarmee komt er ruimte om de andere lijn meer te benadrukken: de lijn van het huisbezoek naar de opbouw van de gemeente in het algemeen. Om het wat eenvoudiger te zeggen: minder opzien en meer omzien. Minder controle en meer coaching. Daarmee zou - om het wat concreter te maken - op huisbezoek de vraag centraal komen te staan: hoe kan in de praktijk van uw leven het geloof in Christus maximaal tot Zijn recht komen? Door van deze vraag uit te gaan krijgen op huisbezoek zowel de praktijk van het leven als het geloof in Christus een eigen legitieme plaats. Een paar praktische opmerkingen wil ik daaraan verbinden.

1. Laten we ervoor oppassen teveel in één gesprek te willen. Hoe voller een gesprek wordt, hoe eerder de factor vermoeidheid een rol gaat spelen en tenslotte ziet men door de bomen het bos niet meer.

2. Het kwam in het historische overzicht al voorbij dat gemeenteleden gevraagd werd zich voor te bereiden op huisbezoek. Dat zou in onze tijd ook zinvol ingezet kunnen worden: maak vooraf bekend welk onderwerp centraal zal staan en vraag de gemeenteleden zich op dat onderwerp voor te bereiden bij voorkeur met vermelding van een passend Schriftgedeelte.

3. Voorkom oeverloze gesprekken en maak een afspraak om later nog een keer terug te komen als het huisbezoek te lang gaat duren.

4. Het is ook mogelijk om aan het begin van het huisbezoek samen te bekijken of er dringende gespreksonderwerpen zijn om vervolgens af te spreken wanneer ze aan de orde kunnen komen.

Een meer coachende benadering

Bij een groter accent op de coachende benadering gaat het erom samen te zoeken naar manieren om groeistimulansen en verdieping te vinden, toegesneden op de persoonlijke geloofspraktijk van gemeenteleden. Misschien klinkt dat heel on-kritisch, maar het is goed te beseffen dat coaching ook heel confronterend kan zijn. Want het is ook een manier om de spiegel voorgehouden te krijgen: hoe gaat het nu werkelijk in het dienen en liefhebben van God en de naaste? Waar liggen in het geestelijke leven iemands sterke en zwakke punten, waar liggen gevaren op de loer en waar liggen mogelijkheden om te groeien? Kun je met elkaar haalbare doelen afspreken om daaraan te werken en op een later moment met elkaar na te gaan wat ervan terecht is gekomen?

In de huidige samenleving is coaching een veelgebruikt middel dat bijvoorbeeld bij opleidingen en in werkbegeleiding wordt ingezet. Niet iedereen kan zomaar een erkend coach worden. Daar is een stevige studie voor nodig. Ik pleit niet voor zo’n professionele vorm van coaching in het huisbezoek. Het gaat er mij niet om dat ambtsdragers hun kracht gaan zoeken in deskundigheid op het gebied van humane wetenschappen, maar om ambtsdragers die zich door Christus geroepen weten om in Zijn Naam om te zien naar de schapen van Zijn kudde. Zoals Christus een persoonlijke benadering gebruikte die voor Petrus anders was dan voor Johannes, voor Nicodemus anders dan voor de Samaritaanse vrouw, zo mogen ook wij ons inzetten om de gemeenteleden die we bezoeken persoonlijk te benaderen. Daarbij kunnen praktische handvatten van hedendaagse menswetenschappen helpen bij de toerusting van ambtsdragers opdat zij des te beter hun opdracht kunnen vervullen om de schapen van Christus te weiden.

Enige literatuur

J. van Amstel, Toegerust tot het ambtelijk werk.

M. Assink (red.), De praktijk van het ambt. Handreiking aan nieuwe ambtsdragers, Barneveld: De Vuurbaak 2012

P. Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen: Kok 1923 (derde druk)

D. Koole en W.H. Velema (red.), Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking aan de ouderling, Kampen: Kok 1982

G. Heitink, Biografie van de dominee, Baarn: Ten Have 2001

G. Heitink e.a., Bezoekwerk namens de kerk, Utrecht: Kok 2008

C.A. de Niet, Gisbertus Voetius, De praktijk der godzaligheid. Tekstuitgave met inleiding, vertaling en commentaar, deel I en II, Utrecht: Den Hertog 1996

J.W. van Pelt, Pastoraat in trinitarisch perspectief, Heerenveen: Groen 1999

J.W. van Pelt, De pastorale gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum 2002

W.H. Velema, Zullen we lezen?, Zoetermeer 1997

W.H. Velema, Pastoraat met raad en daad, Kampen 1994

1 P. Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen: Kok 1923 (3-de druk), p. 12-21.

2 D. Koole en W.H. Velema (red.), Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking aan de ouderling. Kampen: Kok 1982

3 G. Heitink, Biografie van de dominee, Baarn: Ten Have 2001, p. 102 e.v.

4 Acta van de generale synode 2001, p. 139

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.