+ Meer informatie

VRAGENBUS

8 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

X. te Y. vraagt of een ouderling een huwelijk mag bevestigen.

Antwoord: Ds Joh. Jansen schrijf in de encyclopaedie: „Een christelijk huwelijk komt tot stand in de familiekring, krijgt rechtsgeldigheid door de burgerlijke huwelijksvoltrekking en wordt voltooid door de kerkelijke bevestiging. Petrus Datheen bezorgde ons het Formulier om de huwelijks staat in de Gemeente te bevestigen. Die kerkelijke bevestiging mag alleen plaats hebben door een w^ettig geordend dienaar des Woords, want ze is een openbare dienst des Woords met het oog op het huwelijk." Met dit laatste ben ik het niet helemaal eens. Het huwelijk is geen sacrament. Als het Doop of Avandmaal betreft heeft Ds Jansen gelijk. En als regel bevestigt een geordend predikant ook een huwelijk. Maar nu kunnen er omstandigheden zijn, dat een predikant plotseling verhinderd is.

Ik denk b.v. aan ernstige krankheid of plotseling sterfgeval. Als er dan geen predikant aanwezig is, mag een ouderling dat werk verrichten. Natuurlijk mag hij de zegen niet uitspreken, maar dat doet een ouderling ook niet als hij in het midden der gemeente een predikatie leest.

In onze Gemeenten is het als uitzondering hier en daar wel eens gebeurd.

K. van K. te L. schrijft mij, dat hij de Heer R. in een referaat heeft horen zeggen, dat de bezetenheid, die voorkwam tijdens de omwandeling van de Heere Jezus op aarde, verschilde met de krankzinnigheid, die wij thans kennen.

Hij meent, dat de medische wetenschap van onze tijd wel degelijk leert, dat de ziekten, waarmee de bezetenen bevangen waren, dezelfde geestelijke stoornissen hadden, als die wij ook tegen komen.

Antw. Al zou het waar zijn, dat dezelfde geestelijke stoornissen voorkomen, dan is dit voor mij nog geen bewijs, dat krankzinnigheid hetzelfde is als de bezetenheid. Daar ook ik de Heer R. heb gehoord, is het mij niet zo moeilijk uw vraag te begrijpen.

Ik wil trachten over de bezetenheid iets te schrijven. En dan blijf ik in de lijn van de referent.

De H. Schrift spreekt van het beheerst worden door een daemon, van het zijn in een onreine geest, van het hebben van een onreine geest en van het gekweld worden van een onreine geest.

De geesten, van welke hier gesproken, en van welke verlossing geschonken wordt, zijn volgens Gods Woord persoonlijke wezens, die kennis hebben, welke boven die van mensen uitgaan.

Bezetenheid is dus niet maar het verkeren van een geesteskranke onder de overheersende macht van een waandenkbeeld, een louter subjectieve verstoring in de voorstellingswereld van een zielszieke, een psychose. Ook is zij niet gelijk aan krankzinnigheid en waanzin, ofschoon deze geesteskrankheid met haar vergezeld kan gaan, maar vaak ook in het geheel niet vermeld wordt, of zelfs verondersteld wordt, niet aanwezig te zijn.

Maar bezetenheid is volgens Gods Woord het geheel, naar lichaam en ziel overheerst worden van een ellendige door een of meer, of zelfs een ganse menigte van

duivelen, die aan een lyder een geweldige lichaamskracht kunnen geven, hem zijn heerschappij over eigen doen en laten geheel kunnen ontnemen, allerlei krankheid kunnen bewerken, zijn voorstellings-en denkwereld geheel in verwarring kunnen brengen, in die mate zelfs, dat zijn zelfbesef geheel teruggedrongen wordt, zodat hij zich vereenzelvigt met de duivel, die hem overheerst.

Wij zullen ons de bezetenheid moeten denken als een verschijnsel, dat i.z.h. tijdens het leven van de Heere Jezus op aarde, en in de eerste eeuwen onzer jaartelling, zich vertoonde. De Zone Gods was toch gekomen om de werken des duivels te verbreken en dat wist het duivelenrijk wel. Het spreekt vanzelf, dat satan al zijn macht heeft ingespannen, om de overwinning te behalen.

Bezetenheid is een der middelen, w r aarvan de duivel zich tot dat doel bediende. Wel is bezetenheid niet het hoogste doel, wat satan beoogt, want hij wil, dat de mens zich geheel aan hem overgeeft en ten dienst stelt, en zich met hem verenigt als zijn gewillig instrument. Dat heeft hij bij Judas bewerkt en dat zal hij tot stand brengen bij de komende antichrist. Daarom is het te vrezen, dat bezetenheid weer heersen zal aan het eind der dagen, wanneer de duivelen, ziende dat het spoedig met hun macht zal gedaan zijn, nog eens en dan voor het laatst alles zullen inspannen om hun nederlaag om te zetten in een overwinning. Dat zal hun evenwel nooit gelukken, want eeuwig bloeit de gloriekroon op het hoofd van Davids grote Zoon.

M. v. B. te A. vraagt wat mijn gedachte is van de 12 patriarchen, zonen van Jacob, in verband met Openbaring 7, waar gesproken wordt van de 12000 verzegelden uit elke stam. Zouden zij er ook bij horen?

Antw.: Hoewel het onze levensvraag moet zijn, niet of de zonen van Jacob, maar wel of wij er bij zullen zijn, wil ik toch mijn gedachte zeggen.

Allereerst merk ik op, dat in Openbaring 7 de naam van Dan niet voorkomt. Wat zou daarvan de reden zijn? De Statenvertaling zegt, dat de naam van Dan uitgelaten is, omdat zij de eersten geweest zijn, die zich begeven hebben tot afgoderijen en de kalveren van Jerobeam te Dan hebben geherbergd.

Ds van Lingen meent, dat de verrader des Heeren, Judas Iskariot, uit die stam voortkwam, waarom die naam in het laatste Bijbelboek niet wordt genoemd. Ook zoekt ge de naam van Efraïm tevergeefs. Volgens vader Brakel, omdat hij het hoofd der afvalligen was, waarom die naam wordt bedekt door die van Jozef.

Maar nu ter zake. Zouden de 12 zonen van Jacob tot God bekeerd zijn geworden ?

Het antwoord vinden we in Mattheüs 1. Dit hoofdstuk begint aldus: , , Het boek des gestechts van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham. Abraham gewon Izak. en Izak gewon Jacob, en Jacob gewon Judas en zijn broeders."

Matthew Henry maakt hierbij de volgende aantekening: , Onder de zonen van Jacob wordt behalve nog aan Juda, uit wie Silo is voortgekomen, aandacht geschonken aan zijn broeders. Geen melding wordt gemaakt van Ismaël, of van Ezau, omdat zij uit de kerk gesloten waren, terwijl al de kinderen van Jacob erin opgenomen waren. Hoewel zij geen stamvaders van Christus zijn geweest, waren zij toch patriarchen deikerk (Hand. 7 : 8), weshalve zij in deze geslachtslijst genoemd worden ter bemoediging van de 12 stammen, die in de verstrooiing waren, te kennen gevende, dat zij deel hebben aan Christus, en evengoed als Juda in betrekking tot Hem staan."

Ook Ds Hoekstra meent, dat de zonen van Jacob tot God bekeerd zijn geworden en dat grondt hij dan op Matth. 1. Hij merkt op, dat zij in geestelijke betrekking tot de Heere Jezus stonden. De algemene gedachte ook onder ons is, dat de Heere aan de 12 patriarchen Zijn genade heeft bewezen.

W. S. te N. vraagt my iets te willen meedelen over J. N. Darby en over de Darbysten.

Antwoord: John Nelson Darby, geboren 1800 te Westminster kwam uit een aanzienlijke familie. Op 26-jarige leeftijd werd hij predikant in de Engelse Staatskerk met haar bisschoppelijke inrichting. Hij kwam in aanraking met de zgn. Plymouthbroeders, onder wie een zekere theoloog Groves op hem invloed uitoefende.

Deze bepaalde hem bij het onderscheid tussen de avondmaalpraktijk der eerste Christengemeente (liefdemaal) en die der huidige Staatskerk.

Na lang beraad doet hii in 1828 de stap. Hij verlaat de Staatskerk en hij wil naar een gezuiverde gemeente. Zelf schreef hij: , , Ik werd niet uit de Staatskerk verdreven door deze of gene bijzonderheid van het priesterstelsel of van de leer der sacramenten, maar omdat ik zocht naar de openbaring van het lichaam van Christus. Wat nu te doen, was hem niet helder. In 1831 zoekt hij aansluiting bij de Plymouthbroeders. Ook daar vindt hij het niet. Met zijn aanhangers scheidt hij zich weer af. In 1837 reist hij naar Parijs en Genève. In Lausanne houdt hij lezingen over het boek Daniël. Allengs vormt hij de secte der Darbysten. Zelf willen ze van deze naam niets weten. Zij noemen zich „broeders", want ze willen naar een mens genoemd worden. Hun gemeenschap noemen zij geen kerk maar „vergadering."

Darby eindigde zijn rusteloos leven in 1882 in het Engelse zeeplaatsje Bournernouth.

Van de kerk willen de Darbysten niets weten. Van en voor de kerk is er niets te veiwachten, omdat zij met haar organisatie een belemmering is voor de vrije werking des Geestes.

Zij doen veel aan schriftonderzoek, maar hun schriftgebruik is nog al eenzijdig. De Staat is het beest uit de Openbaringen en de kerk is de grote hoer.

Even als andere secten legt zij meer de nadruk op de Geest dan op het Woord. Het Verbond wordt ontkend, van de kinderdoop wil men niet weten en het H. Avondmaal is bij hen alleen maar een teken. Ze geloven aan het duizendjarig rijk en wachten de toekomst des Heeren in.

Hoewel wij afwijzend staan tegenover de Darbysten 's er in hen iets, dat ons aantrekt. Dat is de lust tot «nderzoek in de H. Schrift. Dat onderzoek mag dan eenzijdig zijn, maar men staat versteld, als men eens een Darbyst spreekt, van zijn Bijbelkennis.

Ik geloof dat we ook in onze kringen wel wat meer mogen doen aan het onderzoek van Gods Woord. Men meent het Evangelie op een stuivertje te kunnen schrijven. De veelvuldige wijsheid Gods in de H. Schrift, beseft men niet. Men graaft niet in de goudmijn. De Heere Jezus heeft gezegd: Onderzoekt de Schriften.

Ik besluit mijn antwoord met de wens, dat vele jonge mensen Gods Woord biddend mogen onderzoeken tot zegen voor hart en leven en tot opbouw van Gods kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.