+ Meer informatie

EN ALS HET LANG GENOEG GEDUURD HEEFT (1)

10 minuten leestijd

De moeite van het onderwerp

In de redactievergadering kwam als onderwerp voor een artikel ter sprake de vraag: Wat moet er gebeuren, als gemeente en predikant vinden dat ze lang genoeg bij elkaar zijn geweest? Een verandering zou door beide of op zijn minst door een van beide op prijs gesteld worden. Er komt echter geen beroep. Men moet dan samen verder, maar men voelt het als moeizaam. Een verandering zou voor beide verfrissend werken.

Mij werd gevraag over dit onderwerp iets te schrijven. Dat is geen simpele zaak. Toch wilde ik niet weigeren, ook al omdat ik twee jaar geleden (vóór de synode van Groningen) een artikel schreef over het te verwachten overschot aan kandidaten: ”Wie weet een oplossing?” (A.C., januari 1989).

Op dat artikel zijn nogal wat reacties binnengekomen. De briefschrijvers, ook kerkeraden, heb ik laten weten, dat ik op het onderwerp zou terugkomen. Dat heeft dus even geduurd. Daarvoor zijn verschillende redenen. De redactie vergadert eens in de negen maanden en plant dan onderwerpen en schrijvers voor de kornende periode. Het past mij niet er eigener beweging een artikel tussendoor te plaatsen. Nu maak ik - met in-stemming van de redactie - gebruik van de mogelijkheid om bij de behandeling van dit onderwerp ook op de mij toegezonden brieven in te gaan.

In aansluiting bij een vorig artikel

Ik meen dat bespreking van deze reacties met het nu aan de orde gestelde onderwerp heeft te maken, omdat het scheppen van meer predikantsplaatsen de mogelijkheid biedt van doorstroming. Er zitten echter veel haken en ogen aan het creëren van meer predikantsplaatsen en aan het onderwerp dat verderop speciaal onze aandacht vraagt.

Graag wil ik vooropstellen, dat dit artikel niet voortkomt uit het verlangen om iets voor te schrijven, hetzij aan gemeenten of kerkeraden, hetzij aan predikanten. Nog minder zoek ik hiermee iets of iemand te beschuldigen. Het gaat erom in de moeilijkheden die er zijn, een oplossing te vinden. Mensen die geen moeilijkheden zien of ze wegschui-ven, hebben met dit thema geen moeite. Tot hen behoor ik niet.

Ook besef ik heel goed, dat men over de dingen anders kan denken dan in dit artikel gebeurt. Mijn mening is slechts een van de mogelijkheden. Het artikel wordt geschreven in de hoop dat het hier voorgestelde kan bijdragen aan een oplossing. Weet iemand een betere oplossing of heeft iemand een beter plan, dan verdient dat zeker de voorkeur.

De ene lijn in de reacties

In de reacties zijn twee lijnen te ontdekken. Een wat ik zou willen noemen ”formeel-technische” lijn, en die van een geestelijke problematiek als oorzaak van het niet beroe-pen worden.

Volgens de eerste lijn zou er meer gedaan moeten worden om grotere gemeenten te split-sen, om kleinere gemeenten een kandidaat in parttime dienst te doen beroepen, terwijl hij dan zelf voor de resterende tijd vulling (+ Verdienste) moet zoeken. Ook het zendings-werk zou meer mensen kunnen gebruiken. Daarvoor moeten de gemeenten meer ofteren. Een actie daartoe zou ondernomen kunnen worden. Tenslotte: emeritering op 65-jarige leeftijd.

Het is niet aan mij om al deze voorstellen te beoordelen en aan te prijzen of af te wijzen. Wel wil ik erop wijzen, dat in andere kerken sedert lang tot splitsing of tot het beroepen van een tweede predikant wordt overgegaan, als de gemeente meer dan duizend zielen telt (en soms reeds voordat dit getal wordt bereikt).

In onze opleiding wordt sedert jaren aangedrongen op een intensief pastoraat. De moge lijkheden daartoe zijn beperkt, als een predikant een gemeente van meer dan duizend zielen (groot en klein) moet bearbeiden. Dat ik voor meer predikantsplaatsen in zo’n si-tuatie pleit, vindt zijn oorzaak zelfs niet allereerst in de behoefte aan meer doorstroming. Ik doe dat om de gemeente èn om de predikant. Beide zijn gebaat bij de mogelijkheid tot intensiever pastoraat.

Een predikant beroepen op een half salaris, zonder dat voor de andere helft voorzienin-gen zijn getroffen, lijkt me in strijd met de gedachte dat de kerk in het onderhoud van haar dienaren voorziet. Als de predikant zelf met iets minder toe kan (en wil) en als hij zelf nevenwerkzaamheden (overigens in de sfeer van zijn ambt en opleiding) heeft, dan ontstaat de mogelijkheid voor een kleine gemeente om ook (weer) een eigen predikant te ontvangen, waaraan zij evenzeer behoefte heeft als een grote(re) gemeente. Soms is die behoefte nog groter! In overleg kan er heel wat gebeuren. Een predikant op een half salaris beroepen, terwijl hij zelf maar moet zien hoe hij aan de andere helft komt, lijkt mij met de roeping van de predikant en van de gemeente in strijd.

Dat er, bij de grote flexibiliteit en variatie van werkzaamheden op elk gebied, voor een predikant naar gepast werk naast zijn parttime dienst (welke hoofdzaak moet blijven) ge-keken kan worden, lijkt mij een mogelijkheid. Er zouden stellig enkele kleine gemeenten mee geholpen kunnen worden.

Emeritaat op 65-jarige leeftijd acht ik op zijn plaats. Het predikantswerk is zo veeleisend, vraagt zoveel geestelijke en lichamelijke energie, dat het niet onbillijk is om - naar analogie van wat vroeger in de samenleving gebeurde - met de 65-jarige leeftijd uit de actieve dienst terug te treden. Voor zover men jongere krachten niet voor de voeten loopt, zou door breeders die toch nog iets willen en kunnen doen, gedacht kunnen worden aan hulpdiensten op basis van een afspraak voor één tot maximaal drie jaar. Daarna kan de regeling opnieuw worden bezien. Wil men: een soort bijstand in pastoraat en prediking op parttime basis. Met zo’n regeling zou een kleine gemeente (tijdelijk) geholpen kunnen zijn. Er zou een overgangsregeling getroffen kunnen worden. Gedurende die periode ware het in overweging te geven om op 65-jarige leeftijd met emeritaat te gaan zonder dat het een verplichting is. Ik wil het nog wel iets sterker zeggen: een overgangsregeling acht ik noodzakelijk. Men kan niet zomaartegen predikanten, die de 65 zijn gepasseerd en nog in de gemeente werkzaam zijn, zeggen: vanaf drie maanden na het synodebesluit moet u met emeritaat.

Meer predikanten op bijzondere posten (vooral zendingswerk) is sterk te overwegen. Met de gedachte zouden we in de kerk vertrouwd moeten worden. Zo ook voor evangelisatie-predikanten in plaatselijke (of regionale) dienst, om duidelijk omschreven taken vanuit en met de gemeente uit te voeren.

En nu de andere lijn

En nu de andere lijn. Sommige briefschrijvers stelden, u moet naar de diepte afsteken en de oorzaak bespreken. Zij zoeken de oorzaak in het te ruime toelatingsbeleid van het curatorium en in het gebrek aan (laat ik het maar heel eenvoudig zeggen) bevindelij-ke inslag van kandidaten en predikanten.

Dit is geen gemakkelijk punt. We kunnen het echter niet onbesproken laten. Het is niemand geoorloofd uit een besloten curatorenvergadering iets naar buiten te brengen. We zullen moeten wijzen op feiten en zaken die ieder meelevend ambtsdrager kan waarnemen.

Er zal bij bespreking van het curatorenverslag op de vergadering van particuliere Synoden wel eens gezegd worden: De beslissingen worden met meerderheid van stemmen genomen. Het is ook om die reden dat er een oneven aantal curatoren is. Soms is er een verrassende eenstemmigheid (in aanvaarden en afwijzen), maar niet altijd. Een besluit Staat vast, als het met meerderheid van stemmen is genomen. De gedachte van een gekwalificeerde, dat is een tweederde meerderheid is wel eens geopperd, maar - terecht - weer verworpen. De ene curator heeft bij aarzeling een groter vertrouwen om toch voor te stemmen dan de ander, ledere curator heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Er is overigens zeer intensief overleg. Dat blijkt ook wel daaruit, dat sommige beslissingen nogal wat tijd vergen.

Hoe dan ook, het curatorium heeft bij de beroepbaarstelling te oordelen op basis van door de Studenten ingeleverde preken en op basis van door curatoren in gezamenlijk verband, en soms als mentor alleen gevoerde gesprekken. Er is ook altijd een advies van het college van hoogleraren.

Zoals bekend is, en ook in een vorig artikel (”Een stichtelijk woord door een student”, A.C. januari 1991) vermeld werd, worden bepaalde preken afgewezen, en de gevraagde toestemming om te preken of beroepbaar gesteld te worden (op dat moment) niet verleend. Wat de lijn betreft die de hoogleraren bij hun onderwijs en bij hun gemeenschappelijke beoordeling van preken trekken, mag verwezen worden naar het boek van prof. W. Kremer ”Priesterlijke prediking”. Dit boek is verplichte examenstof. Het onderwijs in de predik-kunde (homiletiek) trekt de door Kremer aangegeven punten door naar vandaag. Daar-naar is door mij met nadruk verwezen in de herdenkingsrede na het sterven van prof. Kremer in 1985. Men zie ook mijn boek ”Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit”, blz. 146-149. Ook in andere publikaties van de hand van hoogleraren van onze universiteit worden deze lijnen doorgetrokken.

De vraag is hoe het komt dat, en wat er moet gebeuren als deze zaken in de preken van Studenten en kandidaten niet voldoende doorklinken of tot hun recht komen. Het is kennelijk dit punt dat verschillende briefschrijvers (waaronder kerkeraden) zorg bereidt. Het is de zorg die ook hoogleraren en curatoren vervult.

lets van deze problematiek is ter sprake gekomen in een interview, dat prof. Van ’t Spijker is afgenomen door een journalist van het Nederlands Dagblad (6 maart 1991). De Journalist vroeg naar de oorzaak van de brede geschakeerdheid onder de kandidaten, van ”zwaar bevindelijk tot - zeg maar - vrolijk orthodox”. De rector antwoordde (aanha-lingstekens ook in de krant): ”Dat hangt samen met de kracht die in ieder mens schuilt om zichzelf te wezen. De meest innerlijke laag, van huis uit gevormd, blijft in zekere zin onbereikbaar voor wat je er later aan toevoegt. Al zijn er ook geweest die bij het van school gaan de accenten anders legden dan ze van huis uit hadden meegekregen.” Het wil mij voorkomen dat de curatoren bij hun beoordeling en beslissing moeten na-gaan of het hierboven door mij geschetste praktische karakter in voldoende mate de preken van de aanstaande kandidaat stempelt. Waar dat niet het geval is, zal men dat de kandi-daat en eventueel ook de kerken duidelijk moeten zeggen. Beroepbaarstelling is geen automatisme. Juist dit laatste punt is in de afgelopen vergaderingen van curatoren uit-voerig besproken.

Het is niet zonder reden dat er nog onlangs in Ambtelijk Contact namens het college van hoogleraren aan de kerkeraden is gevraagd met de Studenten te spreken over ge-houden preken. Er is ook gevraagd om eventuele bevindingen ter kennis van het college te brengen. Het voorgaan in de kerken (voorafgaand aan de beroepbaarstelling) behoort tot de vormings- en leerperiode. Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid van Apel-doorn. De kerken worden hierin betrokken.

Het gaat erom dat in de prediking in onze kerken de lijnen getrokken worden, zoals die in het verleden zijn aangegeven. Daarin moet aandacht zijn voor wat we nu noemen, de praktijk van de godzaligheid, en de vragen hoe een mens deelt in het heil en hoe hij dat beleeft. Toeëigening van het heil en bevinding dienen voor de christelijk-gereformeerde prediking karakteristiek te zijn.

Helaas kan ik in dit artikel niet ingaan op de eigenlijke vraag van dit artikel. D.V. een volgende keer.

Dit artikel is reeds geschreven aan het begin van dit jaar. Het heeft (te) lang moeten wachten op publikatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.