+ Meer informatie

De nieuwe uitgave van onze Kerkorde

9 minuten leestijd

Leve de vrijheld

’t Was in de bar koude winter van 1946/1947 dat ik in ’t niet verwarmde trammetje van Drachten naar Heerenveen — heel vroeg in de morgen — een oude evangelist ontmoette die ontzaglijk veel had gedaan in dienst van zijn Heiland. Ik had in m’n tas — als ik het me goed herinner — de stencildrukproeven van het dictaat „Dogmatiek” van prof. Van der Schuit om de reistijd (toen nog erg lang naar „Holland”!) zoveel mogelijk te benutten voor het corrigeren van deze drukproeven. Maar we raakten in gesprek, de oude evangelist en het jonge domineetje. Op het perron van Heerenveen (waar het zo verschrikkelijk koud was) „ijsbeerden” we heen en weer. Een jongere evangelist voegde zich bij ons. En hoe het kwam, weet ik niet meer, maar plotseling werd ik door beiden beklaagd: als dominee zat je toch maar vast aan een kerkeraad, een kerkorde en wat „dies” meer zij! Nee, dan een evangelist! Die kon nog eens in vrijheid leven en werken! Leve de vrijheid! Die mocht „vrijbuiteren” — zoals ze dat noemden — en dat was toch je ware!

Ja, wat moet je dan als pas beginnend predikant zeggen? Al heb je nog nooit een kerkeraadsvergadering meegemaakt, zodra je bevestigd bent, ben je voorzitter van de kerkeraad en wordt verwacht dat je leiding kunt geven aan de kerkeraadsvergaderingen. Ik had nog geen ervaring om te kunnen beoordelen of een kerkeraad z’n voorzitter zonder meer van z’n vrijheid berooft; in elk geval mijn eigen kerkeraad deed het niet! En de Kerkorde? Och, wat wist ik van de praktijk, van de functionering — volgens zeggen dus een vrijheid-berovende functionering — van de oude Kerkorde. Door de oorlog was het aantal colleges in kerkrecht minimaal geweest. En op het classicaal examen had ik een examinator getroffen die de examentijd (was ’t geen tien minuten slechts) prima zelf wist te vullen. Kerkorde als tegenstelling tot „vrijheid” — nee, ’t was mij niet bekend!

En ook na enkele jaren meer ervaring kan ik toch mijn oude, nu reeds overleden broeder, de evangelist die zoveel en op zovele plaatsen had gearbeid al naar het werk hem in handen viel, nog niet gelijk geven.

Natuurlijk, „vrijheid” is iets dat ieder mens aanspreekt. Je behoeft zelfs niet eens mens te zijn om vrij te willen zijn! Voor de „vrijheid” is de eeuwen door gestreden. Volkeren, individuen, ieder heeft de vrijheid lief! Leve de vrijheid! De grote vraag is echter wat men onder die hooggeloofde en geliefde vrijheid verstaat. De praktijk leert maar al te vaak dat men in naam van de vrijheid aan de willekeur wordt overgeleverd of in de losbandigheid terecht komt. Dat wil zeggen onder „dictatuur” raakt (van wie of wat dan ook) of een slaaf wordt van het eigen-ik dat z.g.n. „los” wil zijn (beweert te zijn) van elke „band”. Een samenleving zonder „orde” verwordt tot anarchie. Hoe gecompliceerder de samenleving wordt, hoe meer er „orde” op zaken gesteld moet worden. Dat k�soms een gevoel van on-vrijheid met zich meebrengen, wanneer de overigens noodzakelijke orde op een domme, mechanische manier gehanteerd wordt ende ene mens de andere niet meer ontmoet als m筳. Iedere nederlander heeft wel eens iets ervaren van „ambte-naarlijk” optreden (met veel succes jegens elke „goede” ambtenaar!). Er zijn ook evangelisten geweest die op soms zielige wijze ervaren hebben wat het betekent aan „willekeur” overgeleverd te zijn!

Wat is dan vrijheid?

Toen 450 jaar geleden de reformatie de strijd begon „om de vrijheid”, ging het zeker tegen de „pauselijke tyrannie”, maar bovenal om de vrijheid God naar Zijn Woord te dienen. De reformatoren — ieder op zijn eigen wijze en op zijn eigen plaats — wisten dat die vrijheid geen losbandigheid kon en mocht insluiten. Daarom keerden zij zich ook zo fel tegen de doperse stromingen wier „vrijheidsstrijd” vaak ontaardde in losbandigheid — denk aan „M�” — 1536! De hoogste vrijheid is tegelijkertijd de hoogste gebondenheid, niet aan een mens, maar aan Gods Woord. De reformatie wist zich ten „hoogste” gebonden aan het Woord van God en juist daarom wist de reformatie wat „vrijheid” inhield!

Die vrijheid beleed de reformatie niet alleen ten opzichte van de „leer”, maar ook ten opzichte van het „leven” van de kerk. Denk aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 7: „Wij geloven dat deze H. Schrift de wil van God volkomen bevat en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de gehele wijze van de dienst die God van ons eist, aldaar in het lange beschreven is, zo is de mensen, al waren het zelfs de apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons nu geleerd is door de H. Schrift.” Dit principe past de reformatie ook toe op de regering van de kerk (art. 30): „Wij geloven dat deze ware kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie (d.i. „regering” - MD), die ons onze Heer heeft geleerd in Zijn Woord”; … „Door dit middel zullen alle dingen in de kerk wel en ordelijk toegaan. ..” Over de gehele wijze van dienst die God van ons eist spreekt art. 32 wanneer daar beleden wordt: „Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is dat die regeerders der kerk zijn, onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft. Er moet — zoals in elk samenlevingsverband — „zekere ordinantie” zijn, een accoord van samenleven en samenwerken waaraan ieder zich houdt, — anders zou dat samenleven en samenwerken een onmogelijkheid worden, — waardoor de een ook weet wat hij aan de ander heeft. Maar zo’n „zekere ordinantie” heeft niet het laatste, alle vrijheid rovende woord. Reeds in art. 7 wordt verworpen „van ganser harte al wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt”, zelfs als het gaat om „conciliꬬ decreten of besluiten” en in art. 32 wordt dat nog eens onderstreept als het gaat om de regering van de kerk: „En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden en alle wetten die men zou willen invoeren, om God te dienen en door deze de consciꭴie te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen dienstig is om eendracht en eenheid te voeden en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods.”

En in de „zekere ordinantie” die onder ons geldt, wordt dit principe „ingesteld en bevestigd” in art. 31: „Hetgeen bij meerderheid van stemmen uitgesproken wordt, zal voor vast en bondig worden gehouden, tenzij bewezen wordt, dat dit in strijd is met het Woord van God…”

Ik wil niet beweren dat er nooit „regeerders” zijn geweest die de „zekere ordinantie” niet hebben misbruikt om de „vrijheid” te beknotten en tyrannie uit te oefenen over de gemeente des Heren, zoals er ook geweest zijn die de „vrijheid” hebben misbruikt om de „zekere ordinantie” aan hun laars te lappen en het eens onder ede gegeven woord te breken, maar ook al gebeurt het ꨮ 笠het ander onder „vrome” schijn, het beginsel van de reformatie wordt door beide misbruiken vertreden: niet het Woord van God regeert, maar de „eigen” zin, hoe handig misschien ook gecamoufleerd (zie voorts het artikel „Ouderling en Kerkorde” in Ambtelijk Contact, januari 1965 blz. 345).

En nu het „Rode hoekje” !

Er is een nieuwe uitgave van onze Kerkorde verschenen. De uitgever stak het deze keer in een rood omslag. U weet misschien dat jaren geleden een uitgave in het blauw is verschenen, zodat de „spraakmakende gemeente” sprak van het „blauwe boekje”. Nu kan er dus gesproken worden over het „rode boekje”.

Dat noch uitgever, noch redactie gedacht hebben aan het beruchte „Rode boekje” van de chinese communist, zal iedere lezer van ons blad wel zonder nader bewijs willen geloven. Dit „rode boekje” roept niet op tot communistische „vrijheid”, die in anarchie van de rode gardisten ontaardt en de tyrannie stimuleert.

Noch uitgever, noch redactie verwachten dat te pas en te onpas overal waar het maar mogelijk is, dit „rode boekje” zal worden geciteerd, maar hopen wel dat met name „leeraars en kerkeraadsleden” (zoals prof. Helenius de Cock in 1868 zijn „Gereformeerde Kerkregering” uitgaf of „Handboek voor leeraars en kerkeraadsleden”) niet zullen schromen dit „rode boekje” te bestuderen, als het nodig is te citeren en als „zekere ordinantie” warop men elkaar vertrouwen kan, te gebruiken. Maar dan steeds onder de reformatorische conditie, zoals onze geloofsbelijdenis die belijdt! Dan wordt het geen rood boekje van Mao Tse Tung, maar dan is het de reformatorische kerkorde zoals de titelpagina het duidelijk aangeeft door met de eerste reformatorische synode van de nederlandse kerken te beginnen, die van Emden in 1571.

Als ik me niet vergis is dit de zesde uitgave van de Kerkorde na 1892. De eerste verscheen in 1894 onder redactie van P.C. Notebaart, ds. Js. Wisse Czn. en ds. P.J. M. de Bruin. In 1922 kwam de volgende uitgave onder redactie van de professoren P. J, M. de Bruin, A. van der Heijden en F. Langkeek. Prof. P.J. M. de Bruin verzorgde alleen de derde uitgave in 1937. Na de tweede wereldoorlog volgen de uitgaven elkaar vlugger op: in 1948, 1954 en nu in 1967. Natuurlijk kan dit verband houden met de oplage die de uitgever (behalve van de eerste steeds D.J. van Brummen te Dordrecht) maakte. Maar het is meer waarschijnlijk dat deze „versnelling”verbandt houdt met het al meer gecompliceerd worden van het leven, ook van het kerkelijke leven dat niet staat buiten de „versnelling”van deze tijd.

Door hoeveel handen is zo’ Kerkorde gegaan. Dan bedoel ik niet de gebruikers, maar hen die bij het formuleren van de artikelen enz. enz. betrokken waren. Afgedacht van de zestien mensen die na 1892 direct betrokken waren bij de verschillende uitgaven, zijn het tallozen geweest die op synoden, te beginnen in 1571 (na de eerste aanzet in 1568 1) gepoogd hebben „zekere ordinantie” in te stellen en te bevestigen om het „lichaam der kerk”te onderhouden. Hun namen zijn slechts ten dele bekend uit de oude Acta. Vaak zijn zij tastend en zoekend hun weg gegaan, de volmaaktheid in de „geestelijke politie” niet bereikend, maar wel begerend niet „af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft”.

Als ook wij zo dit „rode boekje” gebruiken, dan mag men ons beklagen over wat men wil, maar wij beklagen onszelf niet! Leve de vrijheid,.want onze enige Meester is Jezus Christus!

H.

1)Het convent van Wezel in november 1568 (dus bijna 400 jaar geleden) gehouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.