+ Meer informatie

Nog eens: De Zondvloed

8 minuten leestijd

3

Hier volgen de slotbeschouwingen van Ir. v. d. Graaf Beoordeling

Een dergelijk boek is slechts in enkele grove lijnen te tekenen. De bcdoeling van het hierboven geschetste korte overzicht van Rehwinkels boek is slechts de lezers uit te nodigen zelf dit boek te lezen. Want dat verdient het. De cerbied van de schrijver voor de gegevens van de Schrift spreekt op vrijwel elke bladzijde. Vooral ook in het prachtige slothoofdstuk, waarvan de titel is „De Zondvloed, voorafschaduwing van het laatste oordeel”, laat de schrijver dat nog eens duidelijk uitkomen. Hij gaat daarbij in op Matth. 24:37, 38: Want het zal zijn in de dagen van Noach. Van daaruit tekent hij het verval in onze tijd, zich met name ook manifesterend in het loslaten van de betrouwbaarheid van het Woord zoals die onder de christenheid voorkomt.

Men kan van dit boek niet zeggen dat de schrijver bezig is de Schrift aannemelijk te maken of te bewijzen vanuit de wetenschap. Hij laat de Schrift spreken met eigen gczag, daarbij volledig recht doende aan haar historiciteit, met name t.a.v. de zondvloed. Omgekeerd tracht hij ook niet de Schrift te hanteren als handboek voor geologische wetenschap. Vanuit de geologische wetenschap zelf bouwt hij zijn theorie op, maar wel in voortdurende confrontatie met wat de Schrift aan feitelijke gegevens biedt omtrent de zondvloed en de tijd die daaraan vooraf ging. Als zodanig zou ik dit boek eerder willen typeren als een poging om, zowel vanuit het historische gegeven van de Schrift als vanuit de feitelijke gegevens van de geologie, een theorie te ontwikkelen, die de gegevens harmonieert, met elkaar in overeenstemming brengt. Waarbij voor de schrijver, en hopelijk ook voor ons alien, vast staat dat wat God zegt in Zijn Woord geen inbeelding is maar werkelijkheid. Het gaat in het Woord om zaken, die volkomen zekerheid hebben. Zonder de bijbel tot wetenschappelijk handboek van de geologie te maken, moet dan toch wel gezegd worden dat de historiciteit van de bijbel met betrekking tot het gebeuren van de zondvloed in wetenschappelijke ontdekkingen tot uitdrukking komen kan. In dit opzicht heb ik dit boek met veel waardering gelezen. Te meer ook omdat Rehwinkel daarbij telkens weer het hypothctische van allerlei wetenschappelijke uitspraken aantoont en ontzenuwt. Daarmee laat hij zien dat veel, wat zich momenteel als wetenschap aandient, ver verwijderd is van de enige hechte basis, die de wetenschap hebben mag: het feitelijke gegeven. Zoals ik in het vorige artikel gezegd heb waardeert prof. dr. R. Hooykaas daarin juist Cuvier, dat deze wars was van speculates, maar zijn theorie basecrde op het voor handen zijnde feitenmateriaal. Dat kan zo momenteel niet van al die sectoren van de natuurwetenschap, die zich bezig houden met het verleden van de aarde en wat daarop leeft, worden gezegd. Integendeel! In dit verband is het boek van prof. Rehwinkel juist op vele punten een knappe weerlegging van veel hypothesen uit de geologie. Al is het alleen maar dat prof. Rehwinkel erin geslaagd is in zijn boek veel wetenschappelijke drogredenen bloot te leggen, dan is dit boek daarom al geslaagd te noemen. Maar hij laat tevens zien dat wat de Schrift over de zondvloed e.d. zegt zich in onze wereld heeft afgespeeld en als zodanig ook terug te vinden moet zijn in de wetenschap.

Vragen

Niemand mag inmiddels verwachten dat een dergelijk boek op alle vragen antwoorden geeft. Dat erkent prof. Rehwinkel zelf. Vaak laat hij dingen open, waarop en de wetenschap en de Schrift geen antwoord geven. Dat is eerhjk en gewenst. Daarnaast blijven er echter toch ook vragen die door dit boek zelf worden opgeroepen. Verschillende malen schuift prof. Rehwinkel bepaalde geologische uitspraken af naar de biologie zonder dat hij verder op de biologische kant van de zaak in gaat. Het gaat naluurlijk niet aan om alleen de geologie onder de loep te nemen en de biologie er buiten te laten. Men kan dat enerzijds prof. Rehwinkel niet kwalijk nemen. Want bioloog is hij niet. Maar soms is het toch zo dat hij bepaalde problemen afschuift naar de biologie, die daar dan juist levensgroot oprijzen.

Zo is het in feite ook wanneer hij de ouderdomsbepalingen van gesteenten en fossielen min of meer vanuit de geologie wegsehuift, terwijl deze dan toch maar in de natuurkunde rechtop blijven staan. Laten we niet vergeten, in de verschillende natuurwetenschappclijke theorieen grijpen de diverse deelgebieden van de wetenschap als het ware in elkaar. Elke wetenschap maakt gebruik van hulpmiddelen van een andere wetenschap. Daarom kunnen we de wetenschappen niet gei'soleerd bekijken.

Dit boek zou dan ook in een bepaald opzicht aan overtuigingskracht hebben kunnen winnen, namelijk wanneer mede aan de orde waren gekomen de uitgangspunten, die aan elke wetenschapsbeoefening ten grondslag liggen, en de grenzen die aan elk we-tenschappelijk bezig zijn noodzakelijkerwijze zijn gesteld. Want daarop zit naar het mij voor komt alles vast. Als de wetenschap uit gaat van vaste wetmatigheden, dan mag dat in het kader van haar werkmethode geldig zijn, in het licht van Gods openbaring moet gesteld worden dat God niet de gevangene is geworden van de wetmatigheden die Hij zelf schiep. Hij staat er souverein boven. Zijn gedachten zijn hoger dan de onze, ook dan die van ons natuurwetenschappelijk denken. En daarom is elke natuurwetenschappelijke uitspraak zeer voorlopig, alleen geldig gegeven de huidige situatie, waarin de wetenschap allerlei dingen op het spoor komt. Ik bedoel hier dan niet de hypothetische uitspraken van de wetenschap, die niet op directe waamemingen berusten en als zodanig ook wetenschappelijk aanvechtbaar zijn. Maar evenzeer die theorieen, die wel op feitelijke gegevens gebaseerd zijn voorzover de lijnen uit het heden ook inderdaad naar het verleden teruggetrokken mogen worden. In dit opzicht laat Rehwinkels boek ons in de steek, of liever nog, doet hij uitspraken die fundamenteel aanvechtbaar zijn.

Ik wil dit duidelijk maken aan de hand van een pas-sage in dit boek. Rehwinkel zegt: „De wereld die God maakte was in ieder onderdeel compleet. Vanaf het begin was de wereld verdeeld in landen watergebieden. Er waren heuvels en valleien, rivieren en meren, open en bebost terrein, maar ook waren er gesteenten en grond, klei, zand en grind, oergesteenten en gesteenten, die gelijk waren aan onze huidige gelaagde gesteenten, lood en uranium, krijt en kalksteen en alle andere mineralen. Maar toen deze wereld een maal haar vorm ontvangen had, alsmede de goddelijke goedkeuring vanwege haar volkomenheid, zette God de machinerie van het heelal als een prachtig uurwerk in beweging (cursief van mij, J. v. d. G.). Hij stelde vaste onvcranderlijke wetten, waardoor deze wereld zichzelf zou bestendigen in overeenstemming met het oorspronkelijk plan, precies zoals Hij gedaan had met de mens en met de overige geschapen organismen.” (p. 213)

Tegen die uurwerk-gedachte heb ik bepaald emstige bezwaren. Deze gedachte zet God in feite buiten spel. Hier propageert Rehwinkel een soort dei'sme. Nadat God zijn schepping voltooid had, troonde hij voortaan als de rustende erboven. De machine loopt af. Alles verloopt nu volgens de ijzeren dwang van de wetmatigheden. In feite valt Rehwinkel hier — onbedoeld — in de armen van Lyell, die zoals gezegd zijn theorieen erop baseerde dat, gezien de dwang van de wetmatigheden, de sleutel voor het verstaan van het verleden in het heden ligt. Na wat ik hierover al een en andermaal gezegd heb wil ik hier in dit verband volstaan met weer te geven wat prof. dr. G. J. Sizoo hierover opmerkt. Hij zegt dat als we ons hiervan rekenschap geven, we bijvoorbeeld voor de vraag komen te staan of misschien de structuur van de wereld door de zondeval niet zo veranderd is, dat de sleutel van het heden niet op het verleden past. Let wel, hij zegt niet dat dit zo is, maar laat die vraag open. Het is dan ook goed om hier met de nodige omzichtigheid te spreken en niet te gemakkclijk de lijnen naar het verleden door te trekken. Ik weet wel, Rehwinkel laat in dit boek overduidelijk zien dat God ook na de schepping met het geschapene bezig is. Hij ziet immers juist de zondvloed als machtig ingrijpen Gods. Maar, hier is het boek toch met zichzelf in tegenspraak en dat juist op een punt waar fundamentele beslissingen vallen in de waar-dering van natuurwetenschappelijke uitspraken.

Tenslotte

Deze laatste opmerkingen nemen niet weg dat ik grote waardering heb voor Rehwinkels boek. We mogen er dankbaar voor zijn dat de uitgever Buijten en Schipperheijn dit werk in het Nederlands heeft uitgegeven. Want er is grote behoefte aan, gezien de vele theorieen die voetstoots worden aangenomen en als zodanig velen in grote verwarring brengen. Dit boek toont aan dat met minstens zoveel recht een theorie — want dat blijft het — ontwikkeld kan worden die en aan die wetenschappelijke gegevens en aan de Schrift recht doet. Daarom wensen we dit boek in veler handen. Het is bovendien zo helder en pakkend geschreven, dat het voor ieder leesbaar is. Daarom kort gezegd: een boek dat en vanwege taal en stijl, en vanwege de knappe betoogtrant, en vanwege de inhoud (dat vooral) alle aandacht verdient.

Uit wat Ir. v. d. Graaf schreef blijkt, dat hij veel waardering heeft voor het boek van Prof. Rehwinkel, maar ook, dat hij bepaalde bezwaren heeft. En deze brengt hij ook naar voren. Dit verhoogt de waarde van het oordeel van Ir. v. d. Graaf en daarom wilden we onze lezers diens oordeel niet onthouden.

We eindigen met een aansporing om van dit boek kennis te nemen. Het is uitgegeven door Buijten en Schipperheijn te Amsterdam, telt 264 biz. en kost / 19,50. Enige tijd geleden verscheen al de tweede druk in de nederlandse uitgave.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.