+ Meer informatie

“Kenmerken - Prediking”

17 minuten leestijd

Een apart soort prediking?

Voor sommigen is kenmerken-prediking wel zo iets aparts, dat ze zich troosten met de gedachte dat dit gelukkig een uitstervend iets is en ook binnen niet al te lange tijd uit onze kerken zal verdwijnen. Het is voor hen een hele opluchting. Anderzijds zijn er, die kenmerkenprediking zo ”je van het” vinden, dat ze er geen goed woord voor over hebben wanneer aan andere facetten in de prediking ook aandacht wordt besteed.

In beide gevallen ziet men een tegenstelling tussen bijvoorbeeld belofteprediking en kenmerkenprediking. Men zegt dan: het is het één of het ander. Alsof de ene prediking de andere zou uitsluiten.

Is het niet veeleer zo, dat we te maken hebben met allerlei facetten aan een echt bijbelse prediking? Is een trinitarische prediking geen bevindelijke prediking, kan een vertroostende prediking niet tegelijk een vermanende prediking inhouden? Met er in een Christologische prediking geen ruimte zijn voor het werk van de Heilige Geest? Sluiten een verbondsmatige en een onderscheidende prediking elkaar uit?

Wanneer we daarom nu nadenken over kenmerkenprediking willen we dat niet isoleren van de andere aspecten van de gereformeerde prediking, al zullen we aan andere aspecten vrijwel geen enkele aandacht besteden in dit artikel.

Eén van de eerste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, Jean Taffin (hofprediker van prins Willem van Oranje) schreef in zijn ”Merckteekenen der kinderen Gods” dat het evangelie niet alleen maar een leer is ”om met de tong veel over te praten, men moet haar met zijn leven en daden belijden”. Zo komt hij tot het aandacht schenken aan de kenmerken van Gods kinderen. Je kunt het aan leer en leven zien, wanneer iemand kind van God is. Wanneer je kind van God wordt en bent, komt dat openbaar in allerlei kenmerkende trekken van het nieuwe leven, dat uit God is.

Deze kenmerken dienen ook in de prediking aan de orde te komen, omdat het werk van God in het leven van de gelovigen ook in de kerk verkondigd moet worden. Wanneer de Here het hart van Lydia opent gebeurt er nog meer. Dan lezen we van één van de kenmerkende trekken van het tot geloof komen, nl. het acht geven op het Woord van God. Deze en meerdere kenmerken zullen in een gereformeerde, d.w.z. een bijbelse prediking aan de orde dienen te komen. Want het is naar Schrift en belijdenis. Om met het laatste te beginnen.

Confessioneel.

Onze gereformeerde belijdenis spreekt niet alleen van de kenmerken van de ware kerk, maar evenzeer over de kenmerken van de christenen. Overbekend zijn de woorden van art. 29 van de NGB: ”En aangaande degenen, die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen: te weten uit het geloof, en wanneer zij, aangenomen hebbende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den ware God en hunne naaste liefhebben, niet afwijken, noch ter rechter-, noch ter linkerhand, en hun vleesch kruisigen met zijne werken. Alzoo nochtans niet, alsof er nog geen groote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door den Geest al de dagen huns levens, nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus, in dewelken zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hern”. Verder spreekt onze geloofsbelijdenis in art. 5 over het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart en in art. 24 van de vernieuwing van ons leven, waardoor wij vroom en heilig leven uit liefde tot God. Wij belijden in hetzelfde artikel: ”Zoo is het dan onmogelijk dat dit heilig geloof ledig zij in den mensch”, want het echte geloof, dat door de liefde werkt (Gal. 5:6) ”beweegt” de mens ”om zich te oefenen in de werken, die God in Zijn Woord geboden heeft”.

Vooral in de catechismus komen we de kenmerken veelvuldig tegen. Wanneer we door een waar geloof Christus worden ingelijfd, nemen we al Zijn weldaden aan, belijden we in zondag 7. Wat kenmerkend voor een christen is lezen we overduidelijk in zondag 12. In zondag 16 lezen we dat onze oude mens met Christus gekruisigd wordt en ”dat wij onszelven Hern tot een offerande der dankbaarheid opofferen” (antw. 43). In antwoord 44 gaat het over het verzekerd zijn en het mij ”ganschelijk vertrooste” ”in mijn hoogste aanvechtingen”. In zondag 17 spreken wij uit dat wij door de kracht van Christus opgewekt worden tot een nieuw leven en in zondag 20 dat de Geest mij troost. Wanneer het gaat over het eeuwige leven in zondag 22 belijden wij dat ”ik het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel”. Hoewel het onmogelijk is ”dat, zoo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid” (zondag 24), wordt tegelijk beleden in zondag 21 dat ik mijn leven lang te strijden heb tegen mijn zonden en mijn zondige aard. Kenmerken worden ook genoemd in antw. 81, wanneer het gaat om de vraag voor wie het heilig avondmaal is ingesteld. We lezen dan: ”Voor degenen, die zichzelven vanwege hunne zonden mishagen, en noch tans vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren, hoe langer hoe meer hun geloof te Sterken en hun leven te beteren”. Dit laatste wordt ook beleden in zondag 44 met deze woorden: ”dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven”. Als kenmerk wordt in zondag 46 de kinderlijke vreze Gods genoemd, terwijl in zondag 51 gesproken wordt over het bevinden van het getuigenis van Gods genade in ons. En, om niet meer te noemen uit de HC, is het goed om nog eens een stukje van zondag 32 te lezen. ”Daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen Godza-ligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden”.

Niet in het minst spreken de Dordtse Leerregeis over de kenmerken. Heel duidelijk belijden wij in I, 12 als ”onfeilbare vruchten der verkiezing” ons in het Woord van God aangewezen: ”het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.” De gelovigen nemen dit ”in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking” waar. Verwezen wordt naar 2 Cor. 13:5. De overdenking van hun verkiezing vertraagt hen niet in het onderhouden van Gods geboden, zo lezen we in I, 13, waar we belijden: ”Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing, nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheden te aanbidden, zichzelven te reinigen, en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen”. Van hen, ”Die het levend geloof in Christus of het zeker vertrouwen des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen” wordt beleden dat zij ”nochtans de middelen gebruiken” en ”in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan”, I, 16.

Met name in hoofdstuk V worden meerdere kenmerken genoemd. Te denken is aan paragraaf 2 en 3. In 2 worden genoemd: ”zich voor God te verootmoedigen, hunne toevlucht tot den gekruisigden Christus te nemen, het vleesch hoe langer hoe meer door den Geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te doden, en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten” en in 3 de aanvechtingen van de wereld en van de satan. In 5 wordt gesproken van ”het gevoel der genade”, in 7 over het ”van harte en naar God bedroefd zijn” over de bedreven zonden, ”vergeving in het bloed des Middelaars, door het geloof, met een verbroken hart, begeren en verkrijgen; de genade van God, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen; zijne ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hunne zaligheid met vreezen en beven des te naarstiger werken”.

De zekerheid des geloofs blijkt uit het geloof aan de beloften Gods, uit het getuigenis van de Heilige Geest en ”eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken”, V, 10. Wel hebben de gelovigen „tegen onderscheidene twijfelingen des vleesches te strijden” en „gevoelen” zij niet altijd „dit volle vertrouwen des geloofs en deze zekerheid der volharding”, vanwege de zware aanvechting, V, 11. Tenslotte worden in V, 12 nog verschillende kenmerken achter elkaar genoemd: „nederigheid, kinderhjke vreeze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastig in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot emstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.”

Schriftuurlijk.

Aangezien de belijdenis de Schrift tracht na te spreken, moeten wij de genoemde kenmerken in de Schrift ook terug kunnen vinden. Het zal niet veel moeite kosten om zowel in het O.T. als in het N.T. een overvloed te vinden, zoals het slot van D.L. V, 12 aantoont. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Het is zelfs niet te doen al de kenmerken op te sommen, die de Schrift noemt van het leven des geloofs. De rechtvaardige zal uit geloof leven. Is Abram, de vader der gelovigen niet hèt voorbeeld van de gelovige? Zijn er uit zijn leven niet veel typerende dingen te noemen, die kenmerkend zijn voor alle gelovigen?

En is uit het leven van de andere aartsvaders niet zeer veel kenmerkends te noemen?

De Schrift is er vol van. In het bizonder komen we in de psalmen zoveel kenmerkende trekken tegen. Zouden daarom de psalmen zo geliefd zijn en zo’n grote plaats in het leven van de gelovigen hebben?

In het N.T. komen de kenmerken niet minder aan de orde. Wellicht nog uitdrukkelijker. Enkele voorbeelden moeten genoemd worden om dit aan te tonen. Al zou er veel, veel meer genoemd kunnen en eigenlijk ook moeten worden. Maar niet alles kan in één artikel.

In Johannes 14 noemt de Here Jezus een paar duielijke kenmerken. In vers 15 zegt Hij: ”Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren” en in vers 23 lezen we bijna hetzelfde: ”Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren”. ”Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft”, vers 21. Hem liefhebben en Zijn Woord (geboden) bewaren behoren dus bijeen. Daarom kan Johannes daar zoveel aandacht voor vragen in zijn brieven. Met name is te denken aan I Joh. 2: 3-5. In deze brieven vinden we meerdere kenmerken. In 1 Joh. 3:10 wordt het onderscheid genoemd tussen de kinderen van God en de kinderen van de duivel. De rechtvaardigheid en de liefde zijn kenmerkend voor het leven uit God. In vers 14 zegt hij: ”Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben”. ”De liefde is uit God; en een ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God”, 1 Joh. 4:7. ”Wij hebben God lief”, 1 Joh. 4:19. Een kenmerk noemt Johannes (I Joh. 4:2) het belijden dat Jezus Christus in het vlees is gekomen en in 1 Joh. 5:1 zegt hij: ”Een ieder, die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren”.

Paulus, die het zo vaak heeft over het afleggen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens, wijst er op (Ef. 2:10) dat Gods kinderen wandelen in goede werken. Deze zijn vrucht van de Geest, zoals hij laat zien in Gal. 5. De vrucht van de Geest is kenmerkend voor het leven uit de Geest, waarbij de liefde weer voorop gaat. Al is er de strijd des geloofs, zoals Paulus deze tekent in Rom. 7, er is tegelijk een jagen naar het doel, Fil. 3. Er is een droefheid over de zonde naar de wil van God (2 Cor. 7:10), een zuchten in onszelf (Rom. 8) en tegelijk een zeker zijn van de liefde van God (Rom. 8: 38, 39) en een roemen in de overwinning (1 Cor. 15:57).

Zo zouden nog zeer veel dingen te noemen zijn. De bergrede is één groot veld vol kenmerkende trekken van het christelijke leven. Wie worden zalig gesproken door de Heiland? Het is goed om Matth. 5 t/m 7 eens rustig door te lezen in dit verband. Juist omdat dit de prediking raakt. Heeft Jezus Zelf niet gezegd: ”Mijn Schapen horen naar Mijn stem..… en zij volgen Mij”? (Joh. 10:27).

Prediking van de kenmerken.

In een bijdrage van de kerknieuwsredaktie van het Reformatorisch Dagblad van 11 januari 1978 worden we deelgenoot van een vraaggesprek met de vrijgemaakte ds D. van Dijk onder de titel: ”Geen kenmerkenprediking in de ware kerk”. Ds van Dijk vindt het fout en gevaarlijk wanneer hij in zichzelf een kenmerk zou moeten vinden, waaraan hij zou weten: ik ben een kind van God. Hij zegt dat God bij zijn doop gezegd heeft dat hij een kind van God is en dat hij daar alleen maar amen op heeft te zeggen, uiteraard met heel zijn hart. ”Laten wij niet rusten voordat wij persoonlijk met een levend geloof Christen hebben aangegrepen als onze Borg en Zaligmaker”, zegt hij. Maar tegelijk wil hij het onomwonden benadrukken dat hij sterk gestreden heeft tegen een kenmerkenprediking, die, zo meent hij, ook in de afgescheiden kerken leefde. Hij zegt ook waarvoor hij zo bang is, nl. ”Dat teveel bezig zijn met eigen gestalten en stemmingen. Ik heb sterk gestreden, ja, tegen de kenmerkenprediking”.

In de Gemeenschappelijke Verklaring ten aanzien van de toeëigening des heils, gepubliceerd door Deputaten voor eenheid van de gereformeerde belijders van onze kerken en de Gereformeerde Commissie voor samenspreking van de buiten-verbandse kerken wordt over de kenmerkenprediking aldus gesproken: ”Duidelijk wordt gesteld, dat de kenmerken van het ware geloof in de prediking aan de orde moeten komen, maar niet als gronden voor de zekerheid des geloofs, want Christus is de enige grond van het geloof”. Kenmerkenprediking moet!

Niet omdat enkele mensen dat men elkaar zijn overeengekomen. Het is ook nodig voor de gemeente. Er moet onderscheidenlijk gepreekt worden. Het moet de rechtvaardige aangezegd worden dat het hem goed zal gaan, maar de goddeloze dat het hem kwalijk zal gaan. Maar wie zijn deze rechtvaardigen en wie zijn deze goddelozen in de gemeente des HEREN? Er is zo’n grote schakering onder beiden. Er zijn echter dingen die kenmerkend zijn voor de één en evenzeer kenmerkend voor de ander. Deze dingen moeten ter sprake komen in de prediking, zodat iedereen, wat men wel heeft genoemd, ”z’n naam hoort noemen in de preek”. Hoe bemoedigend kan het juist voor de jongeren in de gemeente niet zijn om te horen wat kenmerkend is voor wedergeboren zijn. Het kan een enorme troost zijn in de prediking je naam zo te horen noemen, dat je weet ”maar dan is God ook aan het werk in mijn leven”. De prediking zoekt toch de opbouw van de gemeente en niet minder de eer van God? Als je in je leven zoveel dingen mag zien, kan onder de prediking van de grote werken van God voor je en in je het lied geboren worden: ”Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan”. Gaat het dan om God of niet? Juist omdat wij gezien hebben dat het helemaal bijbels is kenmerken te noemen, kunnen we met een gerust hart zeggen dat kenmerkenprediking een bijbelse prediking is. Het is voluit verkóndiging in de prediking het Woord te laten dóórklinken: zonder heiliging zal niemand de Here zien!

De kenmerken van het geloof (ook van het ongeloof) moeten in de prediking aan de orde komen, wil de prediking werkelijk schriftuurlijke prediking zijn. Dat betreft niet alleen de kenmerken naar buiten in de levensheiliging, maar evenzeer de kenmerken naar binnen (als ik het zo eens noemen mag), zoals een hartelijke droefheid over de zonde en een hartelijke vreugde in God(zondag 33), een verlustiging in de wet van God (Ps. 119 en Rom. 7), een vrolijk zijn in de HERE (Jes. 61), een verlangen naar de HERE (Ps. 42) en een stil zijn bij de HERE (Ps. 62 en 131), om slechts iets te noemen.

Wanneer al deze dingen in de prediking niet meer aan de orde komen, vermagert de prediking niet alleen, maar kan deze nog moeilijk een bijbelse verkondiging genoemd worden.

Kenmerken brengen geen zekerheid.

’t Is geen optelsom. Wanneer we een aantal kenmerken op een rijtje zetten en van daaruit trachten te konkluderen of we geloven of niet, zullen we er nooit komen en zeker geen rust kennen, of het moest zijn een valse rust. Want het is hier geen zaak van redeneren en konkluderen. Het gaat om het zien van de grote werken van God. De kenmerken kunnen voor een kind van God bemoediging brengen, maar uiteindelijk heeft ds van Dijk daarin gelijk, wanneer hij zegt: ”Er is maar één vaste grond, de beloften Gods”. Daarom is een belofte-prediking en een kenmerkenprediking met elkaar niet in strijd. Het een kan zelfs niet zonder het ander.

De zekerheid des geloofs ligt nooit in iets van mijzelf. Ook niet in wat God in mijn leven heeft gewerkt. Want er kunnen momenten komen dat ik me afvraag of het allemaal wel echt gebeurd is en of ik me niet bedrieg, of het allemaal niet een stukje gevoel is of opvoeding en wellicht napraterij. Is, wat ik in mijn leven meen te ontdekken, wel van de Heilige Geest of van mijn eigen geest? Er kunnen niet alleen momenten, maar tijden komen dat het ons allemaal uit de hand valt en ik niets meet heb aan alle mogelijke kenmerken. Dat God wat Hij gebouwd heeft, afbreekt en wat Hij geplant heeft, uitrukt. Dan sta ik daar in al mijn eilende en ben ik alleen maar zondaar voor God, die het van Gods genade moet hebben en slechts kan roepen met de tollenaar: ”O God, wees mij, de zondag, genadig”. Dan kan ik alleen maar pleiten op Gods verbond en woorden. Dan kan ik alleen maar zeggen: HERE, U hebt het bij mijn doop beloofd dat U alles voor zondaren, voor mij, wilt zijn. Vervul Uw belofte. Ik heb niets anders en heb ook niets verdiend. Maar U hebt het beloofd! Ik hoop op Uw Woord.

Als het gaat om de vraag hoe ik rechtvaardig voor God ben, is er maar één antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus! Er is geen andere weg. Maar in deze door en door bijbelse prediking (die we via de reformatie weer terugkregen) zal moeten gezegd worden wat kenmerkend is voor echt geloof. Niet in het minst met het oog op de jongeren. Er zijn er gelukkig nog die naar zekerheid zoeken. Zij moeten leiding ontvangen. Zij mogen vertroost worden in het zien van het werk van God in hun leven, maar dienen tegelijk vermaand worden om verder te komen, tot de vastheid, die alleen maar ligt in Gods beloften, in de Here Zelf.

’t Gaat er niet om dat ik weet dat ik naar de stem van de Herder hoor, maar dat ik de Herder ken en ontmoet (als ik het zo mag zeggen).

Daarom is het van groot belang op welke wijze de kenmerken in de prediking aan de orde komen. De Schrift stelt ze nooit als grond voor de zaligheid. Kenmerken zijn niet meer dan kenmerken. Om het met een variant op art. 24 van de NGB te zeggen: ”Voorts, al is het dat wij met geestelijke blijdschap vele kenmerken van het geloof in ons waarnemen, zo gronden wij toch onze zaligheid niet daarop.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.