+ Meer informatie

Briefwisseling met mijn jonge vrienden

5 minuten leestijd

(24)

Waarde jonge Vriendin,

Mijn brief No. 19 had je belangstelling opgewekt. De vraag rees bij je: Mag ik pleiten op de doopbelofte? Je hebt wel eens horen zeggen, dat God ons in de doop zegt, dat Hij ons bekeren wil, maar wij willen niet bekeerd worden, dus kunnen wij niet spreken over een „pleiten op de doopbelofte '. Daarbij werd je gezegd, dat, als God een mens bekeert, hij mef Gods recht te doen krijgt, dus dan niet kan pleiten op de belofte.

Ik wil trachten hier iets van te zeggen.

In de doop wordt de reiniging onzer zonden door het bloed der besprenging ons voorgesteld. Zoals Christus ons in de prediking wordt aangeboden, zo wordt de reiniging door Zijn bloed ons in de doop verzegeld. Bij God is vergeving van onze zonden. Als de Heere zo tot de mens afdaalt, mag dan die mens niet pleiten op Gods eigen woord? De belofte des Evangelies wordt in de doop verzegeld en deze belofte is, dat een iegelijk, die in de gekruiste Christus gelooft, niet

verder ve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte alle volkeren en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt (zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal, (Hand. 2 : 39) zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof (zie 5 art. II—5). Moet men eerst bekeerd zijn, eer men MAG pleiten? Maar wat voor zin heeft dan de bede: eere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn.

GEloven staat in het nauwste verband met BEloven. Hoe kan de eis des geloofs van Godswege tot ons komen, als daar niet de belofte aan vooraf ging? Moeten wij nog meer bedekselen zoeken voor onze afkerigheid? Zullen wij met een zogenaamde rechtzinnige redenering heimelijk de schuld op God werpen? Zouden ouders niet mogen pleiten op de doopbelofte? Heeft mijn jonge vriendin daar nooit van gehoord? Maar wat zegt dan het gebed in ons doopsformulier: Wij bidden U, bij Uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door Uw Heilige Geest Uw Zoon Jezus Christus inlijven ....?

Je zegt: ls er b.v. staat: Ik zal het werken, wie zal het keren? " dan mag ik om de vervulling van deze belofte toch vragen? Natuurlijk, mag je dat. Waar zouden wij het anders zoeken moeten? Zeg niet in uw hart: ie zal in de hemel opklimmen? Het zelve is Christus van bovet} afbrengen. Of wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelve^ vs Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken (Rom. 10 : 6—8).

Nu vraag je: Moet ik eerst weten of ik uitverkoren ben. daar er toch ook staat: „Hij wil er van de huize Jacobs om gebeden worden", dus niet van iedereen. Hoe moet ik dit nu verstaan?

Haast zou ik zeggen: c mens heeft vele vonden gezocht. De Heere verbindt hiep de vervulling van Zijn raad en belofte aan het gebed van Israël en voegt er daarom nog deze belofte aan toe: aarenboven ZAL lk hierom van het huis Israëls verzocht worden, dat Ik het hun doe: k zal hen vermenigvuldigen van mensen als schapen." (Ez. 36 : 37).

Moeten wij dit nu gaan omdraaien en er een pleitreden des ongeloofs van maken en er een verbod in lezen, als zouden wij niet mogen bidden, omdat wij nog niet zeker zijn voor onszelf, dat wij behoren tot het zaad Jacobs in geestelijke zin?

Wat wonderlijke beschouwing hebben we toch van het pleiten op de Goddelijke beloften! Wat redenering: een zondaar, die met Gods recht te doen krijgt, kan niet pleiten op een belofte.

Als Christus in de beloften wordt voorgesteld: dat door Zijn striemen ons genezing wordt geschonken. Voor wie heeft dit betekenis? Toch zeker voor een verslagen zondaar.

De ene keer heet het: Als wij niet belast en beladen zijn, wordt ons de rust in Christus niet gepredikt; en als wij belast en beladen zijn heet het weer: dan heeft hij met Gods recht te doen en kan hij niet pleiten op de beloften.

Laat ik ditmaal mogen eindigen met de godzalige H. Bin* ning tc laten spreken, met wie ik het van harte eens ben:

„Het eerste begin van het vertrouwen op God is het wantrouwen aan onszelf en totdat iemand ziet, dat zijn plicht en zijn last boven zijn macht is, en zijn last zwaarder dan dat hij die zou bunnen dragen, zal hij nooit overreed worden«om tot Christus Jezus te komen en op Hem te vertrouwen. Wij willen zulk een leer niet verkondigen om iemand af te schrikken om tot Christus te komen, totdat hij belast en beladen is; want, zo iemand ziet dat hij die vermoeidheid mist, waar zal hij gaan om die te vinden? Is er wel een andere fontein dan Christus Jezus, zowgl van genade als van voorbereiding daar toe, indien zulke er Is? Maar dit verkondigen wij u, dat, totdat gij belast en beladen zijt, gij uw last op Christus Jezus niet werpen zult. Wij behoeven u niet te verbieden tot Hem te komen totdat gij zodanig zijt, want gij zult anders gèwisselijk niet komen. Dit is c*e dodelijke boosheid van onze harten, dat wij nooit onszelf verlaten zullen, totdat wij niet anders of beter kunnen."

Nu wordt nog een vraag gedaan. Maar mijn brief wordt te lang. Ik moet deze tot later bewaren. Intussen verblijf ik, Met hartelijke groeten aan allen.

Je vriend BARUCH.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.