+ Meer informatie

Ongehuicheld

2 minuten leestijd

Zijn wij naar God bedroefd, zo is het ons om God te doen, zo stellen wij ons hoogste goed en gelukzaligheid alleen in God. Dan ligt de droefheid ons diep in het hart, tot vertering menigmaal des vleses, dan gaan wij zuchtende en verlangende uit tot de levende God met een dorst der ziel, als een gejaagd hert, dat schreeuwt naar de waterstromen, ja, zó schreeuwt onze ziel alsdan tot God.

Waar intussen de droefheid naar God is, daar is van die droefheid geen vertoon voor de mensen; daar is een bedroefde geest als het ware eer vanzelfheid; daar is haat tegen de zonden; daar zijn beenderen, die de Heere verbrijzeld heeft, en die lust hebben aan de verheuging Gods. Daar moet de Heere God Zelf vreugde en blijdschap doen horen; daar wordt de droefheid in genen dele tot een grond gemaakt, om er troost op te krijgen.

Wie naar God bedroefd is, denkt aan God en niet aan zijn droefheid. Hij wil vrijgemaakt wezen van de zonde, van de kwade consciëntie en van de dode werken, om te dienen de levende God.

Er ligt dus op de bodem des harten een waarachtige vreze Gods, een ware verbrijzeling, ongehuichelde eerbied en diepe schaamte.

H. F. Kohlbrugge („De ware Zelfbeproeving")

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.