+ Meer informatie

Denemarken, o zo Hollands

Over de Fynske 'Alper', het meisje met de vissestaart en Duveke's voorkeur voor wortelen en uien

14 minuten leestijd

aarin verschilt Denemarken van Nederland? Beide landen zijn zeer plat, hebben een bijna identieke kromming in hun westelijke kustlijn en kunnen terugzien op een rijk verleden met veel scheepvaart. Ook het klimaat komt overeen. Even wisselvallig. Er zijn natuurlijk verschillen. Denemarken is geen goedkoop land. Prijzig zijn vooral de genotmiddelen (alcohol voorop) en de horecabedrijven, die aan een aantal stevige belastingen gebonden zijn. De Denen wonen met 5,5 miljoen mensen op een oppervlakte die ruim een vijfde groter is dan die waarop de Nederlanders leven. Kleinschaligheid heeft ' daardoor in Denemarken een wat minder kneuterig karakter dan in Nederland. Het landschap is rustig, vriendelijk. Niet majestueus, niet grimmig, niet onherbergzaam, niet onbegaanbaar. Je ziet overeenkomsten met de Veluwe, de Sallandse heuvels, de Zeeuwse delta, de Peel, de Waddeneilanden, de Hollandse duinen en het drassige Westfriese land. Velen zijn in de veronderstelling dat Denemarken „een eind weg" is. Via de autobaan richting Bremen en Hamburg, rijd je gemakkelijk binnen een dag naar Denemarken. Pakweg 750 kilometer. Ook de afstanden in Denemarken zijn klein. De wegen zijn uitstekend. Zelfs de kleinste wegen zijn geasfalteerd. Weggebruikers kunnen Denemarken op een aantal manieren 'binnenvallen'. Met de veerboot Puttgarden-R0dbyhavn (een uurtje varen) of via het vasteland. Het merendeel van degenen die voor het laatste kiezen, stuurt regelrecht op de grensovergangen KrusS, Padborg of Fraslev aan. Onze keus valt op Saed, meer richting kust. Het gaat hier wat gemoedelijker toe. Na het passeren van de grensbomen worden we links en rechts verwelkomd met het gastvrije "Giv dig tid. Take your time". Neem voor Denemarken de tijd!

In het vissers-en loodsendorpje Dragor is de Nederlandse invloed nog waarneembaar De hobbelige straatje dragen namen die herinneren aan de Hanzetijd: Zytfensgade (Zutphensestraat), Deventergade en Zaandam Allé. T0nder is het eerste Deense stadje dat we binnenrijden. Een driemaster in volle zee siert het wapen. Dat lijkt wat vreemd voor een stad die zo'n vijftien kilometer van de modderige waddenkust verwijderd ligt. Ook de VidS, die langs het stadje stroomt, ziet er niet bevaarbaar uit. Aan het eind van de zestiende eeuw verzandde deze smalle rivier. Vanaf die tijd probeerden de stedelingen met kantklossen hun brood te verdienen.

In de pittoreske straatjes zie ik niemand deze vorm van huisvlijt (meer) uitoefenen. En dan te bedenken dat hier ooit 12.000 kantklossters werkten. De kanthandelaren sponnen er goed garen bij. De statige herenhuizen in de Ostergade en de Storegade zijn er stille getuigen van. Sierlijk bewerkte portalen en deuren, brede gebeeldhouwde omlijstingen, erkers, stenen leeuwtjes en koperen deurkloppers. De mooiste 'entreejuwelen' vind ik in de Vestergade. De rijkdom van een stad spreekt dikwijls uit haar museum. Het Kulturhistorisk Museum bezit Hollandse tegels, waarmee de gegoeden de interieurs van hun huizen graag bekleedden. Prachtig bewerkte bijbelsloten maken deel uit van een rijke verzameling zilver. En natuurlijk ontbreekt in de kantstad een "Kniplingsamling" evenmin.

Tegenwoordig is het sluimerende (vee)marktstadje in trek bij honderden jonge trouwlustigen uit tientallen landen. Tonder wordt wel het Gretna Green van het Noorden genoemd. De'schilderachtige straatjes —de Uldgade!— zullen ongetwijfeld bijdragen aan de romantische sfeer. Scheefgezakte, kleurige huisjes, erkers met geraniums voor de ramen, en een keienplaveisel. Hier hadden veel kantklossters en goudsmeden destijds hun werkplaats. Ik zie er geen.

Apostel Ansgar

Jyllland (Jutland) heeft een mooie Noordzeekust, met kilometerslange, krijtwitte stranden. Met Kama laten we ze echter links liggen. Het weer is er niet naar en er gaan geruchten dat het waddeneiland wordt overspoeld door Duitse badgasten. Sinds Denemarken lid is van de EG, leggen hier veel Duitse trawlers aan om hun vangst aan wal te brengen. IJstentjes en worstkramen —de Nederlandse equivalent van de haringkar— dragen zelfs Duitse opschriften.

We rijden naar Ribe, een gezellig ingedommeld handelsstadje met een heuse kathedraal. De spits van de Domkirke is al van verre zichtbaar in het vlakke, moerassige land. In 850 liet de apostel Ansgar hier de eerste houten kerk van Denemarken bouwen. De huidige kathedraal verrees in de jaren 1117-1225. De "' bronzen deur aan de rechterzijde van de Dom heet in de volksmond de "kattekopdeur". De mensen zagen de versieringen aan voor een kat en vier muizen; in werkelijkheid is het een leeuwekop omgeven door vier kleine salamanders, die ook voor draken kunnen doorgaan. Het klokkenspel laat dagelijks zijn klingelende klanken horen. Afwisselend rose" (De mooiste is dat "Den yndigste roos), een psalm van de bisschop-dichter Hans Adolf Brorson, en het droeve volkswijsje "Dronning Dagmar ligger i Ribe syg". Deze ballade bezingt het lot van de door heimwee geplaagde koningin Dagmar, die hartstochtelijk verlangde naar haar vaderland, het verre Bohemen.

Deense Luther

Als je door Ribes knusse straatjes wandelt, valt je oog op allerlei aardige dingen. De gebouwen hebben kleurige gevels en fraaie uithangborden. Boven m'n hoofd kleppert een ooievaar. Ribe is de Stad-van-de-ooievaars, al worden de nesten steeds minder bezocht. Een ander 'leuk' detail vind ik in een muur in de Sonderportsgade: een gedenkplaat voor het laatste slachtoffer van de heksenvervolging in Denemarken, Maren Spliid. Zij werd in 1641 verbrand.

Op het domplein staat een beeld van Hans Tausen met de Bijbel in z'n armen. Deze afvallige johannieter monnik werd in 1541 bisschop van Ribe. Zijn grafzerk in de kerk is niet meer dan een kale steen. Een rood vakwerkhuis, waar deze 'Deense Luther' de laatste tien jaar van zijn leven doorbracht, is nu een museum met een kleine archeologische verzameling.

's Avonds valt uit de oude lantaarns zacht licht over gevels en straten. Romantisch Ribe. Tegen tienen lopen we de nachtwaker tegen het lijf. Hij is bezig met zijn ronde door de oude stad. Net als in de Middeleeuwen, met lantaarn en "morgenster"-staf in de hand. Luidkeels zingt hij het eeuwenoude wakerslied en vertelt zijn gehoor (ook in het Engels) de geschiedenis van Ribe, een relaas van branden, grote stormvloeden en dichtslibbende vaargeulen.

Bloementuin

Net als de reis door Midtjylland saai en eentonig begint te worden, doemt aan de horizon Billund op. Het lijkt wat vreemd dat een dorp van niet meer dan 6800 inwoners een luchthaven heeft waar de grootste jets kunnen landen. Het vliegveld ontstond mede dank zij Legoland, het speelgoedstadje dat naar de wereldberoemde plastic steentjes vernoemd is. De attractie is al bezocht door miljoenen mensen. Saillant detail: het lijkt erop dat het modeldorp meer in de smaak valt bij gepensioneerden dan bij kinderen... •

Via een brede hangbrug over de Lille Baelt (Kleine Belt) komen we op Fyn (Funen). Overal bloeien bloemen. De wallen die de wegen begeleiden en samen met de beken en riviertjes het land in vakken verdelen, gaarfschuil onder de wilde rozenstruiken. Holle wilgen markeren de smalle, kronkelende wegen. De soldaat uit het sprookje van Hans Christian Andersen (de Tondeldoos) zou er zo uit kunnen springen!

Het landschap van het Deense eiland is een streling voor het oog. Het is vriendelijker en zachter dan het o zo Hollands aandoende en melancholieke Jutland. Echte bergen moet je in de "Tuin van Denemarken" niet verwachten, al worden de zachtglooiende heuvels wel de Fynske Alper genoemd. Gekscherend natuurlijk, want anders zou ons Limburg op een dergelijke nominatie ook aanspraak kunnen maken. Ze bieden mooie uitzichten en zijn bedekt met Overwegend gras of graan. De diep-roodbruine runderen steken af tegen de korengele velden. Plotseling opent zich een bos van beuken, gfenffii^fepnen, dat achter eén'tóêïï^ergTOffidë. Dan weer maakt het decor plaats voor typische molens en witzwarte vakwerkboerderijen met rieten daken. Hun "buede ruder", de bolle raampjes, kaatsen het licht terug. Automobilisten die alleen de hoofdweg over het eiland rijden, zien er weinig van. *

Eikenbos

De grootste trots van Fyn zijn misschien wel de vele mooie landhuizen. Het zijn vaak juweeltjes van kasteeltjes. : Het meest opmerkelijke is Egeskov bij het rustige dorpje Kvaerndrup. Europa's best bewaarde renaissancekasteel is omgeven door prachtige tuinen, met daarin 75 soorten fuchsia's. Smal en lang zijn de wandelpaden in de doolhof van hoge en rechtgeknipte heggen, die het kasteel nog even aan onze ogen onttrekken. Maar dan rijst het statige slot op in al zijn pracht. Trotse zwanenelijden over de rimpelloze slotgracht, die als een spiegel de rode muren en de groene torens weerkaatst. H. C. Andersen, die graag op Egeskov logeerde, schreef over het kasteel: zo veel ramen als er dagen in het jaar zijn, zo veel deuren als er weken, zo veel schoorstenen als er maanden, zoveel vleugels als er jaargetijden zijn. In de stalgebouwen is het Egeskov Veteranmuseum ondergebracht. Die veteranen zijn old-timers, oude motoren, rijwielen, vliegtuigen enzovoorts. Bezichtiging van het indrukwekkende kasteel is toegestaan en is zeker de moeite waard. De kamers puilen uit van jachttrofeeën en antieke meubelen (in een van de vertrekken zat een freule na een amoureuze misstap jaren opgesloten...). In de nok van het kasteel is een mini-expositie gewijd aan de restauratie. Hier, onder de dakconstructie, ligt een houten pop. Het verhaal gaat, dat als hij wordt verplaatst, het kasteel in de gracht zal zinken!

De eerste heer van Egeskov was Frands Brockenhuus. Hij gaf in 1524 opdracht tot de bouw aan de uit de Nederlanden afkomstige bouwmeester Martin Bussart. Egeskov is gebouwd op in het water geheide eikehouten palen. Men had er zo veel nodig, dat er een heel eikenbos (=egeskov) voor geveld moest worden. De Japanners zijn weg van het oude slot. Dat blijkt onder meer uit het feit dat ze de waterburcht in hun land op gelijke schaal en met zo veel mogelijk dezelfde materialen na gaan bouwen.

Openluchtmuseum

Odense, de hoofdstad van Fyn, dankt zijn naam aan god Odin, aan wie hier vroeger offers werden gebracht. De stad zelf heeft veel van haar vroegere schoonheid opgeofferd voor sfeerloze betonmassa's. In het centrum is die vernieuwing ten koste gegaan van het oude, het pittoreske. Desondanks wordt Odense overspoeld door toeristen. Allemaal bewonderaars van H. C. Andersen. Groepjes Japanners en Amerikanen sjokken achter een gids door het stadsdeel waar de slungelige sprookjesdichter zijn jeugd doorbracht. Hier heeft de tijd stilgestaan. Camera's klikken onophoudelijk. De souvenirverkoopster kijkt tevreden.

In het openluchtmuseum Den fynske Landsby, aan de zuidzijde van Odense, kunnen we heel agrarisch Fyn samengevat bewonderen. Zo'n twintig boerderijen, een tolhuis, een smidse, een weverij en een molen zijn met inventaris en al naar hier overgebracht. De hop —het symbool van Fyn— windt zich langs lange staken omhoog. De omrankte staken werpen een grillig lijnenspel op de van ouderdom verzakte en witgepleisterde muren. Een mooie tegenhanger van Den fynske Landsby is overigens Den gamle By in Arhus. Dat museum bestaat hoofdzakelijk uit stadswoningen.

Vikingschepen

Voor een schandalig hoog bedrag brengt een veerboot ons naar de overkant van de Store Baelt (Grote Belt). Het uurtje varen komt op 75 gulden. Veerdiensten zijn de enige mogelijkheid om vanaf het Europese vasteland het eiland Sjealland (Zielland) en daarmee de hoofdstad Kopenhagen te bereiken. In 1996 zal dat leed geleden zijn en zullen dagelijks 12.000 auto's en 200 treinen gebruik maken van een 13 kilometer lange brug-tunnelcombinatie. De bouwers? Die Hollanders natuurlijk weer! Kosten? 6 miljard gulden.

Van heinde en ver kan men zich oriënteren op de zo teer lijkende torenspitsen van de hooggelegen kathedraal van Roskilde. De groenkoperen kleur van torens en het dak contrasteren prachtig met de rode baksteen. Christian IV liet hier zijn eigen grafkapel bouwen alsmede een vergulde koninklijke kerkbank met veel latwerk ervoor, zodat hij er tijdens de dienst ongestoord zijn pijp kon roken.

Zeemeermin

De oude koningsstad—in de dom bevinden zich de pompeuze graftomben van de meeste leden van de koninklijke families— is bekend om zijn "Vikingeskibshal". Als je de vijf vikingschepen in dit museum bewondert, komen de geschiedenisboekjes weer tot leven. De wrakken zijn in 1962 uit de bodem van de Roskilde Fjord opgegraven.

Kopenhagen geldt als de meest levendige stad in heel Scandinavië. De stad aan de Sont is echter niet te vergelijken met Londen, Parijs of Rome. Zij mist de grootsheid, de historische rijkdom. Verwacht dus geen oud, wat romantisch centrum. Liefhebbers van winkelen, uitgaan en musea zullen de hoofdstad van koningin Margrethe II evenwel in'-Euif— hart sluiten. Straget is een winkelpromenade van krap anderhalve kilometer, waar je je kunt vergapen aan peperdure hebbedingen. En voor Scandinavische begrippen heeft Kopenhagen een 'rijk' uitgaansleven. Met beschaafd en onbeschaafd vermaak. | De bezienswaardigheden variëren van bakstenen produkten van Vlaamse renaissancebouwmeesters tot piepkleine museumpjes met verrassende collecties snuisterijen. Het wereldvermaarde, doch lichtvoetige eet-, speel- en theaterpark Tivoli staat pal naast het wassenbeeldenmuseum van Louis Tussaud (jawel, de achterkleinzoon van "Madame Marie").

En dan is er natuurlijk de Kleine Zeemeermin uit het sprookje van Andersen, 's Werelds beroemdste beeldje aan het strand van Langelinie is de bekendste Kopenhaagse. Heel de stad hangt vol met posters en ansichtkaarten van het

Tenders statige herenhuizen hebben sierlijk bewerkte portalen en deuren, brede gebeeldhouwde omlijstingen, erkers, stenen leeuwtjes en koperen deurkloppers. De mooiste 'entree-juwelen'vind je in de Vestergade. meisje met de vissestaart. Als je niet oplet, loop je haar haast voorbij. Daar zit ze dan, het droeve hoofd enigszins afgewend, alsof ze zich schaamt voor haar naaktheid. Het bronzen lijfje heeft een grote aantrekkingskracht op vandalen en grapjassen: ze is al onthoofd, ontarmd, aangekleed en in alle denkbare kleuren geverfd.

Maitresse

Op Amager, een schiereiland vlakbij het vliegveld van Kopenhagen, vind je nog sporen van Nederlanders. Koning Christian II smeekte in 1521 een flinke groep boeren en tuinders uit Waterland en West-Friesland naar zijn land te komen. Ze moesten de groente- en fruitteelt op een hoger niveau brengen. Koningin Isabella der Nederlanden, zuster van Karel V en opgevoed aan het hof van Gent, zou er haar man om gevraagd hebben. Zij wist „dat die mensen heel goed kunnen omgaan met boter fen kaas, worteltjes en uien, en dat ze tuitten kunnen aanleggen en wilde ganzen kunnen vangen".

Volgens anderen had Duveke, een Hollandse maitresse van de koning, er de hand in. Duveke (Duifje) was de dochter van Sigbrit (Sybrecht) Willemsdochter. Deze weduwe uit Hoorn dreef na de dood van haar man in de Noorse stad Bergen een herberg. Christian, toen nog stadhouder van Noorwegen, kwam daar vaak een glaasje drinken. Al ras raakte hij verliefd op de knappe herbergiersdochter en zo verhuisde Duveke korte tijd later naar het paleis in Oslo. Haar moeder haalde de Hollandse boeren over naar Denemarken te komen. De agrariërs dwongen gunstige concessies af en vestigden zich op de vruchtbare grond van Amager. Hun Deense voorgangers werden eenvoudig door Christian II verjaagd...

Trein Gjertsen

De koning schonk de boeren, die voor groenten en zuivelprodukten voor het hof gingen zorgen, niet alleen boerderijen en grond, maar ook privileges, zoals vrijstelling van belasting, eigen bestuur en rechtspraak. Het dorp waar ze woonden kreeg de naam Hollaenderby ("het dorp van de Hollanders"), het tegenwoordige Store Magleby. Ze boerden goed, agrarisch en financieel, zodat de Deense boeren jaloers op hen werden. Veel contact tussen beide groepen was er echter niet. Twee eeuwen lang leefde de Hollandse club bijna geïsoleerd van zijn omgeving. De Nederlandse taal bleef de omgangstaal en in die taal werd tot 1811 in de witgepleisterde kerk van - Stor&Magleby gepreekt. Op het kerkhöFliggen honderden afstammelingen begraven. Op tientallen grafstenen staan onmiskenbaar Hollandse namen als Dirch Jansen, Grilles Zitbrandtsen en Trein . Gjertsen.

Op een steenworp van het kerkje ligt het Amager-museum verscholen tussen bomen en vlierstruiken. De witgepleisterde, achttiende-eeuwse Hollandse boerderij heeft zwartgeteerde deuren en een rieten dak. Groene luiken sluiten de raampjes potdicht af. Op de binnenplaats van gladde heitjes staat een waterput, voorzien van ketting, puthaak en emmers. Een oud stukje vaderland. In de vorm van meubeltjes, schilderijen, gebruiksvoorwerpen, tegeltjes en sieraden is een groot gedeelte van de rijke Nederlandse erfenis te zien. Overigens, er wordt in Amager nog steeds Sinterklaas gevierd!

Het eiland levert nu groenten aan Kopenhagen en aan een groot deel van , Sjaelknd. Ook bloemen, want de bollenvelden van Amager breiden zich steeds meer uit.

In het nabijgelegen vissers- en loodsendorpje Dragor is de Nederlandse invloed eveneens nog waarneembaar. Niet alleen in het Drag0r Museum, maar ook in de oude charmante binnenstad —geelgekalkte huisjes met piepkleine tuintjes— kan men Hollandse sporen vinden.. De hobbelige straatje dragen namen die herinneren aan de Hanzetijd: Zytfensgade (Zutphensestraat), Deventergade en Zaandam Allé. ||l<:n«n.Mk(?n telt wte gastvriffs hotels VAR ty-oot fn modern «n ktiift en ücm. Ft /i;n L't.hlefowk afierrwtie%<• üwrtuchiingsrmvgeJjjkhcdrti. Zu'. U'rhuren veel Dau-ja bun vomerh\unvi Sin toemten. Wii naar Dene^ arken gaat, kitifiadurc inlormafie inwinnen bii het DiJcns Verki.-crtfcuireiti, fVt 1 ïdrtstr.ut 3,251Ü CB i|«i Haag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.