+ Meer informatie

de wijk, de gezinnen in de wijk…

5 minuten leestijd

Veel is reeds geschreven en gesproken over de moeilijkheden en mogelijkheden van het huisbezoek.

Ook in ons blad werden of worden diverse aspekten van dit deel van onze ambtelijke arbeid belicht doch uit de vragen welke meermalen gesteld worden blijkt telkens weer dat meerdere broeders, heus niet alleen jongeren of „nieuwe-lingen” dit toch wel een moeilijke taak vinden.

Een broeder stelde mij enkele vragen, niet over de indeling van het bezoek niet over hen die bezocht worden maar meer over de bezoekers zelf, over het samenstellen, het aanwijzen van bepaalde broeders voor een bepaalde wijk. Kan iedereen met iedereen elk willekeurig gezin bezoeken, moeten de ouderlingen proberen zich in taal en manieren aan te passen bij het gezin dat men bezoekt. Is het fout van mij als ik me er aan stoot dat een medebroeder door bepaalde manieren toont dat hij uit een ander maatschappelijk milieu komt dan de men-sen die we bezoeken? enz.

Ik wil trachten op enkele punten uit deze brief in te gaan, uiteraard zonder plaatsen of namen te noemen. Ik kan me trouwens voorstellen dat soortgelijke vragen ook in andere plaatsen leven en dat beantwoording in ons blad daarom op z’n plaats is. Wijkouderlingen.

Als regel worden op de eerste kerkeraadsvergadering na de bevestiging van ambtsdragers de „wijken” opnieuw ingedeeld, althans voor elke wijk weer twee broeders aangewezen, de zgn. wijkouderlingen.

De praktijk heeft mij geleerd dat daarbij zo mogelijk rekening gehouden wordt met de woonplaas der broeders opdat, en dat geldt .vooral de steden, men geen lange afstanden behoeft te lopen of fietsen om in z’n wijk te komen.

Vroeger kon dat betekenen dat dezelfde ouderlingen soms jarenlang dezelfde wijk te bearbeiden kregen. Sinds echter ook in onze kerken verplichte aftreding steeds meer wérkelijk aftreden is gaan betekenen is hierin wel enige verandering gekomen.

Men zou de vraag kunnen stellen of het een bezwaar is dat een wijk een tijdlang door dezelfden wordt bearbeid, men leert elkaar dan wat beter kennen en vertrouwen. Dat kan, natuurlijk, maar anderzijds blijkt uit de praktijk dat zowel bezoekers als zij die bezoek ontvangen wisseling toch wel op prijs stellen. Doch we keren terug naar die eerste vergadering.

Bij die aanwijzing of samenstelling van =„tweetallen”; houdt men als regel reke-ning met de pas gekozenen en zal men, zéker als het iemand betreft die voor het eerst ambtsdrager is, deze laten samengaan met een collega die „het klappen van de zweep kent’. Ik geloof dat zulks ook aan te bevelen is.

Maar, en dan denk ik aan een der gestelde vragen, dient daarbij dan ook rekening gehouden te worden welke onderling men samenvoegt.

Er kan toch onderling wel zoveel verschil zijn dat het voor de een of de ander een moeilijke zaak wordt om steeds samen te moeten gaan, en zou het daarom maar niet beter zijn om collega’s van b.v. gelijke ontwikkeling, van gelijke maatschappelijke positie samen te doen gaan?

Ik geloof niet dat het deze kant uit moet.

Een werknemer moet toch echt wel met een werkgever kunnen samengaan en een leraar met een magazijnknecht. Mij is van nabij bekend dat een bediende uit een groot bedrijf heel prettig op huisbezoek ging met zijn bedrijfschef. Dat moét ook kunnen en als dat niet kan, om welke reden dan ook dan moet daar door de broeders onderling of op de kerkeraadsvergadering maar eens ernstig over gesproken worden.

Moeilijker wordt het, dacht ik, als één van de twee zich niet zou weten aan te passen wanneer in het te bezoeken gezin de omstandigheden anders zijn dan in het milieu waarin hij gewoonlijk verkeert. Als een fabrikant in een arbeiders-gezin komende wat „uit de hoogte” zou doen en tonen dat hen zich daar niet op z’n gemak gevoelt of wanneer de wegwerker in het gezin van b.v. de notaris z’n kopje koffie slurpt en spreekt zoals hij dat dagelijks in de werkkeet doet „[a-z]an geeft dat aanleiding tot ergrnis” zo schreef een broeder mij en dat is begrijpelijk.

Toch zal men, wanneer dit soort gevallen zich voordoen, eerlijk en openhartig maar vooral ook taktisch met zijn medebroeder moeten spreken. Natuurlijk is dat moeilijk maar het zal gemakkelijker gaan naarmate men als kerkeraads-leden gewend is met elkaar te spreken over andere- en zeker over geestelijke zaken. Spreekt men als wijkouderlingen steeds met anderen over de persoon-lijke verhouding tot de Here en Zijn dienst dan kan het toch bijna niet anders of men zal na elk bezoek nog wat napraten over het gehoorde hetgeen betekent dat men ook wat meer van elkaar ,aan de weet” komt. Ik mag hierbij misschien wel opmerken dat dit voor de gehele kerkeraad van het grootste belang is. Men leze daarover de artikelen van Prof. W.H. Velema nog eens na die hij in de eerste jaargang van A.C. met name in No. 7 heeft geschreven.

Tenslotte zou ik dan nog een praktische wenk of raad willen geven. Het is mij bekend van twee personen die regelmatig op propaganda-pad zijn om nieuwe re-laties aan te knopen dat zij na afloop aan elkander vragen: „heb ik in het ge-sprek ook een fout gemaakt of ben ik misschien iets vergeten en hoe kwam het dat bij dat bepaalde punt de bespreking ineens zo stroef ging?’

Iets dergelijks moesten m.i. de wijkouderlingen na hun bezoek ook doen want blijft men zich aan bepaalde dingen ergeren dan vormt men geen team meer en is een vruchtbaar bezoek niet mogelijk.

Wanneer dit in liefde, op recht christelijke wijze gebeurt zal elke ambtsdrager daar voor open staan?

Over andere vragen een volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.