+ Meer informatie

Voornaamste inhoud van de rede van minister drs. J. Boersma

12 minuten leestijd

1. Inleiding

Het probleem van de werkloosheid is een de gehele Nederlandse samenleving rakend vraagstuk. En wanneer we de vooruitzichten voor de nabije toekomst bezien, moeten we rekening houden met een verdere toeneming van de werkloosheid, tezamen met een vrij hoog inflatietempo en een te geringe groei van het reële nationale inkomen. Het gebruik van het woord „werkloosheid” brengt evenwel het gevaar van een zekere afstandelijkheid met zich mee. Want het gaat uiteindelijk om, buiten hun wil om, werkloos geworden medemensen.

Dat U in het thema voor deze diakenenconferentie juist de werkloze centraal gesteld heeft, getuigt naar mijn mening van een wel doordachte, maar vooral wel doorvoelde, aandacht voor deze problematiek.

Ik heb dan ook gaarne gehoor willen geven aan Uw verzoek om hier als gastspreker het woord tot U te richten.

2. Evaluatie in de opvattingen over werkloosheid

Wellicht ten overvloede zou ik willen wijzen op een aantal algemene economisehe factoren, die van grote invloed zijn op de huidige werkloosheid. In de eerste plaats dient geconstateerd te worden, dat we niet met een typisch Nederlands verschijnsel te maken hebben. Nagenoeg alle geïndustrialiseerde landen kampen met een economische recessie, die zich vooral kenmerkt door een daling in de mogelijkheid, geproduceerde goederen af te zetten. De hiermee gepaard gaande terugval in de internationale handel oefent, samen met een toegenomen internationale concurrentie een nadelige invloed uit op de export vanuit ons land. Maar ook binnenlands zijn er afzetmoeilijkheden.

En dan is in het recente verleden nog de oliecrisis die ingrijpende gevolgen had, en nog steeds heeft.

Verder heeft een internationale monetaire onrust beslist niet bijgedragen aan het scheppen van zekerheid voor het bedrijfsleven en de nationale regeringen: zeker niet in deze tijd, die zozeer gekenmerkt wordt door inflatie.

Nu is het niet mijn bedoeling, door als het ware een doos van Pandora te openen, waaruit onafwendbare rampspoeden zich op de mensheid storten, om bij U een gevoel van machteloosheid op te roepen. Wat ik, zij het zeer schetsmatig, probeer aan te geven, is dat we geconfronteerd worden met een gelijktijdig samenvallen van diverse ongunstige ontwikkelingen.

En het kennen van deze ontwikkelingen, en hun onderlinge verbondenheid, is een noodzakelijke voorwaarde voor ieder beleid, dat erop gericht is om aan deze problematiek het hoofd te bieden. Gezien de prognoses betekent dit alles voor ons, dat we rekening moeten houden met een lagere economische groei: nu reeds is er een veel groter aantal werklozen dan enkele jaren geleden nog voor mogelijk gehouden werd.

In dit economisch gebeuren speelt de overheid een belangrijke rol.

Wanneer, zoals nu gebeurt, vele mensen werkloos raken, moeten we dit toeschrijven aan een falen, of zo U wilt, een niet feilloos functioneren van ons economisch stelsel en de besturing daarvan. Het is een menselijk tekort Schieten.

Het werkloos zijn is een zaak, die we niet de werkloze kunnen en mogen verwijten. Nu zijn er wel stemmen, die beweren, dat veel werklozen onwillig zijn om weer aan de slag te gaan, dat er door velen misbruik gemaakt zou worden van de sociale voorzieningen. Zeker, er zullen mensen zijn die ten onrechte gebruik maken van sociale voorzieningen. Afgaande op de informatie die mij ter beschikking staat, moet ik er wel dit bij zeggen, dat het op de totale groep om slechts betrekkelijk weinigen gaat. Desniettemin is dat verdrietig en onaanvaardbaar tegelijk.

Bovendien, ook bij andere overheidsmaatregelen komt misbruik voor; ik hoef alleen maar te verwijzen naar bijv. de belastingen en de ontduiking daarvan.

Vanzelfsprekend moeten we zonodig bereid zijn daar tegen op te treden.

Maar daarmee mogen we niet de mensen treffen, die terecht gebruik maken van deze voorzieningen, en die vormen gelukkig nog steeds de overgrote meerderheid.

Wel is het zo, dat de financiële lasten die deze voorzieningen met zich meebrengen, bijzonder hoog zijn geworden.

Jarenlang zijn deze lasten zonder protest gedragen. Zelfs aangevoerd als bewijs voor het bestaan van een welvaartsstaat. Maar nu het werkelijk aan komt op een solidariteit met, een verantwoordelijkheid voor economisch zwakkeren, geven sommigen „niet thuis”.

Dat er grenzen zijn, aan wat financieel te dragen is, staat buiten kijf. Maar laat een discussie over het financieel haalbare, en de zo eerlijk mogelijke verdeling van de beschikbare middelen niet omslaan in een min of meer verdacht maken van door economische oorzaken werkloos geworden medemensen.

Want dan zouden we terugvallen naar opvattingen over werkloosheid, die toch niet geheel meer van deze tijd zijn.

Zeker in de vorige eeuw, en ook in de crisisjaren viel het geluid te beluisteren, dat werklozen het aan zichzelf te danken hadden; omdat zij b.v. lui of dorn zouden zijn. Of dat perioden van werkloosheid nu eenmaal onlosmakelijk verbonden waren met de, toen nog, liberalistische-kapitalistische produktiewijze. En dat de arbeiders de lasten daarvan maar te accepteren hadden. En dan speelt er nog een ander element mee dat beslist niet uit de tijd is, maar nog steeds actueel. Zeker in christelijke kringen is arbeid méér dan alleen middel van bestaan. Het is een inhoud geven aan de Bijbelse roeping van de mens. Het werkloos zijn wordt in dat licht dan gauw gevoeld als een in dit opzicht tekort schieten; het hele bestaan van de mens wordt erdoor geraakt. Dat dit op de beleving van de werkloosheid, zowel door de werkenden als werklozen, een diepgaande uitwerking heeft, behoeft nauwelijks betoog.

3. Evolutie in de opvattingen over hulp aan werklozen

Eén van de lijnen die ik in mijn betoog tot nu toe heb aangegeven, is die van de toenemende betrokkenheid van de overheid in het economisch stelsel. Samen met een zich wijzigende kijk op de oorzaken van werkloosheid veranderen ook de opvattingen over de wijze van hulpverlening.

In de eerste helft van de 19e eeuw, toen Nederland enkele tientallen jaren gebukt ging onder een chronische werkloosheid, was er voornamelijk sprake van kerkelijke en particulière armenzorg. Een zorg, die slechts voor een zeer klein deel de grote noden van de werklozen lenigde. En waarbij velen zich gelukkig mochten prijzen, wanneer ze een dak boven hun hoofd hadden voor de winter en regelmatig voedsel en kleding kregen. Deze zorg was meer gunst dan recht.

De gelden die ter beschikking werden gesteld hadden vaak meer als functie het geweten van de gever te sussen, dan dat met deze liefdadigheidsgelden werkelijk hulp aan de werklozen werd gegeven.

Met de komst van de industrialisatie zien we, dat omstreeks 1870 de publieke opinie zich steeds meer bewust wordt van het bestaan van de „sociale kwestie”. Tevens beginnen stemmen te klinken, die stellen dat de staat moet optreden, op die terreinen, waar de particuliere krachten niet voorzien in de noden van de bevolking.

Terwijl sommigen, zich baserend op de ideeën van het socialisme, hierbij een fundamentele verandering van de maatschappelijke orde voor ogen staat, hopen anderen d.m.v. overheidsinvloed het functioneren van de bestaande economische orde te verbeteren. Onder degenen, die hun verontrusting uiten over de gevolgen van deze eerste fase van de industrialisatie in Nederland, zijn velen te vinden die zich laten leiden door motieven ontleend aan het Evangelie.

In die jaren begint een voorzichtig ingrijpen van de staat in het arbeidsbestel door middel van sociale wetgeving.

Aan het eind van de vorige eeuw verschijnt de vakbeweging als belangenbehartiger van de werknemers. Een belangenbehartiging die zich niet alleen uitstrekt tot de werkende leden, maar die leden ook te hulp schiet in geval van werkloosheid.

In de Eerste Wereldoorlog bereidde de staat zijn activiteiten ook uit tot de hulpverlening aan werklozen. Het Werkloosheidsbesluit van 1917 voorzag in een financiële bijdrage van de overheid aan de werklozenkassen van de vakbonden. De ontoereikendheid hiervan was voor een ieder duidelijk; daarin werd gedeeltelijk tegemoet gekomen door een rijkssteunregeling.

Verder werd, in de crisisjaren, een werkloosheidssubsidiefonds ingesteld om de gemeenten hulp te verlenen bij hun kosten van steunverlening en werkverruiming. Deze financiële hulpverlening van de kant van de overheid vindt dan na de Tweede Wereldoorlog zijn vervolmaking in de huidige Werkloosheidswet, de Wet Werkloosheidsvoorziening en de

Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers.

Terwijl bij de vroegere armenzorg van oudsher de nadruk gelegd werd op een passieve benadering van de problematiek, zien we bij de werkloosheidsbestrijding langzamerhand een actieve benadering ontstaan.

Dit betekent: niet alleen hulp verlenen. maar ook inspelen op de oorzaken van werkloosheid door een werkgelegenheidsbeleid te voeren. En verder op de arbeidsmarkt d.m.v. het arbeidsbemiddelingsapparaat, U allen bekend als de Gewestelijke Arbeidsbureaus, dat een intermediaire rol tussen vraag en aanbod vervult.

Terugblikkend kunnen we vaststellen, dat in de materiële hulpverlening aan werklozen de overheid een centrale rol vervult. Hoewel deze steun op het materiële vlak onontbeerlijk is, wordt hiermee nog geen antwoord gegeven op alle Problemen van de werklozen. En juist voor die andere Problemen, op het immateriële vlak, ligt naar mijn mening een taak voor de kerk.

4. Taak van de kerk

Het is wel duidelijk, dat de taak van de kerk in dezen, afgezien van bijzondere gevallen, niet meer ligt bij de geldelijke hulp. En evenmin bij de schepping van werkgelegenheid. Een zwaar accent komt te liggen op de begeleiding van de werkloze bij het zoeken van een oplossing voor zijn problemen van niet-materiële aard; kortom: bij het bepalen van zijn plaats in de samenleving en zijn koers in het leven. Ik heb al gewezen op het feit dat arbeid meer is dan alleen geld verdienen.

Arbeid betekent ook, als het goed is, zelfontplooiing, het leggen van sociale contacten, nuttig zijn en een plaats hebben in deze samenleving. Ook al is er de laatste jaren een verandering waarneembaar in wat wel genoemd wordt het traditionele arbeidsethos, toch blijkt telkens weer dat het werk voor de meeste mensen een zeer voorname plaats in hun leven inneemt. En dit geldt wel speciaal voor hen, die werkloos worden. Zij zien zich dan ook gesteld voor vele Problemen. Naast de financiële beslommeringen, die er ondanks de goede sociale voorzieningen toch wel zijn, valt daarbij te denken aan zaken als:

1) Een gevoel van dofheid en berusting, van overbodig en nutteloos zijn.

2) Het gevoel door de huwelijkspartner, door familie, vrienden en bekenden niet meer voor vol te worden aangezien, of in andere woorden, een prestige- en statusverlies.

3) Door het afwezig zijn van het arbeidsritme met de tijd geen raad weten.

4) Het verlies van contacten met mensen op het werk en met vrienden en bekenden.

5) Een toenemende twijfel op diverse gebieden.

Ook al heb je weet van de siechte algemene economische situatie, het is bij een niet aan de slag kunnen komen niet meer dan menselijk dat je op een gegeven moment aan je eigen kundigheden gaat twijfelen.

Een twijfel, die ook kan overslaan naar je geloof en naar je vertrouwen in de samenleving waarin je leeft.

Met de volgorde van de genoemde probleemgebieden heb ik geen rangorde willen aangeven, ook niet dat ze los van elkaar beschouwd kunnen worden. Wel heb ik hier iets proberen aan te stippen van de immateriële zijde van de werkloosheid. Ik kan mij voorstellen dat met name deze vijf punten binnen de kring van de christelijke gereformeerde kerken en ook daarbuiten kunnen dienen als oriëntatie voor een bezinning op de begeleiding van werklozen. Hoe de daaruit voortvloeiende taken gestalte moeten gaan krijgen, is niet aan mij om aan te geven. Wel heb ik aan een aantal mogelijke nadere uitwerkingen gedacht.

Voor wat Uw eigen kerkleden betreft, die werkloos geworden zijn, lijkt het mij van belang hen uitdrukkelijk te laten voelen, dat zij „erbij” horen. Dat zou o.a. tot uitdrukking gebracht kunnen worden in woord - prediking en huisbezoek -, geschrift en daad. Wat dat laatste betreft zou gewezen kunnen worden op zinvolle bezigheden ten behoeve van anderen respectievelijk de samenleving. Taken bijv. in kerkelijk verband, in verenigingen, in buurt en wijk. Op de achtergrond hiervan dient de idee, dat de mens meer is dan zijn beroepsarbeid, uitdrukkelijk mee te speien. Het relativeren van het traditionele arbeidsethos, kan wellicht al „verlichtend” werken. Dit onderwerp zou een thema kunnen zijn voor gespreksgroepen (van werkenden èn werklozen samen).

Bij de prediking zou ook gewezen kunnen worden op de verantwoordelijke taak van de werkgever. Een duidelijke pastorale taak is weggelegd, bij de problemen die er kunnen bestaan op godsdienstig gebied. Maar ook op een andere manier zou de kerk Stelling kunnen nemen, nl. door de overheid en de volksvertegenwoordiging kritisch te volgen bij het zoeken naar een rechtvaardige verdeling van de arbeid. Door erop te wijzen, dat we een verantwoordelijkheid hebben t.a.v. onze medemens, vooral in deze tijd. Dat de (economisch) sterkste schouders ook de zwaarste last moeten dragen. Dat we allen bereid moeten zijn offers te brengen, iets minder aan ons eigen belang te denken ten gunste van hen, die nu de onevenredig zware last van de werkloosheid persoonlijk ondervinden.

Ik heb vandaag Uw aandacht gevraagd voor het probleem van de werkloosheid. Ik heb in het kort aangegeven waar de taken van de overheid liggen, en op welke manier de kerk mogelijk de werkloze kan begeleiden. Bij het diaconaat staat de dienst aan de medemens voorop. En dat betekent dienst nù; niet alleen een verwijzing naar het komende Rijk.

Rede minister Boersma

Een centraal element voor overheid en kerk ligt naar mijn stellige overtuiging in de opvatting, dat de mens verantwoordelijk is ook voor zijn medemensen. Ik hoop dat U in Uw diaconale werk, waarin U ongetwijfeld de werkloosheid en haar gevolgen zult tegenkomen, dit thema zult laten doorklinken.1)

Het is een goede zaak, dat U vandaag deze conferentie aan dit onderwerp hebt gewijd. Ik hoop van harte dat er ook vruchten van zichtbaar zullen worden.

1) Het zou van groot belang kunnen zijn dat de kerken in Nederland gezamenlijk zouden trachten na te gaan hoe zij gevolgen van de werkloosheid met elkaar kunnen opvangen en de werklozen zelf pastoraal en anderszins begeleiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.