+ Meer informatie

Ter overweging

16 minuten leestijd

Homofilie, status of stigma - een onaanvaardbaar dilemma voor de wonende mens, door dr. H. Bade.

Een nieuw boekje over homofilie, vooral nieuw omdat dr. Bade vanuit een niet gebruikelijke gezichtshoek dit probleem benadert.

Hij doet dit vanuit zijn specialiteit het „wonen”, de wonende mens - een onderwerp waarop de schrijver destijds promoveerde.

Ik moet zeggen dat ik met veel belangstelling en ook instemming dit werkje gelezen heb.

Wonen, zegt de schrijver, is meer dan er ergens zijn. Het is: je thuis voelen, thuis zijn in de geborgenheid bij de ander.

Het huwelijk is daar de diepste uitdrukking en beleving van. ’t Is de Goddelijke bedoeling dat man en vrouw naar ziel en lichaam zich bij elkaar zullen thuis voelen, in liefde tot elkaar en met de inwoning van God. In de vervlechting van hun leven bewonen man en vrouw elkaar. Dat dit mogelijk is, is te danken aan het anders geschapen zijn van de man en de vrouw. Fysiek, psychisch, wezenlijk kunnen man en vrouw samenwonen - en geven gestalte aan de juiste zin van de cohabitatie.

Met andere woorden noemt de bijbel dat „aanhangen”, „één vlees zijn”, „bekennen”.

Dit existentiële wonen is niet denkbaar voor de homofiele mens, die wil samenwonen met de ander van hetzelfde geslacht. De schrijver laat dan ook duidelijk uitkomen dat dit ook niet toelaatbaar is. Dat wordt nabootsen, een leven van „alsof”, met voor wie daarin eerlijk tegenover Gods bedoeling en zichzelf blijft, een eigen „pijn”.

Duidelijk wijst hij het accepteren van homofiele praxis (beleven van het homofiel-zijn) af onder het motief van de medemenselijkheid, zodat de maatschappij ook deze vorm van „wonen” als een variatie op het heterofiel „wonen” maar moet leren inbouwen in het geheel.

Ik geloof dat we blij kunnen zijn met dit duidelijke standpunt. In dit boekje worden geen kreten geslaakt, vluchtige oordelen uitgesproken, maar ook geen concessies gedaan aan een opdringerig, eenzijdig accepteren van de status van de homofiele mens. Daarmee is ten diepste de homofiele mens niet gediend en geholpen.

Vooral in het laatste hoofdstuk: Samenwonen op Gods aarde, klinkt een pastorale toon door die de homofiel, die christen is en wil zijn, moet aanspreken.

Het is verleidelijk om niet één of meer zinnen uit dit boekje aan te halen. Allen die bij het pastoraat betrokken zijn, wens ik het ter lezing in handen. Het wil beslist niet de pretentie voeren volledig te zijn in de benadering van dit probleem.

Bij mij kwam af en toe de vraag op of de schrijver het begrip „wonen” niet te sterk gevuld heeft vanuit ons westerse begrip van wonen, samenleven in huis, kamer, privacy. Hoe was dat in de wereld van de bijbel?

En zijn afwijzen van de nieuwe exegese in hoofdstuk IX zou nog sterker zijn geweest als hij daarin had verwerkt wat hij in het laatste hoofdstuk (blz. 88, 89) als bijbels opgevat mensbeeld afwijst.

Ik vroeg me ook even af waarom dr. Bade in een noot op blz. 67 de opmerking van Van Veen betekenisvol acht, dat we ons niet moeten blind staren op het handjevol bijbelteksten. Dat handjevol bijbelteksten staat juist in een context, waarin de heiliging van mens en lichaam voorop staat. Ik denk aan het herhaalde in Lev.: Ik ben de HERE uw God.

Wie dat laat meespreken, heeft de handen vol aan de boodschap in deze teksten.

Maar overigens veel waardering.

„Bevrijding”. Bijbels dagboek onder redactie van ds. J. Overduin.

„Bevrijding” is de titel van een bijbels dagboek dat, onder redactie van ds. J. Overduin, in 1975 is verschenen bij uitgeverij Zomer en Keuning te Wageningen.

Aan dit keurig uitgegeven boek van kloek formaat hebben elf predikanten uit verschillende kerken hun medewerking verleend. De redacteur ds. Overduin verzorgde de maanden januari en februari alsook enkele meditaties voor feestdagen. Overige schrijvers zijn: ds. G. Split, ds. B. Oosterom, dr. G. de Ru, dr. J. Rinzema, ds. Jac. v. Dijk, ds. G. v. d. Brink, ds. J. O. C. Bouma, prof. dr. W. H. Velema, ds. Ph. W. Bergkotte en drs. P. H G. C. Kok.

Het omslag vermeldt dat het een dagboek is voor persoonlijke meditatie en dat het ook zeer geschikt is voor lezing in het gezin.

Dit zou dan kunnen betekenen dat er voor dit boek een „ruime markt” moet zijn. Nu dat hoop ik van harte, want de inhoud is het lezen en overdenken alleszins waard.

Toch meen ik een paar kritische opmerkingen niet achterwege te mogen laten. Als dit dagboek niet veelvuldig gelezen wordt, beantwoordt het niet aan het doel van de redacteur, door hem in een voorwoord omschreven. Of met de opzet van dit boek dit doel bereikt wordt waag ik te betwijfelen.

Die twijfel geldt niet de meditaties zelf. Er is veel variatie van schrijvers en daarom zal het één de lezer meer aanspreken dan het ander. Niet iedere schrijver is er in geslaagd om het thema „bevrijding” ook duidelijk tot uitdrukking te laten komen. Soms is het tussen de regels verborgen en vragen de stukjes herlezing en overdenking.

Dat zal dan ook de bedoeling wel zijn, maar ik vraag mij af of velen daar aan toekomen.

’t Wil mij nl. voorkomen dat vooral in gezinnen met jonge of al wat oudere schoolgaande kinderen een dagboek als regel ’s morgens gelezen wordt.

„Goede Moed” wordt op huisbezoek nogal eens genoemd en vaak is mij gebleken, dat b.v. moeders dit graag met de kinderen lezen, óók vanwege de „lengte” der stukjes en de opgegeven schriftgedeelten (uitzonderingen daargelaten).

Bij „Bevrijding” zou het tegendeel wel eens het geval kunnen zijn. Men kan het betreuren, en als ambtsdragers zullen we op de onjuistheid daarvan telkens weer moeten wijzen, maar er zijn niet zo heel veel gezinnen meer waar men „nog tijd heeft” om aan tafel een lang Schriftgedeelte te lezen, soms zelfs twee gedeelten en dan ook nog een meditatie. Daarom verwacht ik, dat dit boek meer door bejaarden en b.v. alleenstaanden gelezen zal worden, dan dat het in onze ge-rinnen op tafel komt. Ik hóóp dat het anders is, want tal van meditaties zouden, juist in gezinnen met opgroeiende kinderen wel eens aanleiding tot een gesprek kunnen geven.

Dat ds. Overduin ook wel kritische opmerkingen verwacht mag blijken uit hetgeen hij zelf schreef nl.: „Het is vanzelfsprekend dat de ene meditatie meer geslaagd is dan de andere. De lezer moet wel bedenken, dat elke meditatie eenzijdig is, omdat één bepaald aspect van het Evangelie ter sprake komt. Wat U op de ene bladzijde mist, vindt u op de andere … daardoor wordt soms voor uw gevoel al te grote eenzijdigheid later weer goed gemaakt”.

Men kan zich afvragen of dat bij een dagboek wel juist is, daar het immers stukjes voor elke dag zijn.

Het is echter de moeite van het proberen wel waard.

Op vele bladzijden wordt er duidelijk op gewezen, dat voor iedereen ware bevrijding alleen te vinden is bij de Bevrijder, Jezus Christus en dat die bevrijding dan tegelijk een opdracht inhoudt nl. het getuige van Christus zijn.

Graag onderstreep ik de wens van de redacteur als hij schrijft: „Moge dit dagboek door Gods Geest gebruikt worden om ons van allerlei gebondenheden te verlossen tot de christelijke vrijheid”.

„School en Ouders” door de Werkgroep Unie-Ouderparticipatie. Uitgave Unie School en Evangelie.

Dit cahier over ouderparticipatie heeft door een misverstand wat lang op bespreking moeten wachten. Het vormt een wat brokkelig geheel van persoonlijke bijdragen over deze „meest ingrij-pende vorm van contact en samenwerking tussen school en huis” (drs. L. Kranenborg in zijn bijdrage ). Met dit boekje is het onderwerp noch uitgeput noch afgerond. Het „woord vooraf” geeft dan ook uiting aan de hoop dat discussie over deze zaak op gang komt.

In het eerste hoofdstuk — van de hand van drs. T. M. Gilhuis — worden enkele historische leugens ontmaskerd inzake de herkomst van de leus „de school aan de ouders”. Terecht, meen ik. Maar in veel van de overige bijdragen wordt dit adagium toch gretig geannexeerd als zijnde puur christelijk. Zoals dat trouwens al tientallen van jaren geschiedt, getuige wat Gilhuis aanhaalt uit 1907 (Woltjer) en 1910 (Van Andel). Jammer, dat hij niet aangeeft waar de leus dan wel vandaan komt; wellicht was dan een kritischer stellingname mogelijk. Op gezag van wat prof. Waterink eens meedeelde: dit is van oorsprong een liberale leus uit de tijd van de Belgische schoolstrijd toen koning Willem I zijn gezag wilde vestigen over de hogeschool van Leuven.

Uit de verschillende bijdragen deel ik enkele gedachten mee, zodat U een indruk kunt krijgen van het belang van dit werkje.

Kranenborg meent dat via ouderparticipatie de zelfstandige school „tot de orde” kan worden geroepen. Hij wijst op dreigende gevaren: chaos, overbelasting van het personeel, moeilijkheden in de onderlinge verhoudingen bij de ouders, wellicht niet legale interesse, ongewenste invloed van onkerkelijke ouders.

E. de Jong behandelt de vraag hoe ouderparticipatie op gang te brengen en de voorwaarden waaronder deze kan functioneren. Hij ziet op de achtergrond ook de behoefte aan goede vrije-tijds-besteding bij veel moeders.

B. de Haan is van mening dat het ideaal zou zijn als het bestuur van een goed werkende schoolvereniging van ouders zou samenvallen met de per 1 januari aan kleuter- en lagere scholen verplichte oudercommissie.

K. de Jong Ozn. (de huidige staatssecretaris van onderwijs) beveelt met het oog op het voortgezet onderwijs aan een schoolbestuur (van een vereniging!) in te delen in secties. Namelijk financiën, bouwzaken en onderwijs. Met de laatste kan dan een schoolraad worden gevormd waar alle geledingen van de school in vertegenwoordigd zijn voor de communicatie en coördinatie. Bovendien kunnen er werkgroepen van ouders en docenten worden gevormd.

Mevrouw M. Zijlstra noemt drie redenen op de achtergrond van ouderparticipatie : informatie-verzorging, pedagogische belangen, politieke belangen. „Niet één van deze (…) kan de belangrijkste worden genoemd”. Zij belicht het belang van leerlingen-participatie in het voortgezet onderwijs.

Mevrouw Mink van Rijswijk vertelt van „kunstmoeders” (z.g. lees-, reken-, taal of bibliotheekmoeders) op een Amersfoortse basisschool.

Het boekje geeft tenslotte een model van een reglement voor een oudercommissie, opgesteld door de Nederl. Prot. Chr. Schoolraad.

Van de Unie School en Evangelie verscheen ook een cahier „Blij-spel/godsdienstige vorming van de kleuter”, geschreven door de Werkgroep Unie-kleuteronderwijs.

Gezien de aard van dit cahier en de bedoelingen van Ambtelijk Contact, volsta ik met een aankondiging van dit werk en de aanbeveling aan geïnteresseerden er kennis van te nemen.

Dr. R. J. van der Meulen, Prins van Egypte, bevrijder van Israël. Uitg. T. Wever - Franeker.

De gestalte van Mozes heeft de eeuwen door geboeid. Ontzaglijk veel is over hem geschreven, gepreekt, getheologiseerd en gefantaseerd. Het boek van dr. Van der Meulen dat een 142 bladzijden telt, wil „Mozes’ roeping in het licht van het Nieuwe Testament” bezien. In een zes-tien hoofdstukken zonder titel maar met een tekst — vooral aan Exodus ontleend — geeft dr. Van der Meulen zijn visie op verschillende aspecten van Mozes’ plaats en taak in het geheel van de Godsopenbaring. De toon is meditatief — oorspronkelijk preken? De zinsbouw is veelal kort. De woordkeus is niet vrij van retorische elementen (rijmwoorden kennelijk graag gebruikt: mozaïsch-prozaïsch, vermaledljde-gebededijde, gewrocht-gedrocht, imitatie-adoratie, rokend-kokend-smokend enz.). Ook al zijn de parallellen die de schrijver speurde, de typologieën die hij hanteert, en de lijnen die hij trekt, niet altijd overtuigend, zijn visie is doorgaans verrassend, de inzet van bijna elk hoofdstuk actueel en de conclusie haast altijd ter zake, zodat het gewaagde en minder-sterkovertuigende niet domineert. Dat daarbij de ondertitel niet helemaal tot zijn recht komt en meer belooft dan de inhoud geeft — al ontbreekt de „lijn” naar het Nieuwe Testament niet —, verhindert niet dat de benadering van de schrijver het inzicht in de plaats en betekenis van de „Prins van Egypte” en de „Bevrijder van Israël” verdiept. Hij maakt bijv. duidelijk dat er van een „anticiperen” van Mozes geen sprake is toen hij de Egyptenaar neersloeg (blz. 16). De be-tekenis van het bevel om de staf „van vóór het aangezicht des Heren” te nemen (Num. 9 : 12) en alleen maar tot de rots te „spreken” (de geschiedenis wordt beheerst door Gods sprekende woord en niet door „technisch” kunnen), laat iets beseffen van het falen van Mozes en het oordeel van het voor hem gesloten Kanaän (126 vgl.). Maar anderzijds was het me niet duidelijk of de auteur Bunyan bijvalt, dan wel afvalt als het gaat over kerk en cultuur (56). En de uitwerking van de „drieërlei reactie” op het slangeteken (geloof, ongeloof, bijgeloof) die zich heeft „gehandhaafd door heel de historie”, blijft ergens steken, „ergens” in een uitval naar „persoonlijk ervaren redding” (125). Zou een dergelijke uitval niet een gunstige „invalshoek” leveren voor wat de schrijver elders laakt nl. het betoog al jaar en dag, dat het bijbels evangelie niet meer te verkopen is aan de moderne mens (24)? Wanneer de schrijver het heeft over de betekenis van Levi, dan negeert hij kennelijk Gen. 49:5-7 (10). Deze min of meer kritische opmerkingen bedoelen evenwel geenszins de waarde van dit boek te kleineren. Wat de uitgeefster op de achterkant van het boek afdrukte, moge niet zonder overdrijving zijn, onderstreept kan worden: een boeiend geschreven en bijzonder inzichtgevend boek!

Dr. J. van Raalte. De puinhoop van het christendom als teken van hoop. Uitgeverij J. H. Kok, Kampen, 103 blz.

De schrijver is in 1973 gepromoveerd op „Secularisatie en zending in Suriname”. Daar gaf hij een uitvoerige analyse van het verschijnsel secularisatie. Nu behandelt hij datzelfde thema toegespitst op zes terreinen: dat van de maatschappelijke verhoudingen, dat van de stad als woonplaats van de mens, dat van de verscheidenheid van levensbeschouwingen, dat van de wetenschap, dat van de democratisering, en dat van de kerstening.

Men kan op deze zes terreinen een ontwikkeling waarnemen, die in drie etappes verloopt: geslotenheid, openheid door zending en secularisatie, en nu de tweesprong: zal het alles definitief zonder God gaan verlopen, of zal er geloof komen?

De schrijver pleit voor het laatste en vindt dat de kerk daarop moet inspelen. Hij vindt deze tijd juist daarom een tijd die de kerk tot zending moet dringen. Dit laatste zullen we de schrijver niet graag betwisten. Wel vinden we het merkwaardig dat hij deze zes onderwerpen op een rijtje zet. Wij zouden denken dat bijvoorbeeld het zesde een factor is die de ontwikkeling op de andere vijf terreinen beïnvloedt. Men kan de veranderingen in maatschappelijk verband, in de staat en de wetenschap niet zien zonder dat men de invloed van het evangelie daarbij betrekt.

De schrijver weet dat ook wel, maar meent dat over nog een andere factor gesproken moet worden. Dat is de secularisatie. Deze factor komt mee in het spoor van de zending. Wij lezen daarover in zijn proefschrift uitvoeriger dan in dit boekje. Wel herkennen we hier de gedachten van het proefschrift op de achtergrond. Voor ons is deze visie op de secularisatie een zeer twijfelachtige. Hoe kan men stellen dat de secularisatie in het spoor van de zending meekomt, terwijl ze zich tegelijkertijd tegenover het Evangelie plaatst? De secularisatie bedoelt de mens van God onafhankelijk te maken. Kan dat ooit de bedoeling van het Evangelie zijn?

We waarderen het dat de schrijver de moed niet laat zakken. Integendeel, hij roept juist op tot arbeid. Wel geloven we dat zijn diagnose veel te mild is. Er voltrekken zich geweldige dingen in de wereld om ons; heel in het bijzonder in Europa en Amerika. Hoe zal men daartegenover zijn houding goed kunnen bepalen, wanneer men geen oog heeft voor het anti-christelijk karakter van die ontwikkelingen? De tegenstand zal veel groter zijn dan de schrijver doet vermoeden. We kunnen het appèl waarderen, dat van dit boekje uitgaat. De situatie is ernstiger dan de schrijver suggereert. Een puinhoop op zichzelf kan geen teken van hoop zijn. De hoop is gelegen in het Evangelie als een belofte.

Paul Sporken, Joop Michels, De laatste levensfase. Stervensbegeleiding. Euthanasie. Amboboeken, Bilthoven, 1975, 216 bladzijden, f 17,50.

Een ethicus en een arts, die in een verpleeghuis veel stervenden begeleiden, hebben dit boek geschreven. Het verschijnt in vierde, omgewerkte en uitgewerkte editie. Het behandelt de ethische en medische problemen van de laatste levensfase.

De auteurs verklaren zich tegen actieve euthanasie, die ongevraagd zou worden toegepast. Zij vinden actieve euthanasie waarom gevraagd wordt, een grensgeval. Zij is een zaak van compromis. De schrijvers geven de voorkeur aan de passieve euthanasie.

Zij dringen aan op stervensbegeleiding. Dit boek kan een goede dienst verrichten voor hen die tot deze taak geroepen worden, zowel aan artsen, verpleegkundigen, familieleden als pastores. In dit opzicht vind ik het een waardevol boek. In de principiële beschouwing van de auteurs staat de mens centraal. Het mens zijn, de zelf-realisering van de mens, de menselijke waardigheid vormen de normen waarnaar gehandeld moet worden. We treffen hier het humanisme aan, dat een groot deel van de nieuwe rooms-katholieke theologie kenmerkt. Zelfs de boodschap aan een stervende moet bepaald worden door zijn situatie en geloofsbeleving. Is er dan geen waarheid en norm, die aan de mens voorafgaan, willen we vragen? Op dit punt hebben we fundamentele bezwaren tegen de beschouwingen van de schrijvers. Die bezwaren brengen op een aantal punten ook tot een andere gedragslijn ten opzichte van de patiënt.

Dit boek is niet meer weg te denken uit de literatuur over stervensbegeleiding. Met alle waardering voor de goede wenken en adviezen, met alle bezwaren tegen het centraal stellen van de mens als uitgangspunt voor de medische ethiek en pastorale hulp, willen we de lezer graag op dit boek attent maken.

J. Kamphuis, Is het waar, dat Gij het waart? Kamper Bijdragen XV, De Vuurbaak, Groningen, 36 blz., f 6,50.

De Kamper kerkhistoricus heeft ook literaire belangstelling. In de reeks Kamper Bijdragen is dit reeds het derde geschrift op het terrein van de Nederlandse letteren. De ondertitel van deze studie luidt: De Christus-verzen van J. H. Leopold in het geheel van zijn dichtwerk. Proeven van een nieuwe interpretatie. Daarmee is de strekking van het boekje helder aangegeven. De dichter Leopold heeft zes Christus-verzen geschreven. Kamphuis geeft daarvan in confrontatie met vroegere pogingen tot interpretatie een geheel nieuwe uitleg. De dichter zou de gemeenschap zoeken en steeds op de eenzaamheid gestuit zijn. Het lijden om het mislukte contact heeft hij in deze verzen op Christus overgedragen. De interpretatie maakt op ons de indruk van een alleszins heldere en aanvaardbare te zijn. We vinden het belangrijk dat theologen niet aan de literatuur voorbijgaan. Kamphuis schrijft met kennis van zaken over zijn onderwerp.

Door de Uitgeverij Kok te Kampen werd als zojuist verschenen aan de redactie toegezonden:

Karei Hoekendijk, Langs de weg. Charismatische verkondiging in Batakland. Serie Nieuw Leven. 120 blz., prijs paperback f 12,90.

Sipke van der Land, Recht door Zee, 132 blz., prijs paperback f 9,90.

Wim Ramaker (samenstelling) Wat wil toch dit zeggen? Gedichten over hemelvaart en pinksteren, 70 blz., prijs gebonden f 9,90.

Fem Rutke, Is Jezus nog te redden? Interviews met L. J. Kardinaal Suenens, prof. mag. dr. E. C. F. A. Schillebeeckx o.p., drs. Daniël de Lange, Gabriël Smit, 111 blz., prijs paperback f 12,50.

Allan Boesak, Om het zwart te zeggen. Een bundel opstellen over centrale thema’s in de zwarte theologie, 133 blz., prijs paperback f 14,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.