+ Meer informatie

TER OVERWEGING

6 minuten leestijd

Dr. Simon Schoon, Bijbelwoorden in het joods-christelijk gesprek. Uitg. Boekencentrum, ’s-Gravenhage. 68 blz. f 7,50.

In vervolg op de brochure “Joodse vragen! ….. Christelijke antwoorden” (1987) schreef dr. Schoon deze brochure waarin een aantal “Bijbelwoorden” wordt behandeld nl. De Schriften, Verbond, Eenheid van God, Messias, Tora, Heiliging van de Naam. Voor elke bijbelstudie is een gedeelte uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament gekozen; tevens worden er “Verwerkingssuggesties” aan toegevoegd. Het geheel wordt besloten met een bijlage waarin de indringende vragen van de orthodoxe rabbijn Rodrigues Pereira en van de liberale rabbijn Van Voolen aan het adres van kerk en Christendom worden weergegeven. Zonder twijfel is op bijna elke bladzijde merkbaar dat hier iemand aan het woord is die het “gesprek” met Israël uit ervaring kent. Hij waarschuwt dat “er niet zomaar van uitgegaan kan worden, dat joden en christenen dezelfde bijbel lezen” (4) en herinnert er dan aan dat de één het Oude Testament leest door de bril van de Talmoed en de latere joodse traditie en de ander door die van het Nieuwe Testament. Maar verandert een voorwerp dat door een bepaalde bril wordt bekeken, zelf in wezen? Is er dan nog wezenlijk een “gesprek” mogelijk dat iets meer betekent dat een elitaire, vrijblijvende discussie? En de betrokkenen kunnen elkaar intussen passeren als schepen in de nacht. De essentiële vragen - joodse èn christelijke - blijven liggen. Bijv.: of Deut. 6:4 (“Hoor Israël”) genegeerd kan worden als Ex. 24:7 aan de orde wordt gesteld (blz. 44 - prioriteit bij het doen) met als uiteindelijk slechts de inzet samen voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping (41, 59). Als gesteld wordt (blz. 57): “Zo is God, de God van Israël, de God van Jezus”, die “kan het niet alleen”, die “heeft ons nodig”, is de “mens Christus Jezus” dan de “Middelaar tussen God en mensen” (1 Tim. 2:5) nog nodig - en dat blijkbaar met principiële uitsluiting van jóódse mensen)? Zo zijn er meer vragen te stellen. In elk geval, deze brochure dient de bezinnig ook als de instemming wel eens verstek laat gaan.

Drs. C.J. Meeuse, De toekomstverwachting van de Nadere Reformatie in het licht van haar tijd. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen. 103 blz. f 29,50.

De ondertitel van dit boek luidt “Een onderzoek naar de verhouding tussen het zeventiende-eeuwse chiliasme en de toekomstverwachting van de Nadere Reformatie, met name bij Jacobus Koelman”. In deze als doctoraalscriptie bedoelde Studie wil drs. Meeuse aantonen dat “sornmige oudvaders” ten onrechte “chiliasten” worden genoemd. Hij is van oordeel dat we onze onderscheidingen niet moeten indragen in het verleden; “dan vertekenen we de toenmalige verhoudingen en vertroebelen meer dan we verduidelijken”. Het begrip chiliast werd in de tijd van de Nadere Reformatie “gerichter” gebruikt dan tegenwoordig (blz. 23). Daarom mogen de mannen van de Nadere Reformatie niet zomaar onder één noemer worden gebracht met “allerlei sectariërs, omdat beiden een optimistische toekomstverwachting koesteren”. Na een overzicht te hebben gegeven “van de verschillende toekomstverwachtingen in de zeventiende eeuw”, geeft de schrijver een vrij uitvoerige beschrijving van het “algemeen gevoelen van de zeventiendeeeuwse kerk”, vooral aan de hand van de kanttekeningen van de Statenvertaling, waarbij de mannen van de Nadere Reformatie dichter staan dan bij de chiliasten. Hij onderscheidt dan allerlei nuanceringen bij hen die wel als chiliasten worden gekwalificeerd zonder het werkelijk te zijn, met “een optimistische toekomstverwachting”, maar nooit met “het chiliastisch accent, dat men een heerlijke staat van de kerk verwachtte van een andere orde dan de huidige”. Erkend wordt dat het moeilijk, zo niet onmogelijk blijft, “concreet de grenzen te trekken waarbinnen men van chiliasme kan spreken, en ook om de groepen en personen aan te wijzen die we voluit chiliast kunnen noemen” (64). Een tegenstelling tussen antichiliasten en gematigde chiliasten bestaat onder de mannen van de Nadere Reformatie niet (94), wel graduele onderlinge verschillen. Een derde deel van de Studie is gewijd aan Koelman die ook wel bij de chiliasten - die hij overigens bestreed - wordt ingedeeld, maar dat is een vertekening volgens drs. Meeuse. Uiteraard is de waarschuwing terecht om begrippen, termen, woorden enz. die vroegere generaties gebruikten, te laden met de betekenis, de gevoelswaarde enz, die ze nú voor ons hebben, en de ontwikkeling in deze te negeren. Maar ook als daarmee terecht rekening wordt gehouden, is dan de hantering nu in feite waardeloos en onbruikbaar? We beoordelen de slavenhandel tegenwoordig toch ook anders dan de “vaderen” dat deden? Een interessante studie!

Drs. R. Kuiper (e.a.), Marnix van Sint Aldegonde. Gedenkbrochure t.g.v. het 450e geboortejaar van Philips van Marnix, Heer van St. Aldegonde. Uitg. Marnix van St. Aldegonde Stichting, Nunspeet. 48 blz.

In kort bestek wordt het leven, het werk en de betekenis van de boeiende figuur die Marnix van St. Aldegonde is, beschreven. Sinds 1571 raadsman en vriend van de Prins van Oranje heeft hij een niet onbelangrijke rol gespeeld op velerlei gebied. Dat de RPF haar wetenschappelijk instituut naar Marnix vernoemde, blijkt niet zonder reden te zijn geschied (door wijlen prof. Strengholt sterk aanbevolen). Deze brochure belicht hem als christen-politicus en - heel kort - als dichter (zijn psalmberijming werd enkele jaren geleden opnieuw - fotografisch - uitgegeven).

P. van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde. Een praktische toelichting. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer. 463 blz. f 49,90.

Vermoedelijk zullen de lezers van ons blad niet direct naar dit boek grijpen als zij geïnformeerd willen worden inzake kerkordelijke zaken. Dat wil beslist niet zeggen dat het niet de moeite waard is van deze brede toelichting kennis te nemen omdat het een andere kerkgemeenschap betreft. Elke gemeenschap door mensen gevormd heeft op de een of andere manier een akkoord van omgaan met elkaar nodig waaraan men elkaar in trouw kan houden, waarop men elkaar in trouw kan aanspreken en bereid is aangesproken te worden. Dat geldt wel in heel bijzondere zin wanneer men belijdt dat Christus die gemeenschap regeert. Het is goed en leerzaam kennis te nemen hoe “elders” daaraan gestalte wordt gegeven in casu de Nederlandse Hervormde Kerk. Registers van persoonsnamen en vooral van zaken maken deze toelichting toegankelijk ook voor niet direct betrokkenen.

Ds. M.J.C. Blok, Je staat er niet alleen voor. De ongehuwde in de gemeente. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes. 96 blz. f 11,50.

Dit boekje verscheen in de serie Pastoraal Perspectief. Het gaat niet zozeer over hen die ongehuwd geworden zijn, alswel over hen die ongehuwd gebléven zijn. Vaak worden zij ook pastoraal “voorbij” gezien, hun moeite en strijd niet onderkend in de gemeente. Enkele brieffragmenten laten er iets van merken. Ds. Blok behandelt verschillende aspecten van het alleen zijn en geeft handreiking om de vereenzaming zo veel mogelijk te doorbreken, niet het minst vanuit de Schrift. Ambtsdragers die met dit facet van hun pastorale taak te maken hebben/krijgen, graag aanbevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.