+ Meer informatie

TER OVERWEGING

17 minuten leestijd

Bettine Siertsema (red.), Job: steen des aanstoots? Uitg. Kok, Kampen 1996.163 blz. f 32,90. De figuur van Job en het bijbelboek dat over hem handelt, zal altijd mensen blijven boeien en blijven prikkelen erover na te denken en erover te schrijven. Deze keer gebeurt dat uit de kring van het Bezinningscentrum van de Vrije Universiteit, die een serie leerhuis-en-vieringen heeft georganiseerd met als thema het boek Job. Een bonte verscheidenheid, als men de inhoud bekijkt, is het gevolg. Job in de beeldende kunst, Job in de Nederlandse literatuur, liturgische verwerking, om maar een greep te doen. Dat zijn overigens bepaald geen oninteressante gedeelten van het boek, hoewel men duidelijk merkt (in de liturgische verwerking) naast de reformatorische traditite te staan. Ook in de meer uitleggende gedeelten dringen zich telkens vragen op. Bijvoorbeeld de karakterisering van Job 1:22 als sarcastisch (blz. 14), de woorden van Elifaz in 4:2-11 als geruststellend (blz. 26). Men leze met voorzichtigheid.

TM. Hofman, Eenich achterdencken (spanning tussen Kerk en Staat in het gewest Holland tussen 1570 en 1620). Uitg. Groen, Heerenveen 1997. 467 blz. f 49,95.

In een groot respect afdwingend tempo heeft drs. (nu dr.) Hofman zijn promotiestudie afgerond. Inmiddels is hij zijn werk aan onze Theologische Universiteit begonnen. We mogen hem wel van harte feliciteren met deze mijlpaal. In een lijvig boekwerk neemt hij ons mee naar de jaren rond het begin van de 17e eeuw en beziet daar de verhouding tussen kerk en staat. In een tijd waarin die verhouding zozeer gescheiden is als de onze, is het nauwelijks in te denken dat er een periode in de geschiedenis was, waarin beide elkaar nauwlettend in het oog hielden en waar mogelijk greep op eikaars beslissingen wilden houden. Aanwezigheid van de magistraten op de kerkelijke vergaderingen was geen uitzondering. Voor de kerk heeft daarbij altijd gegolden (zoals ook nu nog principieel vastligt, bijv. via art. 36 NGB) de heerschappij van de Here Jezus Christus op het gehele leven, kerkelijk én maatschappelijk. Wanneer echter de overheid meer en meer greep wil krijgen op de beslissingen van de kerk, ontstaan grote spanningen en wil de kerk zich daar graag aan ontworstelen. Men moet Gode immers meer gehoorzaam zijn dan de mens?

In dit boek wordt verslag gedaan van de golfbewegingen in deze strijd tussen kerk en overheid, die wederzijds gepaard gingen met de nodige achterdocht (vandaar de titel). Na een hoofdstuk over de historische kaders volgen die over de kerkordelijke structuren, de visie op de predikant, de strijd tussen kerk en staat inzake de tucht, de verstrengeling tussen beide in vergaderingen, de wederzijdse betrokkenheid bij het openbare leven, het geestelijk erfgoed en tenslotte ‘kerk en staat: de eeuwen door’. Duidelijk wordt o.a. de problematiek van de tolerantie, eerst t.o.v. hen die buiten de gereformeerde kerk staan als andersdenkenden, later ook als binnenkerkelijke problematiek vanwege zich toespitsende leerverschillen. Dat is één van de momenten waarop men denkt: hier zou nog eens een apart boek over moeten verschijnen met een actuele toespitsing. Datzelfde geldt voor de uit- en doorwerking van art. 36. Maar men durft dat de auteur nauwelijks te vragen, gezien zijn opdracht de komende jaren… Het spreekt vanzelf dat op terreinen waar kerk en staat beide actief zijn interessante zaken naar voren komen. Ik denk daarbij aan huwelijk en scholen (met name blz. 96-102). soms is er een heel aardig detail, bijv. op blz. 225, waar we van een predikant uit Nootdorp horen dat hij aangaande de leer dat God enige in de ‘gemene elende’ zou laten, van oordeel is dat dit voor hem een ‘al te harde note was om te craecken, dat sijne tanden daertoe al te swack waren’. Het mocht niet baten: hij werd afgezet.

Conclusie aan het eind van het boek is dat door de opstelling van de overheid de kerk weliswaar in aanzien steeg, maar aan zeggingskracht inboette (blz. 420). Wezenlijke noties van gereformeerd kerk-zijn in de Nederlanden gingen voor eeuwen verloren. Gods genade zorgde daarbij desondanks voor de doorwerking van Zijn woord. Dat moge een prikkel zijn vandaag om dat Woord in de hele samenleving te laten klinken.

Dr. F.F. Vellerns, Een venster op onze toekomst. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1997. 157 blz. f 19,90.

De opgeworpen onderwerpen op het titelblad doen je dit boek met verwachting ter hand nemen: ‘wat hebben Islam, Boeddhisme en New Age te bieden? Wat zegt de bijbel over uitverkiezing, wederkomst, 1000-jarig rijk? Meer dan ooit is de mens op zoek naar de bron van het leven…’. En in het begin wordt men in die verwachting niet teleurgesteld: de schrijver wil in absolute gehoorzaamheid aan de bijbel allerlei andere godsdiensten en godsdienstige overtuigingen afwijzen. Hij weet een andere weg naar een hoopvolle toekomst: de weg die Jezus Christus is. Al snel daarna blijkt echter dat daarbij een aantal wonderlijke gedachten de boventoon voeren. Dan doel ik nog niet op een paar missers als op blz. 26, waar gezegd wordt dat ‘de Gereformeerde Synode (…) de duivel heeft afgeschaft’ (een dergelijke zin hoort niet te staan in een boek op niveau) of op blz. 45, waar de vraag naar het voorkomen van interstellair leven buiten onze planeet wordt beantwoord door te verwijzen naar de komst van Jezus op aarde als ‘de meest geweldige boodschap die ooit uit de ruimte tot de mens op deze planeet gekomen is’ (dan schieten vraag en antwoord echt langs elkaar heen). Nee, principieel bezwaarlijk wordt het wanneer de vagen rond behoud en oordeel aan de orde komen, bijv. op blz. 56 e.v. God is een God van heil, ook na de dood. Ook doden krijgen een kans, desnoods een tweede, dit op grond van 1 Petr. 4:6. We komen daarmee dicht bij een alverzoening, waar het geheel van de bijbel tegenin gaat. Het gevolg van deze stelling blijkt naderhand ook bij de vragen rond de uitverkiezing die versmald wordt tot de verkiezing tot dienst (blz. 92 e.v.). Een andere zaak is die van het 1000-jarig rijk; men mocht willen dat de getallen-structuur in het hele boek Openbaring wat meer doorzien werd, dan zou de exegese van Openb. 20 anders worden.

Het is voorts jammer dat de schrijver in zijn citaten soms schrijvers tot aanhangers van zijn ideeën lijkt te verklaren zonder dat daar enige grond voor is. Zo wordt bij de visie op de verkiezing een groot citaat van prof. Van Genderen genomen die in zijn boek ‘Verbond en verkiezing’ de gedachten van Karl Barth ontvouwt, zonder vervolgens de fundamentele kritiek van hem te noemen die twee bladzijden verder te lezen is. En dat is nog maar één voorbeeld; ook wordt anderen soms een gedachte in de schoenen geschoven die op grond van het geciteerde beslist niet bewezen kan worden (bijv. T. Brienen op blz. 105).

Het is een boek dat ik gaandeweg met meer reserves gelezen heb en dat me uiteindelijk teleurgesteld heeft.

Dr. K.D. Jenner en dr. G.A. Wiegers (red.), Jeruzalem als heilige stad (religieuze voorstelling en geloofspraktijk). Uitg. Kok, Kampen 1996. 263 blz. f 45,-.

Het feit dat de stad Jeruzalem 3000 jaar oud is zal - naar aan te nemen is - niet vreemd geweest zijn aan het feit dat er een jaar lang aan de faculteit der Godgeleerdheid van de RU te Leiden een interdisciplinair college gegeven is over bovengenoemd onderwerp. De neerslag hiervan is in dit boek te vinden. Het is een boek op wetenschappelijk niveau; dat moeten lezers van ons blad wel van te voren bedenken. Wie het leest, krijgt een veelheid van gegevens uit de bijbelse bronnen, uit de archeologie, uit de buitenbijbelse geschiedschrijving, uit de na-bijbelse geschiedenis, allemaal met die ene vraag voor ogen: is Jeruzalem heilige stad (geweest)? En op welke manier dan? Vanuit verschillende godsdienstige gezichtspunten wordt de kwestie bekeken: door de ogen van de gemeenschap van Qumran (A. van der Kooi), van de Islam (P.S. van Koningsveld, G.A. Wiegers), van het traditionele rabbijnse en moderne jodendom (A. van der Heide). Het levert een schat van gegevens op. Men rekene ermee dat de gehanteerde bijbelopvatting voor discussie vatbaar is (blz. 75 spreekt over de literair-kritische en godsdiensthistorische methode). Ook de gedachte van het ‘jodendom en christendom als twee wegen, beide in de richting een beloofde toekomst’ is nog geen gemeengoed (blz. 243). Ik denk dat de gedachte die geuit wordt op blz. 123, namelijk dat ‘naar eerste-eeuwse maatstaven (…) het christendom geen heilige stad op aarde’ heeft, onder ons de meeste instemming zal vinden. Maar het lezen van dit boek brengt je weer op weg: van het aardse Jeruzalem, zoals de HERE dat vanuit Deuteronomium 12 reeds belooft en bepaalt, naar het hemelse Jeruzalem dat in Openb. 21 in belofte ontvouwd wordt.

D. Monshouwer, Het hart van de Torah (in het leerhuis Leviticus). Uitg. Kok, Kampen 1997. 127 blz. f 24,90.

De schrijver is al lange tijd geboeid door het derde bijbelboek. In het kader van het oecumenisch leesrooster ontstond een nieuwe bezinning, waarvan dit boek de vrucht is. Vanwege het taalgebruik (veel hebreeuws of daar tegenaan liggend) en niveau (toch sterk theologisch) zullen eerder de predikanten onder ons dan de andere ambtsdragers dit boek ter hand nemen. Het taalgebruik is soms trouwens ook nogal profaan (blz. 101: Sint Nicolaas) of niet echt nederlands (blz. 31: on-figuur). Theologisch zit er enerzijds een zeer te waarderen lijn in: de verzoening die in Leviticus wordt gepredikt en tot vervulling komt in de Christus in het Nieuwe Testament, anderzijds is in de toepassing door het boek heen wel telkens een vraag te stellen, bijv. in de kwestie van de sexualiteit (blz. 99).

Drs. H. de Jong, Trouwen, scheiden en alleen blijven (over Mattheüs 19:1-12). Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1997. 48 blz. f 14,90.

Drie preken over de in de titel genoemde onderwerpen. Gekenmerkt door eerbied voor het bijbelse woord in deze. Met het oog op de realiteit in de gemeente en in de samenleving, waarin het hoge dat de Here God geeft en daarom ook mag vragen (trouw in het verbond van het huwelijk als afspiegeling van de liefde tussen Zijn Zoon en de gemente) zozeer onder spanning staat. Ds. de Jong wijst de bijbelse weg hierin. Zijn het preken in de zin van verkondiging en appel? Ze worden uitdrukkelijk preken genoemd, compleet met de liturgie Daaruit blijkt overigens dat het middagdiensten zijn geweest. Het verkondigde had scherper gekund, het aspect van het ‘leren’ (middag-dienst!) is uitdrukkelijk aanwezig. Sommige passages hadden beter achterwege kunnen blijven, omdat ze door hun kortheid meer vragen oproepen dan deze beantwoorden; ik denk aan de gedeelten over homofilie op blz. 18 en 40v - ze passen ook niet zozeer in dit Schriftgedeelte; datzelfde geldt bij de opmerking over huwelijken tussen gehandicapten op blz. 39.

Tiemen Harder, Soms lijkt mijn leven een doolhof (verhalen en gedachten vanuit een verpleeghuis). Uitg. Callenbach, Baarn 1997. 90 blz. f 19,90.

Ds. Harder is nu tien jaar verbonden als verpleeghuis-pastor aan zorgcentrum De Lichtenberg te Amersfoort. In dit boekje doet hij ons delen in zijn ervaringen gedurende deze jaren. Ervaringen met familieleden, met bewoners, met collega’s… Ontdekkend vaak. Ds. Harder wil de méns zien (dwars tegen alle ‘economisering’ in), omdat de Here God dat ook doet, in Zijn nabij-zijn. Dat maakt het boek tot een teer boek, omdat het je in het hart doet kijken van bewoners en verzorgers. Als een rode draad loopt de geschiedenis (ik gebruik dat woord liever dan ‘verhaal’) uit Joh. 5 over de verlamde man door het boek heen. Soms zou men willen dat de schrijver net wat verder ging dan hij in werkelijkheid doet, bijv. bij de vraag over het zelfbeschikkingsrecht op blz. 25-27. Of doet hij het met opzet zo, om ons zelf in dat ‘doolhof’ verder te laten zoeken?

Als bijzonderheid zij vermeld dat de baten van het boek bestemd zijn voor het Steunfonds van De Lichtenberg. Een heel mooie gedachte!

Drs. P.J. Vergunst en J. van ’t Hul, Levenslang leerling (een dwarsdoorsnede van een generatie hervormd-gereformeerde predikanten). Uitg. Groen, Heereveen 1997. 128 blz. f 24,95.

Het lezen van een bundel gesprekken met in de dienst vergrijsde predikanten heeft iets bijzonders. Zo zal het u ook vergaan bij lezing van dit boek. Een tiental emeriti-predikanten uit de kring van de Geref. Bond is voor het voetlicht gehaald (o.a. di. L. Blok, W. Vroegindeweij, C.A. Kore-vaar, K. Exalto, B. Haverkamp). Bij het lezen kom je onder de indruk van de hoogte- en dieptepunten. Bijvoorbeeld het geestelijk leven in de dorpsgemeenten, vooral vóór Wereldoorlog II: enerzijds het hoog geestelijk peil van sommige ouderlingen, anderzijds de soms negatieve invloed van de conventikels (met als merkwaardigste curiositeit wel het verhaal van Zwart Jannetje op blz. 108). Of de veranderingen die de hervormd-gereformeerde gemeenten in de grote steden hebben ondergaan. De spanning in de avondmaalspraktijk. En ook, blijvend actueel: de spanning tussen studeerkamer en pastoraat in de gemeente. Een boek met herinneringen, maar ook met geestelijke bemoedigingen!

Ds. C. van Atten e.a. (red.), Jodendom (deel 10 in de catecheseserie ‘Rondom de bijbel’). Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1996. 53 blz. f 8,20.

De losbladige uitgave, die een complete catechisatieserie behelst, onder redactie van enkele predikanten en andere deskundigen uit de kring van de CGK en NGK, zal onder ons genoegzaam bekend zijn. Dit deeltje kwam tot stand met medewerking van ds. H. Biesma, de voorzitter van deputaten voor de Evangelieverkondiging onder Israël en is geschreven voor catechisanten van 14-17 jaar. De verschillende hoofdstukken dragen als titel: kennismaking, geschriften, synagoge, geloof, leven, feesten, geschiedenis, staat. In kort bestek (knap!) krijgen we inzicht in deze zaken. Daarbij is de Schrift het uitgangspunt (en daarin komen dan op een gegeven moment ook de eenheid én het verschil met het christendom ter sprake (blz. 20). Maar we gaan ook verder: na de afsluiting van de canon volgen we het volk Israël in haar ontwikkeling tot en met de ontwikkelingen na 1948. Verschillende keren worden we aangemoedigd verder te graven m.b.v. uitgaven en initiatieven van deputaten ‘Israël’. Een waardevol deel.

Ds. G.C. Vreugdenhll, Brieven uit de hemel (bijbelstudies over de brieven aan de zeven gemeenten). Uitg. Groen, Heerenveen 1997. 168 blz. f 24,95.

Ten bate van het evangelisatie- c.q. gemeente-opbouwwerk in Almere, uitgaande van de Geref. Gemeenten, verschijnt dit meditatieve boek van de predikant van Lelystad. In 34 meditaties gaan we de stof door; er is - en dat is fijn - een duidelijke aansluiting tussen de zaken die in Openb. 2 en 3 aangesneden worden (positief én negatief, gemeentelijk én persoonlijk) en de hedendaagse toepassing daarvan. Die toepassing snijdt hout en spreekt daarom toe. Soms zou men wel willen dat er minder vragen achter elkaar gesteld werden: op blz. 20 en 21 telde ik er vijf achter elkaar, op blz. 59 zes. Dat kan korter en strakker, vooral omdat er - en dat is weer erg fijn - achter iedere meditatie drie of vier gespreksvragen zijn toegevoegd.

Drs. G.J. van der Land, Van David tot Zedekia (een geschiedenis van de koninkrijken Israël en Juda van 1011-586 voor Christus tegen de achtergrond van het Oude Nabije Oosten). Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1997. 144 blz. f 27,90.

Dit boek is een vervolg op het eerder verschenen ‘Van Abraham tot David’. Het is een overzicht van de geschiedenis, toedracht van gebeurtenissen etc. van de in de titel genoemde rijken, geplaatst in het licht van de bijbelse gegevens daarover in de betreffende bijbelboeken, maar ook van beschikbare gegevens uit de wereld van het Nabije Oosten. De auteur heeft een geweldige hoeveelheid gegevens verwerkt in zijn boek. De uiteindelijke conclusie is dat de historische boeken van het OT een betrouwbaar beeld geven van de geschiedenis van Israël en Juda.

Men kan respect hebben voor het geduld waarmee de auteur de bronnen gebruikt en daarmee de geschiedenis doet oplichten. Tegelijk heeft het lezen van het boek iets vermoeiends, door de vele, vele jaartallen en andere gegevens. Men zou bij het lezen bijna uit het oog verliezen dat het in de Schrift om heilsgeschiedenis gaat. Eén voorbeeld daarvan: als op blz. 15 gewezen wordt op het feit dat er t.a.v. Jeruzalem altijd over ‘opgaan naar’ gesproken wordt, dan is dat meer dan een geografisch gegeven. Het heeft ook een geestelijke waarde, het ‘voor des HEREN aanschijn staan’. Een boek voor de liefhebbers van het specialisme dus.

C.J. Haak, Kerkgroei - Graag?! Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1997. 84 blz. f 17,50.

De schrijver is docent Zendingswetenschap, Godsdienstwetenschap en Evangelistiek aan de (vrijgemaakte) Theologische Universiteit te Kampen.

In dit boekje gaat hij in op de gedachte van kerkgroei van de Amerikaan McGavarn. Diens eerste boek over dit onderwerp verscheen in 1955. Drs. Moerdijk heeft er zijn doctoraal-scriptie aan gewijd. Zie ook zijn artikel in de bundel ‘Uw knecht hoort’ (1988).

Drs. Haak geeft een overzicht van de theorie. Daarna levert hij er fundamentele kritiek op, terwijl hij bruikbare elementen in een gereformeerde setting inpast. Zo is dit boekje een aansporing tot evangelisatie door heel de gemeente, met gebruikmaking van alle gaven die er zijn. De kritiek op Mc Gavarn wordt tot een positieve bijdrage voor een gemeente die op evangelisatie moet zijn gericht. Er worden goede tips gegeven. Misschien had het boekje een wat bredere opzet kunnen krijgen door de bespreking van nog meer materiaal. Ter overweging aanbevolen.

Predikant in Nederland (1800 tot heden). Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, jaargang 5. Uitg. Kok, Kampen 1997. 299 blz. f 39,90.

Met veel waardering maak ik melding van de verschijning van jaargang 5. De titel spreekt voor zichzelf. Verschillende aspecten van het werk van de predikant komen aan de orde. Ik noem er enkele: De sociale positie van hervormde predikanten, De rechtspositie, Predikantenvereniging, Het ambtsgewaad, Oefenaars, De missionaire predikant, De geschiedenis van de vrouw in het ambt.

Dit boek biedt veel materiaal. Het is voor het onderwerp een goudmijn! Het is een prachtig commentaar bij de tentoonstelling in het Catharijne-convent. Wie over de predikant in de negentiende en twintigste eeuw schrijft, kan om dit boek niet heen.

Dr. J. van Eck, En toch beweegt Hij. Over de godsleer in de Nederlandse belijdenisgeschriften. Uitg. Van Wijnen, Franeker 1997. 123 blz. f 24,50.

De schrijver is legerpredikant. Hij heeft naast zijn studie theologie een doctoraat in de (klassieke) letteren verworven.

Dit boek onderzoekt de godsleer in de Nederlandse belijdenisgeschriften. Uit elk van de drie behandelt hij een speciaal artikel (dat overigens in de context van de hele belijdenis wordt gezet). Uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis vooral artikel 17 tegen de achtergrond van artikel 5. Uit de Catechismus vooral Gods vaderlijke wil (zondag 10) en uit de Dordtse Leerregels 1,12 en 13 (en ook 7).

De bedoeling van de schrijver is te laten zien dat de Nederlandse belijdenisgeschriften over God spreken op een heel andere manier dan de Griekse filosofen. Dikwijls is er tussen deze beide een is-gelijk-teken gezet. Dat is volstrekt onjuist. De schrijver voert voor het verstaan van artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een aantal bijbelteksten aan, die aan de daar beleden deugden van God een zeer bewegelijke en evangelische klank geven.

Het treft bijzonder sympathiek dat deze toelichting geen kritiek op de godsleer van de belijdenisgeschriften biedt, maar een verhelderende uitleg. Soms schijnt de schrijver wat te ver te gaan, bijvoorbeeld in zijn interpretatie van het begrip eeuwigheid, en met het gebruik van de term tweestrijd in God tussen Zijn rechtvaardigheid en Zijn barmhartigheid. Het besluit van verwerping, zo las ik ergens, citeert hij wel, maar bekritiseert hij niet, ofschoon, zo lijkt mij, er wel aarzeling is ten aanzien van de zaak.

Het is een mooi boek, maar niet zo vlot geschreven. De andere werken van de auteur lieten zich gemakkelijker lezen. Het boek is opgedragen aan de trouwe kerkgangers in Zagreb, waar de schrijver in de winter ’95/6 legerpredikant is geweest.

Men voelt de bewogenheid van de schrijver met mensen in zeer moeilijke situaties. Wat mij betreft was het niet nodig in de titel te zeggen: En toch. Ik heb nooit de aanvechting gehad te denken dat God niet met mensen bewogen zou zijn. Die aanvechting was er ook niet bij het lezen van en preken over de belijdenisgeschriften. - Dit is een mooi boek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.