+ Meer informatie

WAAR ZIJN DE VIERDUIZEND GEBLEVEN?

15 minuten leestijd

Twee vragen

„Hoe houden wij jongeren bij de kerk?”

Dat was de ene vraag, die de redactie mij kortgeleden toespeelde.

En: „of ik daarover een artikel wilde schrijven?” Dat was de tweede vraag.

Uit het feit dat u deze woorden leest kunt u afleiden dat ik in ieder geval op die tweede vraag bevestigend heb geantwoord. Zo iets doe je, omdat in feite de eerste vraag je „pakt”. Ik hoor daarin iets onontkoombaars en tegelijk iets uitdagends. De uitdaging zit dan hierin dat ook wij binnen onze kerken dit probleem herkennen. Er mag dan ge-schreven zijn, dat in kleine, orthodoxe kerken - en dat willen wij zijn! - de vervreem-ding van de kerk bij jongeren minder sterk is dan bij de drie grootste kerkgemeenschap-pen in ons land (Ned.Herv., Geref. en R.Kath.), ook wij ontkomen er niet aan.

Ik ben dat eens nagegaan aan de hand van de cijfers uit onze kerkelijke Jaarboeken. Elk jaar weerstaan daar de mutaties in, keurig gerubriceerd. Ik heb simpelweg twee ru-brieken onder „doopleden” opgeteld. Ikontdekte, dattussen 1968 en 1983 er in totaal ruim 4.000 doopleden uit onze kerken vertrokken zijn „naar geen kerk” of gewoon zijn „afgevoerd”. Deze laatste groep is over die vijftien jaar bijna 2.500 doopleden.

Nu is cijfers lezen niet mijn dagelijks werk. Bovendien realiseer ik mij juist als pastor dat achter deze getailen even zovele (jonge) mensen staan met even zovele motieven om „naar geen kerk” te gaan of zieh te laten „afvoeren”.

Toch laat zo’n getal je niet los: 4.000 in nog maar vijftien jaar. Op een jaargemiddelde van zo’n 70.000 leden oud en Jong samen is dit over die vijftien jaar toch bijna zes pro-cent. Idealistisch bekeken is dat 4.000 teveel.

Realistisch geduid zegt het mij: de vervreemding van de kerk gaat ook ons niet voorbij. Misschein komt het wat later dan elders en blijft het wat minder in kwantiteit, de vervreemding is er. Vier duizend leden in vijftien jaar betekent wel tien middelgrote chris-telijke gereformeerde kerken extra of minder, net hoe je ’t bekijkt.

En zo iets doet pijn naar twee kanten. Want zowel naar de kant van hen die gingen, als naar de kant van hen die bleven, zit ik met de vraag: moest dat nou zo? Kòn dat niet anders? Terwijl ik tegelijk besef dat vervreemding een proces van jaren kan zijn en ook dat veel ambtsdragers juist in dit soort bezoeken veel tijd steken.

Intussen is nu ook de eerst wat duistere titel van dit artikel duidelijk.

Bij-de-tijd

Natuurlijk weet ik dat ook wij geen uitzondering zijn. Die eerste vraag, die ik kreeg toegespeeld, speelt reeds lang en wellicht intensiever in andere kerken. Er is over de vervreemding van de kerk bij jongeren nog nooit zoveel geschreven als in onze tijd. De boeken van Gerard C. de Haas en Jan Nieuwenhuis, van J. Jonker en Bert Jonker met vaak heel sprekende titels, de professioneel uitgewerkte enquete onder middelbare scholieren van de heren Van Driel en Kole, toten met de academische Studie van Andree illustreren en onderstrepen deze actualiteit nog eens extra.

Dagbladen geven verslagen van conferenties ondermeer onder de kop: „Oude geloofs-beleving zegt jongeren helemaal niets”. Weekbladen produceren een uitvoerige, gedocu-menteerde bijlage over „De Verloren Generatie”. De Hervormde Stichting voor Jeugd en Jongerenwerk in Amsterdam liet vorig jaar een rapport verschijnen met als conclu-sie: „De kerk, die de jeugd wil verstaan, moet voorlopig niet preken.” En uit eigen er-varing weten ouderlingen die op huisbezoek gaan, van hun moeiten om jongeren te be-reiken. Op een huisbezoek-met-het-hele-gezin zeggen ze niets of iets nietszeggends en verdwijnen na de koffie weer naar boven - het gaat toch over de kerk van pa en moe! - in de wetenschap dat dit voor een jaar genoeg is. De niet meer thuis wonende jongeren, „kamerbewoners” genoemd, zijn maar moeilijk te pakken te krijgen of zonder dat je het weet, weer verhuisd. Al met al blijft het een moeilijke zaak, die veel energie en vin-dingrijkheid vraagt.

En intussen blijft het pijn doen: 4.000 doopleden in vijftien jaar weg uit de kerk naar „nergens” en „niets”.

Wat zit daar achter?

Binnen het bestek van dit artikel is het onmogelijk alle achtergronden even genuan-ceerd weer te geven. Grof getekend en generaliserend gesteld hoor ik, als ik echt luister naar hen, die gingen of nog net niet gaan, het volgende:

- Ze zien in de wereld van computers en Hilversum III de kerk niet meer zo zitten. De taal van de kerk Staat zo ver van het gewone leven vandaan. Onlangs kwam op een ker-keraad het verzoek om de taal van de formulieren te „vertalen” in gewoon Nederlands. En de sfeer van de kerk is zo vaak die van een wereld, die niet meer bestaat binnen hun ervaring en naar hun idee.

- De kerk is binnen onze samenleving verdrongen naar de marge en kerkelijk gebeuren is een randgebeuren. Wat vandaag in de samenleving centraal Staat - Problemen als ar-moede in de wereld, die niet nodig is, onrecht en discriminatie, sociale en economische onzekerheid, bewapeningswedloop enz. - komen in de kerk nauwelijks aan de orde. En als ze aan de orde komen worden ze rustverstorend genoemd en daarmee afgedaan.

- Door moderne communicatiemedia is heel de wereld dichterbij gekomen en heeft men ook vanuit directe contacten met vertegenwoordigers van andere rassen en volken gemerkt, dat er een veelheid van godsdiensten en godsdienstige opvattingen bestaat. De „religieuze markt” heeft vandaag veel te bieden. Waarom zou in die wereld het Christendom het enige en echte zijn? Die anderen denken dat toch van hun „geloof”?

- Ook veel geestelijke waarden van vroeger zijn òf verdwenen òf op z’n minst sterk veranderd. En de antwoorden die we geven, passen niet meer op de vragen die men stelt en omgekeerd. Wie en waar is God in een krankzinnige wereld van bewuste armoe-de en toegestaan onrecht? God is almachtig, zegt de kerk, maar waar blijkt dat dan uit en hoe moet ik me dat voorstellen? Is ook Hij niet vaak net als wij eerder machteloos? Wat is de bijbel meer dan een menselijk boek? Wat is bidden nou precies en hoe weet ik dat hetgehoord wordt? Is geloven vaak niet puur op de toekomst gericht („Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw”) en wordt daardoor nou juist niet net de status quo bevestigd?

- Er is afstand tussen ouderen en jongeren. En afstand kan resulteren in onbegrip.dat weer kan leiden tot verwijten. Afstand kan betekenen, dat men elkaar niet meer echt hoort. Dan spreken ouderen over „die jeugd van tegenwoordig” en de jongeren noe-men hen „ouderwets” en „bekrompen”.

Wie daar doorheen luistert, hoort echter naar beide kanten meer. Het valt - denkend aan de ouderen - niet te ontkennen dat het vandaag allemaal zo anders is, niet alleen in vormen, al struikelen wij daar al vaak over, maar ook in normen. De vaste kaders van weleer worden - soms al te rigoureus - afgebroken. Het lijkt wel of er niets-van-vroeger meer goed is. Ethische vragen rondom oorlog en vrede, samenwonen en huwelijk, kin-deren krijgen òf kinderen plannen komen bij de oudere generatie zo „vreemd” over. Geloofsvragen - zo juist al gesignaleerd - zijn vandaag zo anders gericht. Het eigene van een kerkgemeenschap, vaak ontleend aan een stukje beleefde geschiedenis, wordt door jongeren genegeerd. Dat van 1892, laat staan van 1834, zegt hen allemaal niets. Ze leven hier en nu en het verleden is voor hen voorbij. Dat gevoel van afstand laat zieh ook bij jongeren herkennen. Zij vragen zieh af, wat de ouderen met hun geloof er nu eigen-lijk van terecht gebracht hebben. De kerken zijn verdeeld en zelfs binnen één kerkgemeenschap ligt het totaal verschillend en moeilijk. In welke wereld en in welke kerk hebben ouderen hen gebracht? Welke toekomst hebben zij: geen huis,geen werk, geen leefbare wereld. Is het geloven niet vaak een privé-zaak geworden, zo persoonlijk en naar binnen gericht dat het (bijna) geen effecten heeft naar buiten? Waar is in deze wereld nog het echte geluk? En op de achtergrond van dit alles horen we de vraag naar de echte betrokkenheid en verantwoordelijkheid, de vraag ook naar de zin van alles: wat haalt het allemaal nog uit, als morgen de bom valt? Laten we het maar houden op wat zeker is: vandaag, hier en nu en dus doen wat nog een beetje leuk en lekker is. Gezag van anderen, vroeger bijna vanzelfsprekend, wordt alleen maar geaeeepteerd als het ge-legitimeerd is: je hebt niet gezag alleen omdat je vader of moeder, ouderling, dominee of leraar bent. Je moet het waar maken.

Ik zei het al: afstand leidt tot verwijten. En u proeft hier zowel bij ouderen als jongeren gevoelens van irritatie.

- De vervreemding wordt nog dieper als je merkt hoe met name toch ouderen op be-paalde momenten de cultuuroverdracht als het ware omkeren. Dan willen ouderen jong zijn en jong doen. „Net zo slank als je dochter” gaat er in als boter! Jongeren zien en beoordelen dat scherp. Zo hoeft het voor hen niet. Daarmee tonen ouderen aan dat ze zichzelf amper hebben aanvaard en tegelijk niet de moed hebben zichzelf te zijn. Voor deze ouderen is geen respect meer op te brengen. En jongeren vluchten dan ook weg in hun eigen groep. De huisje-boompje-beestje-mentaliteit wordt ingeruild voor de groep van gelijkgezinden, die mode, haardracht, norm en waarde zelf wel zal bepalen, eigen regels stelt, anderen buitensluit en mensen anoniem maakt.

Wat zeggen jongeren echt?

Wie als ambtsdrager met jongeren omgaat en echt naar hen luistert, weet bijna van te voren dat hij zeker in deze gesprekken meer dient te horen dan hij hoort. Er zit vaak meer achter dat op de voorhand verborgen blijft.

Om te beginnen moet vast staan, dat we ons vergissen als we net doen alsof „dit van-zelf wel weer over gaat”. Dit gaat niet over, zeker vanzelf niet, ook al omdat „je niet vanzelf gelovig wordt” (Andree).

De gesprekken met jongeren lopen vast als we in onze houding, gedachten en woorden ook maar iets van een „tegenover” laten blijken of het idee oproepen van „boven” te komen. Jongeren van de kerk hebben er recht op, dat wij proberen naast hen te staan, op hun niveau van denken en leven te willen komen.

Als je zo luistert, lukt het soms met hen mee te kijken en dan te zien wat zij zien. Juist binnen de verbondsgemeente wil ik zo met jongeren omgaan. Zij horen er immers we-zenlijk bij, niet als tweederangsleden, die niet voor vol aangezien worden, maar heel echt.

Voorwaarde voor het gesprek is het werkelijk kennen van onze eigen tijd. Lezen van moderne literatuur, kennis nemen van bladen, die zij - wellicht ongemerkt - lezen, mee-luisteren en meekijken naar hun favoriete programma’s voor radio en t.v. helpt ons hierbij. Werkelijk kennen bedoelt uiteraard geen aanpassen. Dat vragen ze niet.

Het lijkt me overbodig te zeggen, dat elke gedachte, dat „het vroeger toch ook goed was” bij voorbaat werkelijke communicatie onmogelijk maakt. Jongeren mogen er van ons toch echt zijn? Het bemoedigt mij te weten ondermeer vanuit de Psychologie, dat jongeren zoeken naar „identificatie”: ze zoeken naar mensen als voorbeelden om na te volgen. Voor de één is dat een popster voor de ander een figuur als Martin Luther King. Als ik dit nu naast de bijbel leg, lees ik daar bijv. Psalm 78: „Wij verteilen aan het vol-gende geslacht des HEREN roemrijke daden, Zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft” (vs 4). Het gaat dus om Gods daden, die wij niet moeten annexeren als de onze, maar in eigen navolging van deze God mogen laten horen en zien. Waarom? „Opdat het volgende geslacht die zou kennen” (vs 6), „opdat die hun vertrouwen zou-den stellen op God ” (vs 7), opdat zij „niet worden gelijk hun vaderen” (vs 8). Wie op-roept tot dát vertrouwen kan onmogelijk vanuit eigen wantrouwen reageren. Wie er-kent zelf in gebreke te zijn, kan hun verteilen niet te worden als wij. Wat jongeren van ons vragen is dat wij echt zijn, zeker in onze onmogelijkheden. Wie gelooft hoeft zijn eigen onmacht en onmogelijkheid niet te verbergen. Het gaat ook niet om het etaleren ervan („wij zijn toch zulke zondaars”), want daar prikt en kijkt men doorheen. Echt zijn betekent niets te verbergen hebben, je niet mooier voordoen.

Wie de vragen van jongeren serieus neemt, realiseert zieh soms met een schok, dat hij daarin veel van zichzelf herkent: heb ìk wel hoop, ook voor het hier en nu? Waarop vertrouw ìk echt? Wat is voor míj het eerste?

Jongeren vragen niet dat wij ons bij hen aanpassen: die „omgekeerde cultuurover-dracht” hebben ze meteen door. Ze vragen niet om Era, maar om echte boter! Ze vragen mij: wie ben jij, als mens, als gelovige? Wat betekent geloven, kerk-zijn, werk hebben, positie, status, huis, auto enz. voor jou?

Praktische suggesties

Heb ik hierboven met u wat nagedacht over onze houding en gezindheid, het gaat er uiteraard om dat dit vorm krijgt. Daarom laat ik om u te dienen wat ideeën achter:

- Het is zondermeer noodzakelijk, dat de zorg voor jongeren een vast punt op de agenda van de kerkeraad is. Dat kan via de daarvoor benoemde jeugdouderlingen en -diake-nen. Hun zorg zal zowel pastoraal als diaconaal zijn. Jongeren die voor de wijkouder-ling moeilijk of niet te bereiken zijn - misschien ook wel omdat deze het echt niet kàn! - dienen door hen bezocht te worden, niet als probleemgevallen.

Dat team voor jeugdpastoraat en -diaconaat binnen een kerkeraad dient er attent op te zijn, dat er niet over, maar met de jongeren gesproken wordt. Het jongerenbeleid - heeft elke kerkeraad dat? - dient met jongeren te zijn doorgedacht. Dat doet niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van de kerkeraad. Het bevestigt en versterkt deze eerder.

- Meer structureel dan individueel is het bestaan van een jeugdraad. Daar probeert men ondermeer ten dienste van het werk van de kerkeraad de vragen en problemen van jongeren te inventariseren. Juist in zo’n raad kan het gesprek met jongeren, die van die raad wezenlijk deel uitmaken, gevoerd worden.

- Steeds duidelijker wordt ook onder ons, dat een kerkeraad echt niet alles hoeft te doen. Binnen de gemeente leven mensen met gaven, die ten dienste van de kerkeraad kunnen worden ingeschakeld. Vragen rondom de liturgie, de tweede kerkdienst, het vieren van de kerkelijke feesten kunnen in speciaal daarvoor ingestelde werkgroepen waar ook jongeren aan deelnemen, worden voorbesproken. Dan luistert de kerkeraad echt naar de gemeente.

- De catechese is in de laatste decennia sterk veranderd wat vorm betreft. Het gaat niet meer om de predikant, die alleen aan het woord is drie kwartier lang. Hier vindt een ontmoeting plaats waarbinnen van beide kanten de vragen gesteld worden. Dit be-tekent niet dat jongeren de inhoud bepalen. Het vraagt wel een goed doordacht en doorgesproken catechetisch werkplan, dat regelmatig zal moeten worden bijgesteld. Bovendien liggen ook hier kansen voor begaafde gemeenteleden, niet alleen in vacante gemeenten.

Met name met de groep belijdeniscatechisanten heb ik jarenlang zeer positieve ervarin-gen. Daar immers leert men gemeente te zijn met elkaar. Eén of meer weekenden met een goed door ieder vastgesteld programme leidt tot een gemeenschap, die tijdens de catechisatie zijn vrucht afwerpt. Indertijd deden we dit in Drenthe met groepen van meerdere gemeenten samen. Als deze catechisatie zeer in het bijzonder een introductie wil zijn in de Christelijke gemeente, is het volgen van een stage met een verslag erover stimulerend. In Amersfoort doen we het in twee gedeelten. Tijdens het catechese-jaar is men toegevoegd aan een wijkteam, zodat men het gemeentelijke leven van nabij leert kennen. Tijdens het seizoen daarna kiest men voor een meelopen met een commissie, werkgroep, diaconie of kerkeraad binnen de gemeente. Ook daarvan brengt men weer verslag uit. Vooral dat tweede deel van de stage is ook van belang voor de groep zelf. Ze vallen na de belijdeniscatechisatie niet in een vacuum.

- De verantwoordelijkheid van de kerkeraad voor een club of vereniging realiseert zieh niet door alleen bezorgdheid uit te spreken over „missers” of „uitschieters” van jongeren. Die verantwoordelijkheid is eerder bemoedigend dan controlerend. Ook hier ver-leent het team van jeugdpastoraat goede diensten, niet als advocaat van jongeren, maar in hun brugfunctie tussen ouderen en jeugd.

- Jongeren komen gelukkig naar de kerkdiensten, naar mijn idee vaak trouwer dan de 30-ers en 40-ers, die het nogal eens laten afweten. De jongeren zijn er twee keer. Na-tuurlijk weet ik, dat daaraan voor hen een sociaal aspect zit: ze zijn graag bij elkaar! Mag dat? vraag ik dan.

Anderzijds stelt het eisen aan viering en verkondiging van de kerkdienst. „Als een kind van tien het kan volgen” zei lang geleden een oudere collega, „dan heeft de hele gemeente er wat aan.”

Daarom zou ik niet graag willen pleiten voor jeugddiensten, die voor mij het begin van het einde zijn. Eerder zou ik mijn collega’s willen vragen van tijd tot tijd met jongeren over de kerkdienst - en niet alleen de preek! - te praten en regelmatig met hen een kerkdienst te „maken”. Zelf doe ik dat in ieder geval met de belijdenis-, de trouw- en de doopdienst. Gesprekken na afloop leren mij hoe zij zieh zelf heel betrokken wisten bij deze dienst. Al vaker is toch tegen ons gezegd, dat een predikant zijn preken uit de gemeente haalt? Wie dan ook bang is hierdoor het eigene van het ambt te verliezen zou eerder wel eens bezig kunnen zijn zijn eigen twijfel aan het ambt te verdringen.

- De meeste gemeenten zijn ingedeeld in wijken met een eigen wijkouderling en -diaken, soms ook een eigen wijkdame, die dan weer samen een wijkteam vormen. Naar mijn oordeel klopt vooral in de wijken het hart van de gemeenschap binnen de kerk. In deze kleine groepen kan men elkaar leren kennen en bemoedigen. Het zou goed zijn, wanneer ook jongeren hier binnen het wijkteam meedraaien. Dan is een wijkavond ook niet alleen voor de ouderen.

Tenslotte

Ik ben me bewust dat ik veel van eigen waarneming en eigen reageren daarop heb weer-gegeven. Elke situatie is uniek, maar nodigt wel uit daar echt mee bezig te zijn.

En de vier duizend van de laatste vijftien jaar laten mij niet los!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.