+ Meer informatie

DE POSITIE VAN VADER, MOEDER EN KINDEREN VOLGENS DE BIJBEL

13 minuten leestijd

De positie van ouders en kinderen ten opzichte van elkaar in de tijd van de Bijbel verschilt in grote mate vàn hun positie ten opzichte van elkaar in onze tijd. In het oude Israël kwam polygamie voor. Niet dat de Here dat zo wilde, maar het kwam voor. Een scheiding tussen het publieke en het privé-leven, die kenmerkend is voor onze cultuur, was in het oude Israël onbekend. Noch de vader noch de moeder van het huisgezin gingen buiten het eigen ‘huis’ de kost verdienen. Bovendien was een huishouding in het oude Israël veel breder dan het modern-westerse kerngezin. Jakob vertrok met 66 mensen naar Egypte (Gen. 46,26). Wat wij een ‘kerngezin’ noemen, was opgenomen in een huis, dat te vergelijken is met een klein dorp. Aan het hoofd van dat huis stond een patriarch. Elke zoon bewoonde met zijn vrouw(en), kinderen en slaven een eigen tent. Dat huis behoorde op zijn beurt bij een clan. Verscheidene clans vormden een stam. Niet alleen de huisgezinnen in het oude Israël, maar ook die van de (eerste) christenen verschilden in grote mate van het modern-westerse gezin.

Over de leefwijze van een huis in bijbelse tijd is veel te zeggen. De vraag naar de positie van ouders en kinderen volgens de Bijbel is echter een normatieve vraag. Dan gaat het over de regel en norm van Gods openbaring voor de verhouding tussen ouders en kinderen. Wat voor ons van belang is, is de oorspronkelijke bedoeling Gods met deze verhouding. In de gescheidenis zijn min of meer gebrekkige menselijke vormgevingen te zien van deze bedoeling Gods. Ook zijn er geboden Gods die specifiek betrekking hadden op een bepaalde tijd en situatie. Wat is dan geldig voor alle tijden en alle plaatsen en wat niet? Het gaat erom in de historische gestalte van deze geboden het blijvende gehalte te ontdekking.

De positie van ouders en kinderen ten opzichte van elkaar gaat terug op het werk Gods. God heeft hen bij de schepping aan elkaar verbunden. Dit scheppingswerk wordt in de geschiedenis geconcretiseerd. Wanneer man en vrouw een kind van de Here mogen ontvangen, verbindt Hij dit kind aan deze ouders. Het ontvangen van kinderen is daarom geen zaak van menselijke selectie, maar van goddelijke electie (verkiezing). In deze verbintenis geeft Hij ieder een eigen plaats.

Door de zondeval is deze verbintenis echter verdorven. Hoewel zij niet is vernietigd, is zij wel radicaal aangetast. Ouders en kinderen willen een positie innemen die niet overeenkomt met Gods oorspronkelijke bedoeling. Zij treden eigenwillig en eigenmachtig op. Kinderen verzetten zich tegen hun ouders en tegen de God van hun ouders. Beiden leven niet naar Gods oorspronkelijke bedoeling. Gelukkig zijn er door Gods goedheid wel fragmenten aanwezig van deze bedoeling Gods. Deze fragmenten zijn overigens geen reden voor ons om te roemen in onze zogenaamde natuurlijke mogelijkheden. Zij zijn wel een reden om Gods goedheid te prijzen. Deze goedheid heeft de Here ons direct na onze zondeval bewezen, toen Hij tegen Eva zei dat zij toch nog moeder mocht worden. Het ouderschap is sinds die belofte voor ons een teken van Gods genade.

Het herstel van de verbroken verhouding tussen ouders en kinderen geeft de Here in de weg van het verbond, dat Hij na de zondeval uit genade met Abraham en zijn nageslacht heeft gesloten. Het centrum van het genadeverbond is de openbaring van God in Christus. Herstel van de verhouding tussen ouders en kinderen is derhalve slechts te ontvangen via Christus. Dat herstel wordt door zijn Heilige Geest toegepast in het leven van de zijnen. De verhouding tussen ouders en kinderen is in Christus een gestalte van het Koninkrijk van God.

Dit werk van de herschepping brengt de oorspronkelijke bedoeling Gods aan het licht. De vader wordt geroepen vader te zijn naar Gods bedoeling. De moeder wordt geroepen moeder te zijn naar Gods bedoeling. Het kind wordt geroepen kind te zijn naar Gods bedoeling.

Het ouderschap

De positie van ouders ten opzichte van hun kinderen wordt volgens de Schrift bepaald door hun positie ten opzichte van God. Het ouderschap is als roeping van Godswege een concretisering van het beelddragerschap Gods. Daarmee is het volgende bedoeld. De Here heeft ons geschapen naar zijn beeld. Dat beeld-zijn bestaat in een weerspiegeling Gods. De mens is Gods représentant en vertegenwoordiger op aarde. Calvijn zegt dat wij geschapen zijn als een spiegel van de heerlijkheid Gods. Zo mogen ouders de heerlijkheid van God weerspiegelen en Hem vertegenwoordigen. De Here heeft hen als zijn ambtsdragers bekleed met gezag over zijn kinderen, die tevens ‘hun’ kinderen mogen zijn. Het vijfde gebod luidt: Eer uw vader en uw moeder (Ex. 20,12; Et. 6,2). Het ouderlijk gezag is derhalve een gave Gods en gebonden aan de persoon van de ouder. Tegelijkertijd is dat door God verleende gezag een appel om dienstbaar te zijn aan het doel waartoe God het heeft geschonken. Het vijfde gebod is daarom niet slechts van belang voor kinderen, maar ook voor ouders. De Here vraagt van hen om eerbiedwaardig te zijn. Persoon en ambt zijn naar zijn oorspronkelijke bedoeling aan elkaar verbonden.

Wegens deze positie ten opzichte van de Here mogen ouders hun positie ten opzichte van hun kinderen nooit gebruiken voor het realiseren van eigenwillige en eigenmachtige doelstellingen. Zij zijn hun Zender altijd verantwoording verschuldigd. Bovenal dienen zij Hem dankbaar te zijn dat Hij hen waardig heeft gekeurd dat hoge ambt te vervullen.

Niet alleen de vader, maar ook de moeder mag op grond van het scheppingswerk Gods de heerlijkheid Gods ten opzichte van kinderen laten zien. De Schrift geeft de moeder een eervolle plaats. Zij wordt allesbehalve op één lijn gezet met de os en de ezel, zoals sommigen naar aanleiding van het tiende gebod menen te moeten opmerken. Op een aantal plaatsen in de Schrift staat de moeder zelfs vóór de vader vermeld, bijvoorbeeld in Leviticus 19, 3: leder zal voor zijn moeder en zijn vader ontzag hebben. In onze tijd speien moeders vaak de belangrijkste rol in de opvoeding. Vader is dikwijls afwezig, in lichamelijke en/of geestelijke zin. Daarom dient in onze tijd de nadruk te worden gelegd op de verantwoordelijkheid die de vader heeft in de opvoeding van zijn kinderen. Dit zeggen wij niet vanuit allerlei psychologische motieven. Psychologen wijzen erop dat een kind zich niet alleen met een moeder, maar ook met een vader moet kunnen identificeren. Wij zeggen dit echter op grond van de openbaring van God. Juist hij die geëerd wordt met de naam die herinnert aan de Vadernaam van onze God, heeft een extra verantwoordelijkheid. De Schrift zet een streep onder de positie van de vader als profeet, priester en koning.

Dit ouderlijke beelddragerschap is door de zondeval in zijn fundament aangetast. De eenheid van persoon en ambt is verbroken. De ambtsdrager werd een rebel. Het evangelie zegt echter dat Christus de zijnen als beelddragers Gods heeft hersteld. Hij past dit herstel toe door zijn Heilige Geest. Dat mag voor ouders de troost van het evangelie zijn. Zo mogen zij toch nog Gods handen zijn, zijn heerlijkheid weerspiegelen en Hem representeren.

Het ouderschap is dan in Christus een weerspiegeling van het Vaderschap Gods. Ouders zijn de handen van de hemelse Vader. Hij leidt zijn kleine kinderen door een vader- en een moederhand. Of om het anders te zeggen: Gelovige ouders zijn het gezicht waarmee God Zieh aan de kleine kinderen van het verbond laat zien.

Tegelijkertijd laten gelovige ouders door de Heilige Geest iets zien van Christus, die het volmaakte beeld is van zijn Vader. Hij is onze hoogste Profeet, Priester en Koning. Ouders zijn in Hem profeten, priesters en koningen. Hun profetische taak bestaat in het doorgeven van Woord van God. Hun priesterlijke taak bestaat eveneens daarin. Bovendien herinnert deze priesterlijke taak aan de voorbede. Denk aan Job. Priesters zijn geroepen goede woorden te spreken. De Schrift noemt dat ‘zegenen’. Tenslotte wijst de priesterlijke taak op de toewijding aan God en de naaste. Voor ouders zijn hun kinderen hun meest nabije naasten. De koninklijke taak van ouders duidt op het gezag waarmee ouders van Godswege zijn bekleed. Omdat wij ons ongeloof en onze ongehoorzaamheid kennen, bidden wij dat wij hoe langer hoe meer gelijkvormig mogen worden aan het beeld van Christus.

Ouders mogen niet alleen iets laten zien van het werk van de Vader en de Zoon, maar tevens een instrument zijn in de hand van de Heilige Geest, die het heil wil brengen bij de kleine kinderen van het verbond.

Dat is de positie van gelovige ouders ten opzichte van hun kinderen. Zij zijn verbondsouders voor verbondskinderen. Of om het anders te zeggen: Hun ouderschap mag funetioneren binnen het Koninkrijk van God. Gehoorzaamheid aan het gebod van dit Koninkrijk heeft een zegenrijke uitwerking op het gezinsleven. De ark van het geloof die Noach gehoorzaam en eerbiedig heeft toebereid, was tot grote zegen voor zijn huis (Hebr. 11,7).

Hoewel ouders een belangrijke positie hebben, is hun ouderschap niet het laatste. Dat is hun dienst aan het Koninkrijk. Abraham moest zijn zoon Izaäk aan de Here geven. De gehoorzaamheid aan de God van het verbond vraagt ook in de gezinsverhoudingen een radicale zelfverloochening (vgl. Mat. 10, 35-36 en daaraan verwante teksten).

Ouders dienen altijd door hun kinderen als eerbiedwaardige, gewichtige personen te worden beschouwd en behandeld. Nergens in de Schrift is te lezen dat de eerbied van kinderen voor hun ouders op een bepaald moment mag ophouden. Deze blijft, zolang zij samen in deze aardse bedeling zijn. De gestalte van de eerbied voor de persoon van de ouders is echter wel afhankelijk van verschillende factoren, bijvoorbeeld de culturele situatie waarin wij verkeren, de leeftijd van de kinderen, hun psychische en fysieke structuur, de mate waarin ouders hun ouderlijke taak daadwerkelijk (kunnen) uitvoeren en de mate waarin zij zelf ondersteuning van hun kinderen nodig hebben. Hoewel de gestalte van het gebod tot eerbied kan veranderen, blijft zijn gehalte steeds gelijk. Het is een eerbied voor het persoon-zijn van deze door God gegeven ouders. Zij dienen uit Gods hand te worden aanvaard en toegeëigend.

Indien ouders zich hun ambt onwaardig gedragen, verkeren kinderen in het spanningsveld tussen eerbied en verachting. De Here roept ook dan tot liefde en eerbied. Kinderen moeten in elk geval God meer gehoorzamen dan hun ouders (vgl. Hand. 5, 29). Tegelijkertijd moeten zij de roeping van hun ouders in gedachten blijven houden. Hun eerbied zal zich in deze gebroken situatie meer gaan richten op het ambt dan op de persoon van de ouder.

Het kindschap

Wat is de positie van het kind ten opzichte van zijn ouders? Deze positie wordt eveneens bepaald door zijn positie ten opzichte van God. Elk kind is Gods eigendom en diens beelddrager. Het deelt ten volle in het mens-zijn. Deze werkelijkheid is niet afhankelijk van een fysieke of psychische situatie van het kind. In elk kind-zijn mag de weerspiegeling van Gods heerlijkheid (vgl. Ps. 8, 3) en diens representatie, dat gegeven is met het beelddragerschap, op eigen wijze gestalte krijgen. Van het kind dat geboren is op het erf van het verbond, geldt dat het in het bijzonder voorwerp is van Gods liefde en trouw. Het is opgenomen in het genadeverbond. Het is een teken van zijn liefde dat God tot dit kind komt met zijn eis van geloof en bekering.

De Here heeft kinderen onder ouders geplaatst. Hij vraagt van hen eerbied jegens hun ouders. Daaraan heeft Hij een apart gebod gewijd. Een belangrijke vorm van deze eerbied is de gehoorzaamheid (vgl. Ef. 6, 1; Kol. 3, 20).

Kenmerkend voor het kind is volgens de Schrift zijn afhankelijkheid, onmondigheid en kleinheid. Als zodanig heeft het in het bijzonder recht op bescherming. Daarvan heeft Jezus ons een voorbeeld gegeven in zijn aandacht voor kinderen. Ook wij dienen aandacht te hebben voor het kind in zijn kleinheid. Het heeft recht op onze bescherming.

Maar er is meer. Het kind maakt een ontwikkeling door. Daarvan is de gestalte van zijn plicht mede afhankelijk. Het plichtsbesef is bij een ongeboren kind volgens Gods bestemming aanwezig en moet bij het opgroeiende kind tot ontwikkeling komen, totdat het de volle rijpheid heeft bereikt. Eveneens moet er aandacht zijn voor de uniciteit van het kind en zijn totale mens-zijn. Het kind heeft niet slechts waarde omdat het later als volwassene ‘waardevol’ zal zijn. Het heeft eveneens een eigen, intrinsieke waarde als persoon die het reeds is.

De positie van het kind ten opzichte van zijn ouders is ernstig aangetast door de zonde. Elk kind is in zonde ontvangen en geboren. Het is geneigd God op de tweede plaats te zetten. Het verzet zich tegen het gezag van zijn ouders. Voor de kleine kinderen van het verbond is er echter de belofte dat zij in Christus geheiligd zijn. God roept hen in het bijzonder tot wedergeboorte en bekering. Christus brengt herstel van hun kindschap. Hij heeft het vijfde gebod volmaakt vervuld en de straf op onze overtrading van dit gebod gedragen. Hij heiligt ons ook in ons kind-zijn. Kinderen die op het erf van het verbond leven, worden door God aangesproken met de belofte en de eis van zijn Woord.

Ouders zijn geroepen hun kind(eren) lief te hebben naar de eis van Gods Woord. Deze ouderlijke liefde is een gevende liefde. Ouders zijn vaak bereid hun kinderen in ruime mate materiële goederen te schenken. De gevende liefde heeft echter vooral betrekking op immateriële zaken, zoals leiding, tijd, aandacht, hulp, ruimte, geduld, vreugde en hoop.

Een gestalte van deze liefde is eerbied. Ouders hebben de taak hun kinderen te eerbiedigen, dat wil zeggen de persoon van kind te respecteren. Hun gezag gebruiken zij dan ten dienste van de opbouw van de persoon van hun kind. Zij mogen door dit alles heen in de relatie tot hun kinderen iets laten zien van de verbondsverhouding van God tot zijn volk, en van Christus tot zijn gemeente. Dan is deze relatie te typeren als een verbondsrelatie. Als zodanig heeft zij een eigen, intrinsieke waarde. Bovendien heeft deze relatie voor ouders de specifieke bedoeling hun kinderen met gezag en liefde te begeleiden op de weg naar de realisering van hun bestemming als beelddragers van God. Dat mag gebeuren onder leiding van de liefde, die door de Geest een weerspiegeling is van de liefde van de Vader tot de Zoon, en van de Zoon tot de kinderen die hem gegeven zijn (Hebr. 2,13).

Het Koninkrijk van God

De positie van ouders en kinderen is in het licht van het Koninkrijk van God een positie die geen absolute waarde heeft. Zij mag niet los worden gezien van de relatie tot God. Bedacht moet worden dat Christus de zijnen verbindt door de band van de Geest binnen het gezin God, de familia Dei. Hoewel de bloedband dan niet te verachten is, dient deze band wel te funetioneren binnen het kader van het Koninkrijk van God. De zogenaamde natuurlijke liefde wordt in Christus doordrongen van de liefde Gods.

Bovendien is de positie van ouders en kinderen in hun onderlinge relatie betrekkelijk, omdat het een positie is die behoort bij deze aardse bedeling. Deze verhouding zal in het toekomende Koninkrijk anders funetioneren dan zij op aarde heeft gefunctioneerd. God is dan alles en in allen. De harten van vaders en zonen, moeders en dochters zijn dan onberispelijk gericht op de Vader der lichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.