+ Meer informatie

Naar de katechisatie

4 minuten leestijd

95

De begrafenis van Christus

Waarom is Christus begraven?

Onze Heidelberger antwoordt in Zondag 16: „Om daarmede te betuigen, dat Hij waarlijk gestorven is”.

Hier wordt dus gewezen op de zekerheid van Christus’ dood. Dit is van grote betekenis ten opzichte van het Middelaarswerk van Christus, dat Hij volkomen volbracht heeft. Want Zijn dood is betaling geweest van de grote schuld en het lijden van de straf der zonde, zoals we reeds besproken hebben. „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Welk een diepe vemedering voor de Borg!

Maar heeft Christus dan ook het verderf van het graf ondervonden? Neen. En waarom niet? Wel, omdat Zijn lijden niet voortvloeide uit Hem zelf want Hij had geen zonde. Hij is de REINE, RECHTVAARDIGE Mens, uit Wien dus nooit ook de gevolgen van de zonde, de verderfwerkende vloek kon zijn. Wel moest deze op Hem gelegd worden, toegerekend als plaatsvervangende Borg voor de Zijnen.

Zo was het ook met Zijn graflegging.

Heeft Christus Zelf geen verderving gezien naar psalm 16, Hij is wel op de plaats geweest, waar het verderf heerst: het graf! Want dit moest, om de straf der zonde volkomen uit te boeten voor Zijn volk.

Jezus’ graflegging laat wel het vreselijke van de zonde zien in haar straf.

Roept het graf niet een innerlijke weerstand op in ons gevoel?

Hoeveel tranen worden geschreid bij het afscheid nemen van onze dierbaren, wat het lichaam betreft?

Lezen we met van Jezus Zelf, toen Hij stond voor het graf van Lazarus: „Jezus weende”? Hoe heeft Hij hier reeds de smarten van het graf doorpeUd! Elk graf roept’t als’t ware toe: heden ik en morgen gij!

En de Prediker getuigt: „Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap noch wijsheid, in het graf daar gij heengaat.”

Het komt voor ons er dus op aan, de Heere te zoeken, terwijl Hij te vinden is en Hem aan te roepen, terwijl Hij nabij is. Het is nog het liefelijk heden der genade, de welaangename tijd en de dag der zaligheid, om verzoening met God te zoeken en te vinden, in Christus, de enige en volkomen Middelaar en Borg!

Anderzijds predikt Jezus’ begrafenis de rijkdom van troost voor degenen, die „in den Heere sterven”. Want voor hen heeft Christus het graf geheiligd. Voor hen is het graf een doorgangspoort tot het eeuwige leven. Alles wat van henzelf is, van het vlees, van de overblijfselen der verdorven natuur, blijft in het graf achter. En wat van God is, als het werk Zijner genade, gaat over dood en graf heen, tot eeuwige heerlijkheid.

Het graf van Gods kinderen „geheiligd”. Daarom heeft het zulk een rijke betekenis, dat Christus gelegd werd in een nieuw graf, het graf in de hof van Jozef van Arimathea.

Jesaja profeteerde dit. „En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest.” (Zie onze vorige les.)

Jezus’ graflegging veroordeelt ook de crematie, de lijkverbranding. Men denkt wel deze voor te staan uit hygienisch oogpunt, maar men schuwt toch in feite het vernederende, het weerzinwekkende van het graf, waarin het ongedierte haar werk doet.

En zouden Gods kinderen ook in dit opzicht van niet begraven te worden, dan boven hun Heere willen staan? Volstrekt niet.

Het is ten slotte zeer opmerkelijk, dat onze Heidelberger in Zondag 16 in haar antwoord op de vraag: „waarom is Hij begraven geworden” het woord gebruikt „betuigen”. „Om daarmede te betuigen, dat Hij waarlijk gestorven is”.

„Betuigen” is meer dan „bewijzen”, „verklaren”. Het wil zeggen: zorgen, dat de waarheid bekend wordt. Weten, verstaan wat Jezus’ begrafenis betekent. Hij is de volkomen Borg, Die voor Zijn volk Zich heeft widen vernederen tot in het graf, Zich heeft widen laten leggen op de plaats, waar het verderf heerst en de vloek der zonde doorwerkt. O, ondoorgrondelijke liefde!

Wel, m’n waarde katechisant: moogt u het ook verstaan en erin delen?

Wat zal het graf voor u zijn?

Geve de Heere het, dat het eens een doorgangs-poort voor u moge zijn tot het eeuwige leven. Maar dan moet u hier leren sterven, sterven aan de zonde, aan de wereld, aan uzelf, eer de dood komt en dat nieuwe leven deelachtig worden, dat over dood en graf heengaat. Dat wel kan inzinken door afdwalingen, aardsgezindheid, het verdorven bestaan enz., maar dat toch door’s Heeren eeuwige trouw zal onderhouden worden, versterkt, al meer gefundeerd langs de weg der ontlediging op het algenoegzame en volkomen Borgwerk van Christus.

Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.