+ Meer informatie

De Nederlandse Geloofsbelijdenis in context: de Confession de Foy en het vroege gereformeerd protestantisme in de Nederlanden

32 minuten leestijd

Abstract
Guy de Brès wrote the Belgic Confession (1561) in consultation with fellow leaders of the Reformed communities in the southern Low Countries. This article describes the underground network of these communities as the context in which the BC came into existence. Especially the pivotal role of the Dutch- and French-speaking churches in Antwerp is highlighted. Here, the Reformed movement for some time benefitted from a relatively tolerant climate. Still, the overall persecution was severe. It is shown that due to the strong mobility of the persecuted ministers, there were close links between the various Reformed communities in Antwerp, Tournai, Lille et cetera. and also between them and the Dutch-speaking refugee churches in other countries (especially the one in London). Finally, the unifying role of the first synods and of the Belgic Confession is elucidated.


In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd door Doornikse gereformeerden een pakje over de muren van het kasteel van Doornik gegooid. Het pakje bevatte een geschreven brief en een gedrukt boekje dat in de geschiedenis van het Nederlandse1 protestantisme al vlug een heel bijzondere plaats innam. De titel van het boekje luidde: Confession de Foy, Faicte d’un commun accord par les fideles qui conversent ès pays bas, lesquels desirent vivre selon la pureté de l’Evangile de nostre Seigneur Iesus Christ.2 De naam van de drukker of uitgever en de plaats van uitgave komen op het titelblad niet voor, iets wat in die tijd frequent gebeurde met drukwerk dat door de overheid verboden was. De titel van het werk zegt in ieder geval al veel over de wijze waarop de belijdenis tot stand kwam. De Confession was het werk van Guy de Brès, maar hij deed dat in overleg met andere geloofsgenoten. De nauwe contacten tussen de gereformeerde kernen in de Nederlanden speelden daarbij ongetwijfeld een rol.
We weten nu dat het desbetreffende boekje van de persen rolde van Abel Clémence, een drukker uit de Franse stad Rouen.3
Nog in 1561 verscheen een andere uitgave van deze Confession de Foy, uitgegeven te Lyon. Die tweede uitgave vermeldt op het titelblad een toevoeging. Er wordt namelijk verwezen naar het verzoekschrift dat de gereformeerden richtten aan de overheden van de Nederlanden en dat eveneens in het boekje – ook in de eerste uitgave –opgenomen was. De toevoeging luidde: ‘Avec une Remonstrance aux Magistrats, de Flandres, Braban, Hainault, Artois, Chastelenie de l’Isle, & autres regions circonvoisines’.4 De plaatsnamen die in het verzoekschrift worden vermeld zijn interessant omdat zij aangeven waar het gereformeerd protestantisme zich rond 1561 al goed had verspreid. Het gaat zonder uitzondering om gewesten die behoorden tot het zuidelijk deel van de Nederlanden: Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Artesië en de kasselrij van Rijssel.
In wat volgt zullen we nader ingaan op de historische context waarin we de Confession de Foy of de Geloofsbelijdenis uit 1561 moeten situeren. We zullen daarom eerst een overzicht presenteren van het vroege gereformeerd protestantisme in de Nederlanden en daarbij vooral letten op de belangrijke centra en groeipolen, met name Antwerpen en enkele Waalse steden zoals Doornik, Rijssel en Valenciennes.
Bij dat alles mogen we ook de belangrijke rol van de vluchtelingenkerken in Engeland en het Duitse Rijk niet uit het oog verliezen. Zij hebben net als Genève, de stad van Calvijn, een wezenlijke inbreng gehad bij de uitbouw van de calvinistische kerk in de Nederlanden.5 Tevens zullen we aandacht besteden aan een aantal elementen dat geleid heeft tot meer integratie en eenheid in de vroege gereformeerde kerken. De eerste synodale bijeenkomsten zijn daar een voorbeeld van en het spreekt vanzelf dat ook geschriften, zoals de Confession de Foy zelf, daarbij een rol gespeeld hebben.

Antwerpen als centrum van gereformeerd protestantisme
Het dient beklemtoond te worden dat de vroege geschiedenis van de gereformeerde gemeenschappen in de Nederlanden niet makkelijk te achterhalen is. De gereformeerde beweging was door de wereldlijke overheid verboden en diende zich daarom in het geheim te organiseren. Het functioneren van de plaatselijke gemeenschappen gebeurde aanvankelijk op een informele manier, zonder al te veel schriftelijke neerslag. Dat laatste was overigens niet zonder risico, want wanneer de gerechtsofficieren de hand konden leggen op de correspondentie of andere documenten van een gemeenteleider was dat vaak het sein voor een krachtige vervolgingsgolf.6 Het zijn overigens vaak de archieven van de vervolgende overheden die ons een kijk bieden in de organisatie van en het leven in de ondergrondse gemeenschappen. Daarnaast is er wel af en toe correspondentie van predikanten of andere gemeenteleiders bewaard en de relaties met de vluchtelingenkerken hebben meermaals tot een interessante schriftelijke neerslag geleid.
Op basis van zeer verspreid onderzoek hebben we zelf een beeld kunnen schetsen van de vroege geschiedenis van de gereformeerde gemeenschap van Antwerpen.7 Het geval van Antwerpen is om een dubbele reden interessant. De Scheldestad vervulde immers een centrumfunctie bij de doorbraak van het gereformeerd protestantisme in de Nederlanden. Bovendien laat het Antwerpse materiaal mooi toe om de evolutie te schetsen van een informele gereformeerde gemeenschap naar een goed georganiseerde kerk. We zien daarbij met welke uitdagingen en problemen de jonge kerk te maken kreeg. Die evolutie deed zich ongetwijfeld ook voor in verschillende andere plaatsen, maar doorgaans zijn we daarover minder goed geïnformeerd.
In Antwerpen bestond in het midden van de 16de eeuw een kleine gereformeerde gemeenschap. Jan van Ostende, een tapijtwever uit het Vlaamse Oudenaarde, was de eerste voorganger van die gemeenschap. Hij hield predicaties en hij onderhield contacten met de Londense vluchtelingenkerk, in het bijzonder met Maarten Micron. Blijkbaar genoot hij in gereformeerde kringen toch wel invloed want een Antwerpse lutheraan zond één van Van Ostendes geschriften naar Duitse geloofsgenoten met de vraag dat de bekende lutherse theologen Joachim Westphal en Matthias Flacius Illyricus er een weerlegging zouden op schrijven.8 Zijn activiteiten werden echter ontdekt, hij werd gevangengenomen en in oktober 1551 terechtgesteld.9
De uit Mechelen afkomstige schoenmaker Gaspar van der Heyden nam zijn taak over en vormde de gereformeerde gemeenschap om tot een goed gestructureerde ondergrondse kerk.10 In 1555 kon Van der Heyden zich voltijds toeleggen op het predikambt en op het einde van dat jaar liet hij aan de kerkenraad van Emden weten ‘dat wy Christo den Heeren door den H. Geest beginnen te verzamelen een kleine tedere Bruydt of Gemeente’. Van der Heyden liet tevens weten dat hij ordinantiën – een soort kerkorde – had opgesteld, die onder meer bepaalden dat de gemeenteleden elke zondagavond moesten samenkomen. Hij vond het verder raadzaam om ‘te vorderen van eenen iegelyken zyns geloofs belydinge, op dat daardoor de conscientie versterket, alle valsche lere geweert, en uitgesloten, en de Schrift onderzocht werde’.11
Gaspar van der Heyden stelde zich met andere woorden op een strak, exclusief standpunt. Diegenen die nog ‘gezelschapten metten genen, die de roomsche grouwelen en superstitiën zomtyden noch genieten’ waren uitgesloten van de gemeente. Iemand die wenste toe te treden tot de gemeenten moest met andere woorden duidelijke keuzes maken. Je kon niet met één been in de gereformeerde staan, en met een ander toch nog deelnemen aan de diensten van de Rooms-Katholieke Kerk. De prijs voor lidmaatschap was hoog en in een periode van vervolging stelde de gereformeerde kerk daarmee drempels op haar eigen groei.12
Niet iedereen deelde echter de exclusieve visie van Gaspar van der Heyden. Nog geen jaar later, in 1556, kreeg Van der Heyden assistentie van een tweede predikant, de uit Zeeland afkomstige Adriaan van Haemstede.13 Deze laatste stelde zich op een ruimer standpunt. Hij wenste zich met zijn predicaties ook te richten tot diegenen die het nog niet tot een radicale breuk met de roomse kerk wilden laten komen, omdat ze hun maatschappelijke positie niet in het gedrang wilden brengen of uit principe. Die verschillende zienswijze leidde tot discussies en tweedracht in de Antwerpse kerk.14

Naast een Nederlandstalige gereformeerde gemeente was er in Antwerpen echter ook een Franstalige gemeente. Ook hier merken we een zelfde scenario: aanvankelijk was er een predikant die occasioneel te Antwerpen verbleef en in een volgende fase kwam er een permanente kerkstructuur. Alles wijst erop dat dat gebeurde in 1554. De kerk van Antwerpen had toen een nauwe band met de Franstalige kerk van Wezel in het Rijnland. Zij vormden als het ware één kerk, zoals een predikant het uitdrukte: ‘simul tanquam una erant Ecclesia’. De eerste, althans bij naam gekende, vaste predikant kwam er pas in 1557 met mr. Evrard Erail die op verzoek van de kerk van Antwerpen van Genève naar de Scheldestad werd gestuurd.15 De Franstalige en Nederlandstalige kerk vormden afzonderlijke entiteiten, maar dat neemt niet weg dat er regelmatig contacten waren.
De twee gereformeerde kerken van Antwerpen onderhielden nauwe relaties met de Nederlandstalige en Franstalige kerk van zowel Londen als Emden en met andere vluchtelingenkerken, zoals die van Wezel en Frankfurt. Ook met Johannes Calvijn was er contact. Calvijn moedigde eind 1556 de broeders van de Franse kerk aan om niet af te wijken van de goede weg. Hij vroeg hun niet te verflauwen in een omgeving die vol misbruiken was en waar Satan constant op de loer lag. Hij raadde de Antwerpse broeders verder aan om niet alleen de bijbel of andere stichtelijke lectuur te lezen in de besloten huiskring, maar ook als gemeente zich te verzamelen in de naam van Jezus Christus.16 Het was een waarschuwing aan het adres van diegenen die uit vrees hun geloof niet openlijk durfden te belijden en compromissen sloten met de katholieke kerk. Tegen dergelijke ‘nicodemieten’ trok hij altijd sterk van leer.17
In vergelijking met andere steden troffen de gereformeerden in Antwerpen een relatief tolerant klimaat. De Antwerpse wethouders hielden steeds de economische belangen van hun kosmopolitische handelsmetropool voor ogen. Een al te repressieve politiek kon de vreemde handelaars afschrikken en op die manier de welvaart van de stad ondermijnen. Daarom probeerden ze al diegenen die enig economisch gewicht in de schaal wierpen zoveel mogelijk te ontzien. Concreet wilde dat zeggen dat calvinisten die banden hadden met het handelsmilieu gespaard moesten worden, althans in de mate dat dat mogelijk was. De stadsbestuurders stonden immers regelmatig onder druk van de centrale overheid in Brussel om de ketterijplakkaten toe te passen.18

In de Nederlandstalige gereformeerde kerk van Antwerpen zorgde de vraag welke houding men diende aan te nemen tegenover de wettelijke overheden voor discussie en verdeeldheid. In het voorjaar van 1558 won bij een aantal gemeenteleden, onder wie Adriaan van Haemstede, de overtuiging dat de calvinisten vervolgd werden omwille van het geheime, ondergrondse karakter van hun activiteiten.19 Van Haemstede was van oordeel dat de waarheid aan het licht moest gebracht worden en dat wat kwaad was de duisternis beminde. Hij bleef niet bij de pakken zitten en stapte naar de burgemeester van Antwerpen. Zij spraken uitvoerig over de religiekwestie, waarbij Van Haemstede vroeg het harde optreden tegen vrome christenen te staken. De burgemeester vroeg plots: ‘Als jullie religie de orthodoxe en apostolische religie is, waarom onderwijzen jullie die dan niet in het openbaar in tempels? Immers, wie kwaad doet, schuwt het daglicht.’
Een dergelijke reactie was natuurlijk koren op de molen van Van Haemstede. Het gesprek met de burgemeester maakte blijkbaar indruk op de leiders van de (Nederlandstalige) calvinistische kerk, want kort nadien besloten zij een verzoek tot de koning te richten. Volgens een rapport van een aantal Antwerpse clerici werd het rekwest effectief overgebracht toen Filips II op 25 mei Antwerpen bezocht. Zij vroegen de koning om in het openbaar te mogen preken. Het is niet bekend of dit verzoek Filips II effectief bereikte en indien dat zo was, dan zou hij er natuurlijk nooit mee ingestemd hebben. Het gegeven is echter niet onbelangrijk omdat het aantoont dat Nederlandse gereformeerden, en meer bepaald Antwerpse, al drie jaar vóór hun broeders uit Doornik een verzoekschrift tot de koning richtten. Dat de Antwerpse gereformeerden met hun rekwest inspiratie vonden bij hun Franse geloofsgenoten is weinig waarschijnlijk. De hugenoten dienden weliswaar verschillende rekwesten in bij de Franse koning maar deze praktijk kwam pas op gang vanaf maart 1560.20
In Antwerpen wachtte Adriaan van Haemstede in ieder geval niet af. Hij koos resoluut voor de openbaarheid. Zijn publieke predicaties kwamen tot een hoogtepunt op het einde van 1558. Op 4 en 8 december hield hij predicaties voor respectievelijk tweehonderd en vierhonderd personen en op 11 december volgde een predicatie die wel tweeduizend toehoorders trok. Die laatste predicatie trok zoveel aandacht dat zij ook de autoriteiten in Brussel alarmeerde. De landvoogd stuurde twee commissarissen van de Raad van Brabant naar Antwerpen om een onderzoek in te stellen. De Antwerpse wethouders waren daardoor gedwongen om tot arrestaties en berechtingen over te gaan. In januari 1559 bestegen twee calvinisten de brandstapel en in hetzelfde jaar zouden nog drie andere executies volgen. Van Haemstedes streven naar een publieke kerk kreeg op die manier verregaande negatieve gevolgen voor de Antwerpse calvinistische kerk.21
Ondanks de vervolging bleven in Antwerpen steeds een ondergronds georganiseerde Nederlandstalige en Franstalige gereformeerde kerk bestaan die over eigen predikanten en een kerkenraad beschikten. De Antwerpse kerk bleef haar centrumfunctie behouden. Vanuit Antwerpen werden predikanten uitgezonden naar andere gemeenten in Brabant en Vlaanderen en vervolgde geloofsgenoten uit die gewesten, maar ook uit de Waalse steden, vonden in de Antwerpse metropool een toevluchtsoord. Bovendien vormde Antwerpen een soort schakel in de contacten met de vluchtelingenkerken.22

Groeipolen van het Franstalig gereformeerd protestantisme
De Waalse gewesten met steden als Doornik, Rijssel en Valenciennes vormden een andere groeipool van het gereformeerd protestantisme. In dit zuidelijk gebied van de zestiende-eeuwse Nederlanden moeten we zeker rekening houden met de invloed van het nabije Franse calvinisme dat in de jaren vijftig een sterke expansie kende.23 Vooral na de totstandkoming van de Vrede van Cateau-Cambrésis (3 april 1559), gesloten tussen de Franse en de Spaanse koning, was er een relatief vrij grensverkeer tussen de Nederlanden en Frankrijk. De gereformeerde kernen uit het zuidelijke, Franstalige deel van de Nederlanden kregen daardoor belangrijke stimulansen van hun Franse geloofsgenoten.24
De oudste kernen van gereformeerd protestantisme gaan in de Waalse gewesten terug tot het midden van de jaren veertig. In september 1544 trok Pierre Bruly, de predikant van de Franstalige gereformeerde gemeente in Straatsburg, vanuit die stad naar de Nederlanden om er gemeenten op te richten in Doornik, Rijssel, Valenciennes en een aantal andere naburige plaatsen. Bruly werd echter eind 1544 te Doornik gearresteerd. Het was het startsein voor een scherpe repressie en de vlucht van talrijke geloofsgenoten naar onder meer Antwerpen en Wezel. Binnen het tijdsbestek van enkele maanden was Brully er echter niet in geslaagd om goed gestructureerde gemeenten uit te bouwen die beschikten over een eigen kerkenraad.25
Het blijft dan een zevental jaar stil tot Guy de Brès in 1552 opduikt in Rijssel. De Brès, de zoon van een glasschilder uit Bergen,26 had voordien verbleven in de Franstalige vluchtelingenkerk te Londen, en verlegde vanaf 1552 zijn werkterrein naar Rijssel en omgeving. Hij preekte er en wist er verschillende volgelingen rond zich te verzamelen. In welke mate het in de periode 1552-1555 – de jaren van De Brès’ activiteiten in Rijssel – tot een echt georganiseerd kerkverband kwam, is niet helemaal duidelijk. Uit het martelaarsboek van Jean Crespin vernemen we wel dat er in die periode diakens actief waren in Rijssel. Zij gingen wekelijks langs de huizen van de gelovige broeders om er aalmoezen op te halen om die vervolgens uit te delen aan de behoeftige geloofsgenoten. Maar van ouderlingen en een kerkenraad vernemen we in de bronnen niets – al kan ook hier de bronnenschaarste ons parten spelen. In ieder geval maakte de repressie van de overheden in 1555 een einde aan de dynamiek van de Rijsselse gereformeerde gemeenschap.27 De Brès zocht andermaal veiligere oorden op buiten de Nederlanden en trok in 1556 naar Lausanne en Genève.28 Of hij aan de Academie van Lausanne studeerde, is echter niet zeker.29
Rijssel was dus gedurende enkele jaren in de zuidelijke gewesten het centrum geweest van het Franstalige calvinisme. Na de ondertekening van het verdrag van Cateau-Cambrésis in 1559 wordt die rol overgenomen door Doornik. Guy de Brès speelt daarbij een sleutelrol. Hij legde opnieuw een drukke activiteit aan de dag in de Nederlanden. Hij bezocht regelmatig gelovigen in Valenciennes, Rijssel, Antwerpen, en ook in Franse plaatsen als Dieppe en Amiens.30 Door Peter Datheen, op dat moment predikant in Frankfurt, werd De Brès getypeerd als ‘ministre de la parole de dieu ès Pays-Bas’.31 Hij was met andere woorden predikant van het Woord Gods in de Nederlanden, wat toch zijn vooraanstaande rol benadrukt. Ondanks zijn rondtrekkend bestaan verbleef Guy de Brès vooral in Doornik en het was ook in die stad dat hij, wellicht in 1559, huwde met Catherine Ramon. Op 31 augustus van het volgende jaar werd uit dit huwelijk een zoon, Israël genaamd, geboren.32
Rond deze tijd kwam het in Doornik tot een goed georganiseerde kerk die over een consistorie of kerkenraad beschikte. Bij gebrek aan bronnen kunnen we dit proces niet precies dateren, maar vermoedelijk gebeurde het kort na de aanvang van De Brès’ activiteiten in 1559. De Brès speelde in die kerk een cruciale rol en legde bij zijn werkzaamheid een grote voorzichtigheid aan de dag. Hij opereerde vaak onder de schuilnaam ‘Hieromme’ en stelde alleen vertrouwen in diegenen die belijdenis van hun geloof hadden afgelegd en plechtig verzaakten aan het pausdom en de roomse kerk.33 Deze strikte aanpak herinnert duidelijk aan wat gangbaar was in de jonge Antwerpse gereformeerde gemeente.
Het aantal gemeenteleden bleef dan ook aanvankelijk beperkt. De ontwikkelingen in Frankrijk, waar de calvinisten na het edict van Amboise hun Confession de Foy van 1559 aanboden aan de Franse koning en in de periode van het colloquium van Poissy (september-oktober 1560) grote verwachtingen koesterden, hadden ook een positief effect op de situatie van het calvinisme in Doornik en omgeving. Toch bleef grote voorzichtigheid geboden. Het is typerend dat calvinisten uit Doornik en Rijssel naar het veiligere Antwerpen trokken om daar hun kinderen te laten dopen of te huwen.34 Het waren in Doornik, maar ook in Valenciennes en Rijssel, vooral jonge gereformeerden die zich aangesproken voelden door de dynamiek van het Franse calvinisme en er voor pleitten om, naar Frans model, meer in de openbaarheid te komen. Bovendien arriveerden in de Waalse steden via goed georganiseerde netwerken drukwerken van gereformeerde snit uit Genève, Lyon, Normandië en Frankfurt. Onder meer de psalmberijming van Bèze en Marot vond in de gereformeerde gemeenschappen van Doornik en Valenciennes gretige kopers.35

Aanvankelijk slaagde de gematigde Guy de Brès erin om het enthousiasme van zijn jonge geloofsgenoten in te tomen, maar vanaf september 1561 – precies de maand waarin in Poissy het bekende colloquium tussen katholieke en gereformeerde theologen startte36 – lukte dat niet meer. Op zondag 28 september 1561 trokken in Valenciennes ‘s nachts psalmzingende groepen door de straten en de volgende dag gebeurde hetzelfde op nog grotere schaal in Doornik. Naargelang de bron trokken drie- tot zeshonderd personen – mannen, vrouwen, jongens en meisjes en kinderen – door de straten ‘terwijl ze de Tien Geboden en de psalmen van David in Franse vertaling op tumultueuze wijze zongen’. De volgende dag trokken deze chanteries nog meer volk, volgens de Doornikse procureur Pasquier de le Barre wel drie- à vierduizend personen. 37 Guy de Brès hield zich ver van deze chanteries; hij veroordeelde ze zelfs als inopportuun en gevaarlijk. De kwestie van de chanteries zorgde in ieder geval voor tweedracht onder de Doornikse gereformeerden want sommigen kwalificeerden ze als ‘een heilige zaak en strekkend tot de eer van God’.38
De effecten van de massale chanteries waren enigszins te vergelijken met de reacties op de openbare predicaties die Adriaan van Haemstede in december 1558 in Antwerpen had gehouden. De wethouders van Doornik bagatelliseerden het gebeuren en verzekerden alles onder controle te hebben, maar de gealarmeerde centrale overheid in Brussel nam drastische maatregelen. De landvoogdes, Margareta van Parma, stuurde drie koninklijke commissarissen naar Doornik om er een uitvoerig onderzoek in te stellen en de nodige arrestaties te verrichten. Dat laatste gebeurde ook vanaf 15 oktober. Een aantal deelnemers aan de chanteries werd gearresteerd en later in de maand volgde de aanhouding van Jean de Lannoy, de collega-predikant van Guy de Brès in Doornik. De Lannoy bleef tegenover zijn ondervragers standvastig in zijn geloof. Hij stelde dat hij bereid was te sterven voor zijn geloofsopvattingen ‘die van Calvijn waren’. Op 17 november 1561 besteeg hij op de Doornikse Grote Markt de brandstapel.39
De arrestatie van De Lannoy en de harde aanpak van de Doornikse calvinisten in het algemeen zorgden bij Guy de Brès voor een ommekeer. Hij deed afstand van zijn reserves tegenover de chanteries en kwam volledig op voor het lot van zijn vervolgde geloofsgenoten. Hij keerde in het geheim terug naar Doornik waar hij in de woning van een geloofsgenote in naam van de burgers en inwoners van de stad een lange brief opstelde die hij richtte tot de koninklijke commissarissen. Hij laakte de vervolging van vrome gelovigen en vroeg medelijden te hebben met zijn arme volk: ‘ayez pitié du pauvre peuple’. Bij die handgeschreven brief voegde hij een exemplaar van de gedrukte Confession de Foy en hij vroeg het pakketje over de muur van het kasteel van Doornik te gooien, iets wat daadwerkelijk gebeurde in de nacht van 1 op 2 november 1561. Het pleidooi van De Brès maakte op de koninklijke commissarissen alleszins weinig indruk. Zij gingen verder met de repressie en het resultaat was dat begin 1562 de calvinistische gemeente van Doornik zo goed als volledig ontmanteld was. Vele gemeenteleden namen de vlucht, sommigen naar Antwerpen, maar nog meer naar het buitenland, vooral dan naar Frankrijk.40

Naar meer eenheid in de Nederlandse gereformeerde kerk
De net verhaalde ontwikkelingen in Doornik maken de context duidelijk waarin de geloofsbelijdenis van Guy de Brès ontstond. De voorbeelden van Antwerpen en Doornik geven de dynamiek, maar ook de problemen van de jonge gereformeerde kerken in de Nederlanden goed aan. Het is daarom interessant om ook te kijken naar het bredere perspectief van de Nederlanden. Een interessante vraag die zich daarbij stelt is of er een soort samenwerkingsverband ontstond tussen de verschillende gereformeerde kernen. Waren er met andere woorden aanzetten tot de vorming van een Nederlandse gereformeerde of calvinistische kerk? Daarbij dienen we natuurlijk ook te letten op de rol van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Vanaf de late jaren vijftig nam de verspreiding van het calvinisme in de Nederlanden duidelijk toe. Johan Decavele heeft dat bijvoorbeeld mooi aangetoond voor het graafschap Vlaanderen waar onder meer het geïndustrialiseerde Westkwartier een belangrijke groeipool was.41 In Zeeland waren er in 1560-1561 drie georganiseerde gemeenten op het eiland Walcheren, met name in Vlissingen, Middelburg en Veere.42 In het hertogdom Brabant waren er naast Antwerpen gereformeerde gemeenten met een kerkenraad in Brussel (Nederlandstalig 1558, Franstalig 1561) en Breda (vóór 1565).43 Ten noorden van de grote rivieren blijken er voor het Wonderjaar geen gereformeerde gemeenten met een kerkenraad geweest te zijn, al waren er in een aantal Hollandse steden zoals Amsterdam, Alkmaar en Haarlem op het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig predikanten actief.44
Dit beeld – de dominantie van de zuidelijke gewesten in de vroege jaren van het gereformeerd protestantisme – zien we ook bevestigd wanneer we kijken naar de contacten met de Nederlandstalige vluchtelingenkerk in Londen. Vanaf de troonsbestijging van Elizabeth I in 1558 vormde de Londense vluchtelingenkerk opnieuw een belangrijk steunpunt voor de gereformeerden in de Nederlanden.45 Een analyse voor het jaar 1561 van de nauwgezet bijgehouden kerkenraadsacta van de Nederlandstalige gemeente geeft duidelijk aan welke plaatsen uit de Nederlanden contacten onderhielden met Londen, althans aan Nederlandstalige zijde. De volgende kerken werden daarbij met de volgende frequentie vermeld – gewoonlijk gaat het om ontvangen of geadresseerde brieven die in de kerkenraad voorgelezen of besproken werden:46

Antwerpen: 7
Vlaamse kerken/predikanten 3
Hondschoote: 1
Kassel: 1
Predikanten van Zeeland: 1
Middelburg: 3
Vlissingen: 1
Jan Arentz, Verbi Dei minister in Hollandia 1
Frankfurt: 4
Emden: 3

De wijze waarop de kerken vermeld worden, zegt soms iets over hun toestand. Zo wordt de kerk van Middelburg op 7 augustus 1561 betiteld als een ‘inchoata ecclesiola’, een begonnen kerkje.47 Jan Arentz wordt vermeld als dienstdoend predikant in Holland, maar naar een georganiseerde kerk wordt niet verwezen.48
Er waren niet alleen contacten met de vluchtelingenkerken, maar ook tussen de verschillende kerken onderling. De sterke mobiliteit van de predikanten heeft daar zeker aanzienlijk toe bijgedragen. Door de repressie waren de predikanten immers regelmatig gedwongen om hun actieterrein te verleggen. Predikanten die verbonden waren aan de kerk van Antwerpen trokken bovendien regelmatig naar andere plaatsen in Brabant Vlaanderen om daar de jonge gereformeerde kernen te ondersteunen. Ook dat heeft samenwerking en eenheid zeker in de hand gewerkt. Aan Franstalige zijde deed zich een gelijkaardige mobiliteit voor. De kerken van Antwerpen en Doornik speelden daarbij een eersterangs rol. Bovendien fungeerde Antwerpen quasi permanent als een opvangcentrum voor calvinisten die gevlucht waren uit de Waalse gewesten.49
In het proces naar meer eenheid en integratie hebben de synodale vergaderingen die minstens vanaf 1562 plaatsvonden zeker een belangrijke rol gespeeld. Een duidelijk afgebakende en getrapte structuur van provinciale synodes die samen een ‘nationale’ synode vormden, moet men in de Nederlanden in de jaren zestig nog niet verwachten. De Groningse hoogleraar Freek Knetch die de oudste synodes grondig bestudeerde, benadrukte terecht dat deze synodes zo generaal waren als de omstandigheden toelieten.50 Op de synodes waren niet alleen vertegenwoordigers aanwezig uit verschillende gewesten, maar ook uit zowel de Nederlandstalige als Franstalige kerken.51 Het feit dat de bewaard gebleven besluiten van de oudste synodale vergaderingen alle in het Frans gesteld zijn, mag ons dus niet op het verkeerde been zetten. De kerk van Antwerpen speelde ook op het niveau van de synodes een centrale, coördinerende rol. Vóór 1571 gingen immers op één na alle synodale vergaderingen in Antwerpen door. Op deze vergaderingen maakten de vertegenwoordigers van de verschillende kerken afspraken over een gemeenschappelijke kerkorde en over concrete problemen waarmee de jonge kerken in de Nederlanden te maken kregen.52
Bij dat werk konden de calvinistische kerkleiders uit de Nederlanden zich spiegelen aan de Franse kerk die sedert 1559 een traditie van synodale vergaderingen kende. De net vermelde professor Knetsch toonde aan dat de acta van de Franse synodes goed bekend waren in de Nederlanden. De structuur en de bewoordingen van de Franse besluiten werden op de Nederlandse synodes in een aantal gevallen al dan niet letterlijk overgenomen. Maar tegelijkertijd behielden de in Antwerpen vergaderde synodebroeders voldoende zelfstandigheid en hielden zij rekening met het specifieke karakter van de Nederlandse kerk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking tussen de Franse Discipline ecclésiastique van 1559 en de kerkorde die op de Antwerpse synode van 1 mei 1564 tot stand kwam.53
Het was onvermijdelijk dat de Confession de Foy van Guy de Brès ook ter sprake kwam op de synodale vergaderingen. Op de synode van Pinksteren 1565 werd in artikel 1 bepaald dat men bij het begin van elke synode de geloofsbelijdenis zou voorlezen, zowel om de eenheid van de kerken in de Nederlanden te beklemtonen als om te kijken of er iets veranderd diende te worden.54 Dat is ongetwijfeld een stevig statement over de confessie als eenheidsscheppend element in de calvinistische kerk van de Nederlanden.
Over het auteurschap van de Confession de Foy is in het verleden nogal wat inkt gevloeid, maar er zijn wel behoorlijk wat argumenten om het document toe te schrijven aan Guy de Brès.55 Tegelijkertijd is het duidelijk dat De Brès de geloofsbelijdenis opstelde in nauw overleg met andere leiders van de calvinistische kerk in de Nederlanden. Het is niet verrassend dat het vooral de broeders van Antwerpen waren die een aanzienlijke inbreng hadden. Dat bleek al snel uit uitlatingen van enkele tijdgenoten. Jacques Maquet, één van de deelnemers aan de Doornikse chanteries die door de koninklijke commissarissen was gearresteerd, sprak tijdens zijn verhoor over de ‘Confession des fidèles d’Anvers’. Een andere gearresteerde, Gilles Espringalles, sprak over de Confession ‘als zijnde van Antwerpen’.56 Deze calvinisten uit Doornik legden dus eind 1561 een duidelijke band met Antwerpen. De conclusie van J.N. Bakhuizen van den Brink, die in 1976 een voortreffelijke uitgave van de Confession bezorgde, met name ‘Aan enige achtergrond en steun van Antwerpen bij de oorsprong van de Confessie mag misschien gedacht worden’, 57 is dan ook te voorzichtig.
Dat de Confession de Foy op korte termijn een reële invloed uitoefende, blijkt niet alleen uit de bepaling van de Antwerpse synode van Pinksteren 1565, maar ook, en misschien nog meer, uit het feit dat zij een sterke verspreiding kende via de drukpers. De eerste editie rolde in 1561 van de persen van Abel Clémence in Rouen – een stad waarmee Guy de Brès contacten onderhield. Nog hetzelfde jaar volgde een andere editie bij Jean Frellon te Lyon. Het volgende jaar, in 1562, verschenen er nog eens twee verschillende Franse edities en in 1566 volgde nog een editie in Genève.58
Maar er verschenen ook al snel Nederlandse vertalingen, Belydenisse des gheloofs getiteld. In 1562 verscheen een eerste editie bij Gillis van der Erven te Emden, op dat moment een belangrijk productiecentrum voor Nederlandstalige protestantse literatuur. In 1563 volgde een editie te Vianen bij Dirck Buyter, in 1564 opnieuw een editie bij Gillis van der Erven in Emden en in 1566 bij Harman Schinckel te Delft. Een aantal jaren later volgden nog uitgaven bij de Dordtse drukker Jan Canin in 1573, 1583 en 1593.59 Deze gegevens tonen overtuigend aan dat er al vlug een sterke vraag was naar gedrukte uitgaven van de geloofsbelijdenis, zowel aan Franstalige als Nederlandstalige zijde. Het maakt andermaal duidelijk hoe deze geloofsbelijdenis al snel ging fungeren als een bindend element in de Nederlandse gereformeerde kerk.


Noten
1 Het adjectief Nederlands verwijst in deze bijdrage naar de zestiende-eeuwse Nederlanden.

2 J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), De Nederlandse belijdenisgeschriften, Amsterdam 1976, 1, en viii voor een afbeelding van het boekje. Voor de bredere context: G. Moreau, Histoire du Protestantisme à Tournai jusqu’à la veille de la Révolution des Pays-Bas, Parijs 1962, 168-191.

3 Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 11-13. Jean-François Gilmont, ‘Premières éditions françaises de la Confessio belgica (1561-1562)’, Quaerendo 2 (1972), 173-181; H. de la Fontaine-Verwey, ‘Une presse secrète du XVIe siècle: Abel Clémence, imprimeur à Rouen’, in: Mélanges Frantz Callot, Parijs 1960, 81-89.

4 Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 14.

5 Zie b.v. Andrew Pettegree, Emden and the Dutch Revolt. Exile and the Development of Reformed Protestantism, Oxford 1992, en Philippe Denis, Les églises d’étrangers en pays rhénans (1538-1564), Parijs 1984.

6 Zie voor een mooi voorbeeld Moreau, Histoire du Protestantisme, 103-104, 185-186, 189.

7 Guy Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie. Ondergronds protestantisme in een handelsmetropool 1550-1577, Amsterdam-Antwerpen 1996, hoofdstuk 5.

8 Zie de brief van Alexander Bruchsalius aan Joachim Westphal, 10 augustus 1552, in: C.H.W. Sillem (ed.), Briefsammlung des Hamburgischen Superintedenten Joachim Westphal aus den Jahren 1530 bis 1575, dl. 1, Hamburg 1903, 127-128.

9 Pieter Génard (ed.), ‘Personen te Antwerpen in de XVIe eeuw, voor het feit van religie gererchtelijk vervolgd. Lijst en ambtelijke bijhoorige stukken’, in Antwerpsch Archievenblad, 8 (s.d.), 392-405.

10 Biografische gegevens over deze belangrijke predikant in Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme, dl. II, Kampen 1983, 243-246.

11 Brief van 17 december 1555 in E. Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke Geschiedenisse, dl. I, Groningen 1738, 365-370.

12 Vergelijk Alastair Duke, Reformation and Revolt in the Low Countries, Londen-Ronceverte 1990, hoofdstuk 11.

13 A.J. Jelsma, Adriaan van Haamstede en zijn martelaarsboek, Den Haag 1970.

14 Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 97.

15 Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 97-98. Het citaat in Denis, Églises d’étrangers, 189, noot 2.

16 Brief van 21 december 1556 in Ioannis Calvini opera, dl. XVI, 336-339.

17 Zie C.M.N. Eire, War against the Idols. The Reformation of Worship from Erasmus to Calvin, Cambridge 1989, 234-275.

18 Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 119-124.

19 Zie voor deze episode die leidde tot een verzoekschrift aan de koning en tot openbare predicaties Guido Marnef, ‘Publiek versus geheim: Adriaan van Haemstede en zijn streven naar een publieke kerk te Antwerpen in 1558’, in: Joris De Zutter e.a. (red.), Qui valet ingenio. Liber Amicorum aangeboden aan Dr. Johan Decavele, Gent 1996, 373-383.

20 Penny Roberts, ‘Huguenot petitioning during the wars of religion’, in: Raymond Mentzer en Andrew Spicer (red.), Society and Culture in the Huguenot World 1559-1685, Cambridge 2002, 62-77.

21 Marnef, ‘Publiek versus geheim’, 375-377.

22 Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 100-106.

23 Mark Greengrass, The French Reformation, Oxford 1987, 38-41; Philip Benedict, ‘Les 2150 ‘églises’ réformées de France de 1561-1562’, Revue historique 131 (2009), 529-560.

24 Johan Decavele, ‘Reformatie en begin katholieke restauratie 1555-1568’, in: D.P. Blok e.a. (red.), Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. VI, Haarlem 1979, 171-172; Moreau, Histoire du Protestantisme, 152-154.

25 Moreau, Histoire du Protestantisme, 93-116.

26 In het Frans: Mons, gelegen in de provincie Henegouwen.

27 Marie-Paule Willems-Closet, ‘Le protestantisme à Lille jusqu’à la veille de la révolution des Pays-Bas (1521-1565)’, Revue du Nord 52 (1970), 204-209.

28 E.M. Braekman, Guy de Brès. Première partie: sa vie, Brussel 1960, 104-105.

29 Braekman, Guy de Brès, 114-115. Karine Crousaz, L’Académie de Lausanne entre Humanisme et Réforme (ca. 1537-1560), Leiden-Boston 2012, maakt in haar bijzonder goed gedocumenteerde studie geen gewag van Guy de Brès. De Academie van Genève werd pas in 1559 opgericht.

30 Moreau, Histoire du Protestantisme, 136-137, 144-145.

31 L.A. van Langeraad, Guy de Bray. Zijn leven en werken. Bijdrage tot de geschiedenis van het Zuid-Nederlandsche protestantisme, Zierikzee 1844, 46.

32 Moreau, Histoire du Protestantisme, 145.

33 Morreau, Histoire du Protestantisme, 145, 147-148, 151.

34 Moreau, Histoire du Protestantisme, 146-147 (noot 1), 152-154.

35 Moreau, Histoire du Protestantisme, 160-161, 164-167.

36 Zie Donald Nugen, Ecumenism in the Age of the Reformation: the Colloquy of Poissy, Cambridge (Mass.) 1974.

37 C.W. Clark, An Urban Study during the Revolt of the Netherlands: Valenciennes 1540-1570. Onuitgegeven doctoraatsproefschrift Columbia University, New York 1972, 171-172; Moreau, Histoire du Protestantisme, 169-171.

38 Moreau, Histoire du Protestantisme, 172-173.

39 Moreau, Histoire du Protestantisme, 174-182.

40 Moreau, Histoire du Protestanisme, 182-191.

41 Johan Decavele, De dageraad van de Reformatie in Vlaanderen (1520-1565), dl. I, Brussel 1975, 322-434.

42 Clasina M. Rooze-Stouthamer, Hervorming in Zeeland (ca. 1520-1572), Goes 1996, 140- 155, 158-159.

43 Guido Marnef, ‘Het Protestantisme te Brussel, ca. 1567-1585’, Tijdschrift voor Brusselse Geschiedenis 1 (1984), 57; A.J.M. Beenakker, Breda in de eerste storm van de Opstand. Van ketterij tot Beeldenstorm 1545-1569, Tilburg 1971, 40-41.

44 G.N.M. Vis en J.J. Woltjer, ‘De predikanten in Holland in 1566’, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 80 (2000), 20-45. Er zijn geen aantoonbare bewijzen voor het bestaan van gemeenten met een kerkenraad. Zie ook Duke, Reformation and Revolt, 138.

45 Pettegree, Foreign Protestant Communities, 236-242; Decavele, De dageraad, dl. I, 396, 398 e.v.; Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 98.

46 Gebaseerd op A.A. van Schelven (ed.), Kerkeraads-protocollen der Nederduitsche Vluchtelingenkerk te Londen 1560-1563, Amsterdam 1921.

47 Van Schelven, Kerkeraads-protocollen, 236. Zie ook Rooze-Stouthamer, Hervorming in Zeeland, 154.

48 Van Schelven, Kerkeraads-protocollen, 268; Vis en Woltjer, ‘De predikanten in Holland’, 22.

49 Marnef, Antwerpen in de tijd van de Reformatie, 98-100, 102-105; Moreau, Histoire du Protestantisme, passim.

50 F.R.J. Knetsch, ‘Een vroege gereformeerde kerkorde in de Nederlanden’, in: De historie herzien. Vijfde bundel ‘Historische avonden’ uitgegeven door het Historisch Genootschap te Groningen ter gelegenheid van zijn honderdjarig bestaan, Hilversum 1987, 75-96, speciaal 81. Zie ook E.M. Braekman, ‘Anvers – 1562. Le premier Synode des Eglises réformées’, Bulletin de la Société pour l’Histoire du Protestantisme belge 102 (1989), 25-37.

51 Zie de synodale acta in N.C. Kist, ‘De synoden der Nederlandsche hervormde kerken onder het kruis, gedurende de jaren 1563-1577, gehouden in Braband, Vlaanderen, enz.’, Nederlandsch archief voor kerkelijke geschiedenis 20 (1849), 113-210; Livre synodal contenant les articles résolus dans les Synodes des Églises wallonnes des Pays-Bas, dl. I, Den Haag 1896.

52 Zie hierboven en Gérard Moreau, ‘Les synods des églises wallonnes des Pays-Bas en 1563’, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 47 (1965), 1-11. Het adjectief ‘wallonnes’ in de titel van dit artikel is dus enigszins misleidend.

53 F.R.J. Knetsch, ‘Kerkordelijke bepalingen van de Nederlandse synoden ‘onder het kruis’ (1563-1566), vergeleken met die van de Franse (1559-1564)’, in: J. Fabius e.a. (red.), Kerkhistorische Studiën, Leiden 1982, 29-44.

54 De passage luidde: ‘Qu’au commencement de chaque Synode, on ait à faire lecture de la Confession de foy des Eglises de ce païs; tant pour protester de notre union que pour adviser s’il ni a rien à changer ou amender’; Kist, ‘De synoden’, 152.

55 Zie voor een goed overzicht Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 8-10.

56 Moreau, Histoire du Protestantisme, 156, noot 1.

57 Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 17.

58 Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 11-19; Andrew Pettegree, Malcom Walsby en Alexander Wilkinson, French Vernacular Books. Books Published in the French Language before 1601, Leiden-Boston 2007, nrs. 7417, 7418, 42.700.

59 Bakhuizen van den Brink, Nederlandse belijdenisgeschriften, 21-24; Pettegree, Emden and the Dutch Revolt, appendix, nr. 135; Andrew Pettegree en Malcolm Walshby, Netherlandish Books. Books Published in the Low Countries and Dutch Books Printed Abroad before 1601, Leiden-Boston 2011, nrs. 5896, 22.487-22.490, 22.501, 22.505.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.