+ Meer informatie

De voorbede gevraagd…

6 minuten leestijd

„De voorbede is gevraagd door broeder en zuster A, wier gezin jongstleden donderdag is uitgebreid met een welgeschapen dochter, door het echtpaar B, dat komende week het zilveren huwelijksfeest hoopt te vieren, door broeder C, wiens vrouw gisteren na een ongeval in het ziekenhuis moest worden opgenomen, door zuster D, die uit het ziekenhuis in de kring van haar gezin mocht terugkeren en door de familie E, die treurt om het plotseling overlijden van de moeder en grootmoeder van vaderszijde, gisteren in X ten grave gedragen.”

Ziehier het voorbeeld van een zin, waarmede op vele plaatsen in ons land het „grote gebed” wel wordt ingeleid.

Ongeveer dezelfde zin vindt men dan later zonder de vermelding van de gewenste voorbede in het plaatselijke of classicale kerkblad als een soort samenvatting van het reilen en zeilen binnen de gemeente, zoals dat door „uw pastor”, of „dominee zus en zo” pleegt te worden weergegeven, al dan niet met een iets nadere omschrijving van bijzonderheden.

Er zit zeker veel goeds in dit stukje kerkelijke praktijk. Lief en leed uit de gemeente worden voor Gods aangezicht en ook onder de aandacht van de broeders en zusters gebracht. Maar toch rijzen bij, naar ik veronderstel, vrij veel kerkgangers van tijd tot tijd vragen met betrekking tot de uitoefening van „de voorbede”, zoals die onder ons is gegroeid, misschien moet zelfs gezegd worden: is ver-groeid.

In de eerste plaats de vraag: Is dat het nou-wel? Brengen we werkelijk al hetgene, dat in de gemeente leeft voor Gods aangezicht en onder aller aandacht? Of dreigt de voorbede in te schrompelen tot een zeker ritueel, waarvoor bepaalde beperkende „spel-regels” zijn gaan gelden? Om deze vraag te verduidelijken zij gesteld, dat de voorbeden-alinea in de diverse kerken in Nederland merkwaardige overeenkomsten vertoont. De hoogte- en dieptepunten in het gezinsof familieleven komen er overal in voor: geboorte, huwelijk, gedenken van belangrijke huwelijksdata, sterfgevallen. Voorts zijn er bepaalde relaties tot het ziek-zijn, waarbij het al dan niet opgenomen worden in een behandelingsinrichting het ijkende criterium schijnt te zijn geworden. Artsen-kerkgangers hebben met deze vorm van selectie nogal eens moeite. Een jongeman, die bij een val van de bromfiets een arm of been breekt en deswege in het ziekenhuis is beland, komt op „het lijstje”, maar een patiënt, die thuis in bed in een ontegenzeggelijk ernstiger situatie verkeert, blijft onvermeld zolang er nog geen aanleiding is tot een opname elders.

Alleen reeds door deze aanpak wordt het doorgeven van vreugde en leed uit de gemeente verengd tot het signaleren van slechts een bescheiden deel. Het gezins-en familieleven kent meer ups en downs dan alleen die van geboorte, huwelijk en dood. Men maakt samen een onafgebroken reeks van crises, uitreddingen, feestelijk beleven van rijke zegeningen door. Men heeft zijn zorgen met de kinderen en de kinderen hebben hun eigen problemen. In het verkeermet-elkaar zowel als in de relatie met heel de samenleving, economisch en maatschappelijk. Men dreigt ten onder te gaan, men komt in verzoekingen en wordt vaak wonderlijk gesterkt om dit alles te kunnen dragen of waar nodig te weerstaan. Maar toch: hoewel iedere pastor en ieder gemeentelid dit weet, beleeft en in zijn omgeving ziet, is het mij maar éénmaal - en nog wel in een dienst in een oud-gereformeerde gemeente - overkomen, dat men - bijvoorbeeldsamen de nood van een landbouwer, die economisch in de vernieling dreigde te geraken, in het „grote gebed” voor de Heer der wereld bracht.

Een ander complex van vragen doemt op wanneer we letten op het gegroeide gebruik, dat voorbede eerst moet worden gevraagd. Wie zich niet officeel meldt - althans zo luiden de mores in de meeste gemeenten - komt niet in aanmerking. De argumentatie daarvoor is tweeledig. Enerzijds vindt men dat degene, die niet op de gedachte komt voorbede te vragen, er ook de waarde niet van ziet en - dus - de voorbede niet „verdient”. Anderzijds valt een zekere vrees te signaleren, dat men de „privacy” van leden of gezinnen zou schenden door ongevraagd de bij pastor of gemeente bekende noden en vreugden in de „openbaarheid” van een hele gemeente te brengen.

Ook dit deel van de onder ons gegroeide traditie heeft bedenkelijke kanten. Hierachter schuilt een ontwikkeling, waarbij de realiteit van de kerkelijke gemeente als open geloofs-gemeenschap steeds minder wordt gezien en beleefd. Een consequentie van het broeder- en zusterzijn in Christus behoort toch zeker te zijn, dat men eigen vreugde en smart niet alleen bij God, maar ook bij de ander, veilig weet, ongeveer op dezelfde wijze als natuurlijke broers en zusters nauwelijks geheimen voor elkaar plegen te hebben. In dit licht bezien wordt mede de vraag actueel of men, zo al de voorbede dient te worden gevraagd, deze ook voor elkaar zou mogen vragen. Zo ja, dan ligt hier behalve voor de mede-leden, voor pastores, ouderlingen en diakenen, die veel horen en zien in de gemeente, een belangrijke taak, een taak, die deze ambtsdragers met de bij vele subtiele objecten van voorbede passende tact en liefde zullen hebben uit te voeren. Waarbij ter geruststelling kan worden verzekerd, dat veel nood, spanning en reden tot verblijden kan worden geduid, zonder dat exact naam en plaats of onthullende specifieke situaties en omstandigheden behoeven te worden geschilderd. Het resultaat is echter wel, dat de broeder of zuster in nood, spanning dan wel blijdschap zich door het gebed van de gemeente gedragen en gesterkt, als lid van de gemeente „gekend” weet.

In mijn boekenkast staat een band met de „CL psalmen des propheten Davids (en andere lofzangen) uyt den Francoysche dichte in Nederduytsche overgeset door Petrum Dathenum”. Dit dienst-boek anno 1717 bevat ook de „liturgie der Gereformeerde Kercken in Nederlant”, waaronder een „Gebedt voor alle noot der Christenheyt”, dat werd gebruikt „des Sondaegs na de Predicatie”.

Dit gebed begint met verootmoediging en schuldbelijdenis, vervolgt met een indrukwekkend beroep op Gods verbondstrouw en genadegaven en gaat dan -„overmits het U behaegt dat men bidde voor alle mensen” - over in beden om doorwerking van het Evangelie in de wereld, om kracht en wijsheid voor „d’ Overheden” - van de Staten Generael tot de Raet deser Stadt, allen in volgorde en sommige ambtsdragers met name genoemd - om troost en kracht voor „alle, o Heere, na dat gij wetet dat haren noot is eysschende”, om bewaring voor „ons en de onse mitsgaders alles wat ons aengaet”, tenslotte om zegen op de beroepsarbeid en versterking in aanvechtingen, „opdat wij in den waren geloove strijdende overwinnen mogen ende hier na maels met Christo dat eeuwige leven besitten”.

Het oude formuliergebed plaatst de voorbidder in de priesterlijke traditie, die we kennen uit de beden van Mozes voor zijn volk, uit het hogepriesterlijke gebed van Christus zelf en uit de Paulinische brieven. Vanuit die traditie bezien is de voorbede een niet alleen legitiem, maar ook belangrijk deel van de eredienst. Herlezing van de oude gebeden die in de christelijke en reformatorische kerken in zwang zijn geweest zou liturgen en gemeenteleden in onze twintigste eeuw kunnen inspireren tot een vernieuwd priesterschap, waarbij de nood van deze tijd en die van de mens in deze tijd op een indringerder en veelzijdiger wijze dan thans hier en daar het geval is, voor Gods aangezicht wordt neergelegd.

Een wezenlijke taak van de kerk vraagt nieuwe impulsen.

Noord Scharwoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.