+ Meer informatie

De Algemene Bijstandswet en diaconale verantwoordelijkheid (II)

19 minuten leestijd

4. Hoe kan men zijn rechten geldend maken?

De rechtsplicht van de overheid betekent een recht voor de burger. De Algemene Bijstandswet formuleert het recht dat iedereen heeft op een sociaal minimum, als een plicht van de overheid. In artikel 1 van de wet had echter evengoed kunnen staan: iedere Nederlander heeft recht op de noodzakelijke kosten van het bestaan tot het bedrag van een sociaal minimum. In de Kamer is er voor gepleit in artikel 1 te spreken van een recht van de burger in plaats van over een plicht van de overheid. Men is het er evenwel over eens, dat het in wezen weinig uitmaakt. Er is dus een recht van de burger. Als hij meent dat dit recht niet wordt gehonoreerd, heeft hij de mogelijkhheid van een bezwaarschrift en van een beroepsschrift. Hij kan in beroep gaan bij Gedeputeerde Staten en als het een zeer spoedeisend geval is kan hij een voorlopige voorziening vragen aan de voorzitter van Gedeputeerde Staten, die aan burgemeester en wethouders opdracht kan geven de bijstand te verlenen.

Voor bezwaarschriften en beroepsschriften is het nodig, dat de manier waarop aanvragen om bijstand worden ingediend en behandeld, nauwkeurig wordt geregeld. De wet bevat daarover een aantal bepalingen, maar de wet verplicht bovendien de gemeenten over dat onderwerp een verordening vast te stellen. In deze maand of de volgende maand * zal de Raad van uw gemeente wel zulk een verordening in behandeling nemen; misschien zijn er zelfs al gemeenten waar die verordening reeds is vastgesteld. In het groene boekje waarin de vereniging van directeuren van sociale zaken, de Divosa, de Algemene Bijstandswet heeft geïntroduceerd, vindt u een model-verordening betreffende de behandeling van aanvragen om bijstand en van bezwaarschriften. Die verordening zal in hoofdzaak wel door de gemeenten worden gevolgd.

De wet gaat uit van een schriftelijke aanvraag en een schriftelijke beschikking op de aanvraag. Maar iemand die moeite heeft met het hanteren van de pen kan de aanvraag ook mondeling indienen. De model-gemeenteverordening gaat er van uit, dat de aanvraag op een bepaald formulier wordt gesteld. Wie het kan zal meteen zo’n formulier invullen. Maar als iemand mondeling zijn aanvraag heeft ingediend of via een eenvoudig briefje, zal een ambtenaar van de sociale dienst wel zorgen dat het aanvraagformulier op de juiste wijze wordt ingevuld. Een andere mogelijkheid is, dat een derde voor de bijstandsbehoevende het aanvraagformulier invult. Die derde kan bijvoorbeeld zijn een functionaris van een vakbond, een maatschappelijk werkster, een diaken. Functionarissen van vakbonden die ik ken, zijn van plan deze service aan hun leden te verlenen. Waarom zouden onze maatschappelijk werksters en diakenen niet hetzelfde doen? Er zijn kerken die er bij hun lidmaten op aandringen geen beroep op de sociale dienst te doen buiten de diaken om. Dat is niet in overeenstemming met onze Hervormde vrijheid. Men moet zijn diensten niet opdringen, maar ze wel aanbieden als men ziet dat ze welkom zijn. Of dat het geval is, ziet men vanzelf als men als maatschappelijk werkster of diaken meeleeft met alle nood in de gemeente of de wijk. Ik zou het daarom toejuichen als de maatschappelijk werksters en de diakenen in het bezit zouden zijn van blanco aanvraagformulieren, die ze in voorkomende gevallen zouden kunnen gebruiken.

Misschien vraagt iemand: haalt u dan niet weer de financiële bijstand en de dienstverlening door elkaar, die de Algemene Bijstandswet juist wilde scheiden?

Het antwoord is, dat de wet die scheiding wel maakt, maar toch in artikel 2 een wisselwerking veronderstelt tussen financiële bijstand en dienstverlening. Deze wisselwerking is niet bedoeld als een eenrichtingsverkeer. Evengoed als een ambtenaar van de sociale dienst in bepaalde gevallen de weg zal wijzen naar de dienstverlening van het maatschappelijk werk, evengoed zullen de maatschappelijk werkster en de diaken in vele gevallen de weg moeten wijzen naar de financiële bijstand. Ze kunnen zelfs meer doen dan de weg wijzen: ze kunnen ook bemiddeling verlenen door het indienen van een aanvraag en zo nodig van een bezwaarschrift of beroepsschrift. Wij moeten iemand die er tegenop ziet die weg alleen te gaan, naar vermogen bijstaan.

Van die gedachte gaat dus ook de model-verordening van de gemeenten uit als deze zegt, dat aanvragen door derden kunnen worden ingediend en dat de aanvrager zich kan laten bijstaan door een raadsman. Daarbij is niet in de eerste plaats gedacht aan een juridisch raadsman.

Wanneer u zich niet in staat acht als sociaal raadsman op te treden, bent u te bescheiden. Het diaconaal zakboekje bevat vele gegevens. Bovendien is het heel gemakkelijk zo te regelen, dat men in provinciaal verband een deskundige kan raadplegen.

5. Betekenis van de rechtsplicht.

Het is van groot belang dat de betekenis van de rechtsplicht van de overheid goed doordringt, want er is een soort drempelvrees, die velen terughoudt van het vragen van bijstand. Ik heb een gezin gekend dat kapot ging onder de last van enige zwakzinnige kinderen in een inrichting en dat er lange tijd niet toe te brengen was hulp te vragen van de overheid. Tenslotte lieten de ouders zich overtuigen en werden van een zware financiële druk verlost. Wij allen kennen wel bejaarden die liever ver onder het sociaal minimum leven, dan dat ze een beroep zouden doen op sociale zaken. Nog altijd wordt het bureau van de dienst wel aangeduid als „het schooiersbureau”. Onlangs zei een vertegenwoordiger van een bejaardenbond op een vergadering: „Als ik ƒ 3000,— A.O.W. krijg, moet ik er dan nog ƒ 600,— bijschooieren?”

Dit zijn opvattingen die volkomen uit de tijd zijn. Men heeft een wettelijk recht op bijstand volgens de Algemene Bijstandswet van hetzelfde karakter als het recht dat men had volgens de noodwet Drees. Niemand heeft er ooit bezwaar tegen gemaakt van Drees te trekken. Voor de Algemene Bijstandswet heeft men niet meer te doen dan men voor de noodwet Drees moest doen, nl. aantonen dat men in aanmerking komt voor een uitkering. Maar dat moet men zelfs doen bij een sociale verzekeringswet.

Die vrees voor sociale zaken heeft natuurlijk zijn wortels in hef verleden, niet of nauwelijks — daarvan ben ik overtuigd — in de practijk van het heden. Maar als de Algemene Bijstandswet straks in werking zal treden zijn er nog meer garanties dat de vrijheid en zelfstandigheid van de aanvrager niet nodeloos zullen worden aangetast. Zo zal het „plaatsen” van personen in inrichtingen door de diensten van sociale zaken straks zijn afgelopen, behalve voor diegenen die hun eigen belangen niet kunnen behartigen zoals b.v. psychiatrische patiënten. Maar alle anderen krijgen eenvoudig een aanvulling op hun inkomen waar niemand, ook niet de directie van een inrichting of tehuis, wat mee te maken heeft. Zo zal een bejaarde zelf zijn pensionprijs betalen. Niemand hoeft te weten of dit geheel eigen geld is, dan wel of hij een aanvulling ontvangt van sociale zaken. In de grotere gemeenten krijgt de bejaarde zijn aanvullende bijstand al via een postchèque, dus op zeer discrete wijze. Dat lijkt mij ook van veel belang voor degenen die altijd zelf de pensionprijs hebben betaald, maar het niet meer kunnen bolwerken bij de voortdurend stijgende pensionprijzen. De nieuwe regeling geldt evenwel niet alleen voor hen, maar voor iedereen, met uitzondering alleen van diegenen die niet in staat zijn hun eigen belangen te behartigen.

Wij kennen van oudsher de zogenaamde „schamele armen”. Schamel heeft hier de betekenis van „schaamachtig”, „beschaamd”.1) Het zijn de stille armen die te beschaamd zijn om met hun armoede voor den dag te komen. Onder hen wordt tegenwoordig nog de meeste echte armoede geleden. Het is te hopen dat zij de vrijmoedigheid zullen vinden nu een beroep te doen op de Algemene Bijstandswet. Daaraan zullen wij door het geven van de juiste voorlichting allen kunnen meewerken.

6. De grenzen van de rechtsplicht van de overheid.

De Algemene Bijstandswet berust op de grondgedachte van de rechtsplicht van de overheid tot het verlenen van bijstand. Dit wordt in alle toelichtingen heel sterk naar voren gebracht. Wij dienen evenwel niet te vergeten dat de wet nog een andere grondgedachte heeft, nl. die van de persoonlijke verantwoordelijkheid. De verantwoordelijke maatschappij en de verantwoordelijke mens zijn twee componenten, die nooit gescheiden mogen worden. Op welke van de twee de nadruk valt, hangt af van de omstandigheden. In de crisistijd van de dertiger jaren, toen men nog moest wennen aan de gedachte van een diepgaand overheidsingrijpen, sprak de overheid graag over de persoonlijke bestaansverantwoordelijkheid. Dat was niet juist in een tijd toen er een massale economische ramp over de wereld kwam, waartegen men alleen collectief wat kon uitrichten. Na twintig jaren van crisis, oorlog en een precaire vrede werd de leus van de verantwoordelijke maatschappij aangeheven. Misschien is nu een moment gekomen om in te zien, dat voor een menswaardig bestaan beide factoren van belang zijn. Iemand die alleen een voorwerp van zorg is, en alleen rechten kan doen gelden, wordt beroofd van datgene wat hem tot mens maakt: nl. het persoon-zijn.

De Algemene Bijstandswet doet op onbekrompen wijze recht aan het beginsel van de verantwoordelijke maatschappij. Maar tegelijk houdt zij het andere beginsel in het oog, dat iemand verplicht is voor zichzelf en zijn naaste verwanten te zorgen. Bij deze plicht vindt de rechtsplicht van de overheid zijn grens. Wij willen nu zien op welke wijze deze andere grondgedachte van de Algemene Bijstandswet in de wet tot uiting komt.

In artikel 1 van de wet wordt al gezegd, dat de bijstand mede afgestemd wordt op het besef van verantwoordelijkheid dat men zelf getoond heeft. Bovendien moet de bijstand er op gericht zijn de betrokkene zo mogelijk in staat te stellen zelfstandig in zijn bestaan te voorzien. Men zegt wel eens, dat de opheffende zorg die de Armenwet kent, niet voorkomt in de Algemene Bijstandswet. Dat is waar als men doelt op een soort bevoogding die de mens niet zelfstandig maakt, maar afhankelijk. Maar als men goed toeziet, bemerkt men dat de Armenwet en de Algemene Bijstandswet er beide naar streven degene die niet in zijn onderhoud kan voorzien, weer zelfstandig te maken. Daarom moeten ook in de nieuwe wet burgemeester en wethouders aan de bijstand voorwaarden verbinden, die er op gericht zijn de betrokkene weer in te schakelen in de arbeid. Dat gebeurt alleen dan niet, als redenen van medische, sociale of andere aard zich ertegen verzetten. Iemand moet dus bereid zijn mede te werken aan het herwinnen van zijn zelfstandigheid; wil hij dat niet, dan kan de bijstand worden verminderd of beëindigd of bij een nieuwe aanvraag worden geweigerd. De ervaring heeft geleerd dat het aanbieden van arbeid in het kader van de gemeentelijke sociale werkvoorziening een zeer goed middel is om te onderzoeken of iemand bereid is zijn eigen verantwoordelijkheid waar te maken.

De gedachte dat men in geval van nood altijd op de overheid kan terugvallen, mag er ook niet toe leiden dat men zelf niet alle mogelijke voorzorgsmaatregelen neemt. Iemand die dat niet gedaan heeft, zal geen bijstand worden geweigerd. Moet iemand in een ziekenhuis worden opgenomen terwijl hij geen verzekering heeft gesloten, hoewel hij daartoe wel in staat was, dan zal de gemeente wel de kosten van de verpleging betalen. Maar het betoonde gebrek aan verantwoordelijkheid komt de man duur te staan. Terwijl normaal de kosten van de bijstand niet op de betrokkene zelf worden verhaald, zal in dit geval wel verhaal worden toegepast. De betrokken persoon wordt dus wel geholpen, maar alleen met een voorschot; dat voorschot zal hij moeten terugbetalen.

Dat men verantwoordelijkheid heeft jegens degenen die iemand het naast staan, komt ook tot uiting in het verhaal. Het verhaal was altijd de keerzijde van de medaille van de hulp, verleend op grond van de Armenwet. Ook hierdoor werden vele bejaarden er van teruggehouden om bijsteun te vragen aan sociale zaken, omdat die steun zou worden teruggevorderd van hun kinderen. Dat verhaal is een paar jaar geleden al behoorlijk ingeperkt en in de nieuwe wet is dat nog meer het geval. Het verhaal op meerderjarige kinderen en ouders van meerderjarige kinderen is nu helemaal vervallen. Maar de onderlinge verantwoordelijkheid in de kleinste familiekring tussen ouders en minderjarige kinderen is gebleven. Iets anders is in onze maatschappij ook bijna niet denkbaar.

Wel is er aanleiding ook in deze gevallen het verhaal zeer gematigd toe te passen, als b.v. de echtgenoot of een of meer der minderjarige kinderen in een inrichting zijn opgenomen en het overblijvend gezin onder de verhaalslast al te zeer gebukt zou gaan. Overigens geldt nu evenals vroeger dat de mogelijkheid van verhaal zich niet verder uitstrekt dan de onderhoudsplicht van het Burgerlijk Wetboek.

Op één belangrijk punt met betrekking tot het verhaal moet ik nog wijzen, nl. dat het verhaal op de persoon zelf in principe is afgeschaft. Tot dusver is het zo, dat wie bijstand ontvangt op grond van de Armenwet, deze moet terugbetalen als hij daartoe in staat is. Er ontstaat een verhaalsschuld, die gedurende 15 jaar na de verleende hulp nog invorderbaar is. De memorie van toelichting zegt terecht dat het bestaan van deze schuld een ongunstige invloed kan hebben op de pogingen tot herstel van de onafhankelijkheid van de betrokken persoon. Juist vanwege de belemmering die deze verhaalsschuld vormde voor het weer zelfstandig worden van de persoon, is deze vorm van verhaal afgeschaft. Dat is dus gebeurd om de persoonlijke verantwoordelijkheid van de betrokkenen niet al te zeer te belasten. Het is dus niet in strijd met wat ik zoëven zei over de rechtsgrond voor het verhaal. Dat blijkt ook hieruit, dat het verhaal op de betrokkene zelf weer wel kan worden toegepast als hij bijstand heeft verkregen door het geven van onjuiste of onvolledige inlichtingen, of als hij zich niet houdt aan de opgelegde voorwaarden, dan wel omdat bijstand nodig is door zijn eigen gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef. De afschaffing van deze vorm van verhaal heeft een belangrijke consequentie. Financiële bijstand ontvangen op grond van de Armenwet, kon niet worden beschouwd als een inkomen, omdat er een verhaalsschuld ontstond. Nu er geen verhaal op de betrokkenen zelf meer plaatsvindt is het wel een echt inkomen en over zulk een inkomen moet men belasting betalen. Volgens het belastingtarief dat op het ogenblik geldt, moet een echtpaar vanaf een inkomen van ƒ 2700,— per jaar inkomstenbelasting betalen. Maar de gewone uitkering voor een echtpaar op grond van de Armenwet bedraagt met ingang van 1 jan. 1964 al ƒ 3.700,— en bij dat inkomen betaalt men ƒ 156,— belasting.

De uitkeringen die sociale zaken geeft mag men wel als een sociaal minimum beschouwen. Het merkwaardige is nu, dat de fiscus van dat sociaal minimum nog een bedrag aan belasting wil hebben, dat dus in mindering komt op het allernoodzakelijkste. Dat is een misstand waarop juist in deze dagen terecht de aandacht wordt gevestigd.

De desbetreffende belastingtarieven waren misschien niet onrechtvaardig toen ze werden opgesteld, want toen kon men van hetgeen men overhield na het betalen van de belasting nog wel rondkomen. Door de achteruitgang van de waarde van het geld is dat nu niet meer het geval. Wanneer wij hierin niet onmiddellijk verbetering brengen, is het bestaan van deze onjuiste situatie alleen het gevolg van onze traagheid. Met deze verbetering voor de allerkleinste inkomens zou de Regering eigenlijk geen dag mogen wachten.

7. De diaconale verantwoordelijkheid.

Mijn onderwerp is: bijstand en diaconale verantwoordelijkheid. Tot dusver hebben we veel gesproken over de Algemene Bijstandswet en weinig over de diaconale verantwoordelijkheid. Toch heb ik ook bij de bespreking van de Bijstandswet er al enige keren op gewezen, dat de diaconale verantwoordelijkheid niet eindigt waar de Bijstandswet begint; wij mogen onze naaste niet los laten zodra hij met de overheid te maken krijgt, maar moeten hem helpen de hulp te krijgen waarop hij volgens de wet recht heeft.

Op de diaconale verantwoordelijkheid wil ik graag nog wat dieper ingaan, maar eerst willen we nog eens nagaan wat de wet zelf zegt over de taak van het kerkelijk en particulier initiatief zoals men dat tegenwoordig noemt. Dat gebeurt in de bekende artikelen 2 en 7.

Over artikel 2, dat handelt over de bemiddeling en verwijzing van overheidswege naar het kerkelijk en particulier initiatief, zou ik alleen dit willen zeggen. In april van dit jaar behandelde de vereniging van directeuren van sociale zaken, de Divosa, een introductie van de Algemene Bijstandswet. Behalve dit groene boekje was er nog een tweede uitgangspunt voor de besprekingen: een boekje met 172 vragen, opgesteld door de provinciale afdelingen van Divosa. Een van die vragen is deze: „Mag een gemeentebestuur bemiddeling verlenen ter verkrijging van dienstverlening door een kerkelijke of particuliere instantie, die daartoe geen deskundige beroepskrachten in dienst heeft?”

Een lijst van 172 vragen is te lang om op één dag te worden beantwoord en voorzover ik weet is op deze vraag op de congresdag geen antwoord gegeven. Maar het antwoord is, dacht ik, wel duidelijk. Als geen deskundige beroepskrachten in dienst zijn bestaat de dienstverlening niet, die de wet op het oog heeft en kan er dus ook niet naar worden bemiddeld. Deze vraag bracht mij overigens in herinnering de discussies over de overdracht van het gespecialiseerde maatschappelijk werk voor gerepatrieerden aan het algemeen maatschappelijk werk, waarbij geconstateerd moest worden, dat er in vele plaatsen nog helemaal geen kerkelijk maatschappelijk werk is om deze arbeid onder de gerepatrieerden over te nemen. Dit noemden wij toen de witte plekken op de kaart. Die witte plekken op de kaart komen ons weer op pijnlijke wijze voor ogen bij een vraag als ik hierboven noemde. Het is duidelijk dat een van onze eerste taken is de aanstelling, hetzij alleen hetzij in samenwerking met anderen, van maatschappelijk werksters in gemeenten waar zij nog niet zijn en waar er toch behoefte aan bestaat. Dat is ook een stukje diaconale verantwoordelijkheid.

Het andere artikel, dat een beroep op ons doet, is artikel 7 en wel in het bijzonder het tweede lid. Dat komt in hoofdzaak er op neer, dat uitkeringen van kerkelijke instellingen als regel niet in mindering worden gebracht op de uitkeringen krachtens de Algemene Bijstandswet. Dat is een belangrijke bepaling, die een eind maakt aan de toestand waartegen wijlen Dr. Adriani op de conferenties van de Federatie van Diaconieën reeds te velde trok: de toestand waarbij de diaconie verlaagd werd tot een hulpkas voor het burgerlijk armbestuur. Het burgerlijk armbestuur zette de diaconie min of meer onder druk om voor een bepaalde hulpverlening ook iets bij te dragen en paste haar eigen bijdrage daar bij aan. Als ik goed ben ingelicht dan komt dit nog wel hier en daar voor, vooral op het platteland. Terwille van een goede verhouding doet men daar veel, waar men in een stad niet aan zou denken. Het is goed, dat deze toestanden nu een einde nemen. De diaconie verkrijgt nu vrijheid van beweging, vrijheid tot een aanvullende hulpverlening die in bepaalde gevallen nodig kan zijn.

De toelichting op de wet verontschuldigt zich als het ware voor de beperkingen die de Algemene Bijstandswet juist als wettelijke voorziening in acht moet nemen. Familieleden en kerkelijke en particuliere instellingen, zo gaat de toelichting verder, zijn in de gelegenheid ook daar nog financiële hulp te bieden, waar de overheidsbijstand aan zijn grens gekomen is. Een uitkering volgens de Algemene Bijstandswet vrijwaart voor gebrek, ze geeft — zoals men tegenwoordig zegt — het sociale minimum. Maar in een welvarende kerkelijke gemeente zal men wel eens iets willen doen om deze „mensen van het minimum” het leven te veraangenamen door hun een extra bedrag te geven voor kleding e.d. Hoever de diaconie hierin zal gaan hangt geheel af van plaatselijke omstandigheden en ook van de vraag in hoeverre de kerkelijke gemeente inderdaad een gemeenschap is.

De Gemeente van Christus is een liefdesgemeenschap rondom het Heilig Avondmaal. Zoals het oude Avondmaalsformulier het zo prachtig zegt, zullen wij allen om Christus’ wil door broederlijke liefde tezamen één lichaam zijn en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen. In dit licht moeten wij uiteindelijk de diaconale verantwoordelijkheid zien, die niet een verantwoordelijkheid is van diakenen alleen, maar van de gehele gemeente.

Zo gezien kan de vraag of de overheid geen diaconale taken overbodig maakt, niet eens aan de orde komen. In mijn verhaal heb ik wel blijk gegeven van een zeker enthousiasme voor de Algemene Bijstandswet, ondanks critiek op enkele onvolkomenheden. Wanneer wij de lange geschiedenis van de armoede overzien, dan vertegenwoordigt een wet als de Algemene Bijstandswet een hoogtepunt waarvan men in vroeger tijd niet heeft kunnen dromen.

Maar de beste wetten brengen ons geen stap dichter bij het Koninkrijk Gods. Montesquieu heeft eens gezegd, dat het een eeuwige hersenschim der mensen is de volkomenheid, die ze zelf niet bezitten, in wetten neer te leggen. Maar de leefbaarheid van het leven wordt niet in de eerste plaats bepaald door de wetten, maar door de gezindheid der mensen jegens elkaar. Onze moderne sociale wetten zijn als de prachtige monumenten die in de oudheid een bezoeker van Rome en Athene met stomme bewondering vervulden. Maar die monumenten zijn nu ruïnes en de maatschappij waarin ze ontstonden is door een innerlijk bederf ten onder gegaan. In onze tijd is er naast een verheugende ontwikkeling ook een desintegratie (afbrokkeling) van oude waarden te constateren die ongerustheid wekt. Het lijkt wel of de uiterlijke solidariteit via de sociale zekerheidswetgeving, dus via de machtige hand der overheid steeds toeneemt en de onderlinge verbondenheid der mensen van hart tot hart steeds minder wordt. Het moderne maatschappelijk werk signaleert dat er steeds meer mensen komen, die rondlopen met het gevoel dat ze nergens meer bij horen. Het gaat hier niet alleen om de spreekwoordelijke eenzame bejaarden. Want zouden de excessen van de jeugd ook niet voortkomen uit een gevoel dat men er niet meer bijhoort en er ook niet bij wil horen?

Daarom zou ik — als we het hebben over diaconale verantwoordelijkheid — niet alleen willen spreken over de dienstverlening van artikel 2 van de Bijstandswet en over de aanvullende bijstand van artikel 7. Wij moeten dieper graven en in het licht van het Avondmaalsformulier ons afvragen, hoe wij in deze tijd met de daad kunnen bewijzen niet alleen dat wij als leden van één gemeente van Christus elkander liefhebben, maar ook dat wij meeleven met de noden van de wereld. Het gaat daarbij niet of niet alleen om nieuwe experimenten, maar ook om een nieuwe waardering voor wat wij al hebben. Ik denk aan de christelijke inrichtingen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen, inrichtingen voor kinderbescherming en zovele andere. En buiten de inrichtingen, in de open maatschappij zijn nog vele diaconale taken te verrichten, waarbij niet alleen de bejaarden, maar ook de kinderen onze bijzondere aandacht moeten hebben. En dan spreek ik nog niet eens van de nieuwe taken van het diaconaat in de ontwikkelingslanden. Wij behoeven echt niet te twijfelen of er in deze tijd nog wel noden zijn waarin wij hebben te voorzien. Wij moeten wel de Heer van de Kerk bidden of Hij ons wil laten zien wat er in deze tijd het eerst van ons gevraagd wordt.


* Het referaat van de heer Koerts werd op 11 juni j.l. tijdens de diaconale zomerconferentie uitgesproken.

1) Bij de behandeling van de Armenwet 1854 sprak men van de..pauvres honteux”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.