+ Meer informatie

Een rapport over het ambt II

13 minuten leestijd

Ambten en diensten.

„Wat is er aan de hand met het ambt?” is de titel van een studierapport, dat de ge nerale synode van de Nederlandse Her vormde Kerk publiceerde. We vertelden de vorige keer iets over de voorgeschiedenis. Dit rapport is geschreven door dr. H. Berkhof. We vinden een neerslag van de kritische bespreking in de synode, als bijlage.

We willen nu proberen iets uit de inhoud weer te geven.

Direct valt op, dat in paragraaf 6 (de cijfers verwijzen naar de paragrafen, niet naar de bladzijden) gezegd wordt dat wij in het Nieuwe Testament geen scheidslijn getrok ken zien worden tussen ambten en diensten. De definitie van ambten sluit hierbij aan: „Onder ambten verstaan wij die binnen een christelijke kerkgemeenschap algemeen erkende functies die zich van haar andere functies daardoor onderscheiden, dat zij het heil van Christus representeren en ver tolken en dus doende de kerk met gezag bij zijn genade en bedoelingen bepalen” (7). Opvallend dat ambten hier als functies worden aangeduid. Dit zegt direct al iets over de richting waarin gedacht wordt. Men lette er op, dat in de omschrijving wel de term gezag voorkomt, maar dat deze niet met het Woord verbonden is. Over het algemeen kan men zeggen, dat de refor matorische ambtsleer het gezag van het ambt zoekt in het Woord. Dat gebeurt hier niet.

De ambten representeren het heil van Christus. Zij vertolken dat en bepalen aldus de kerk met gezag bij de genade en de bedoelingen van Christus. We zullen na tuurlijk ook moeten vragen naar de bete kenis van: het heil représenteren. Is dat iets anders dan het Woord bedienen en dat in het diaconaat in praktijk brengen?

Verder rijst de vraag: wat is bedoeld met het bepalen bij de genade en de bedoe lingen van Christus? Bepalen bij lijkt wat anders dan bedienaar zijn van het evangelie van genade.

Tenslotte blijkt dat het gezag met de zaak van het bepalen bij de genade is gegeven. We zien nu eerst hoe dit rapport deze om schrijving met de bijbelse gegevens in over eenstemming denkt te brengen.

Schrift gegevens

Het uitgangspunt wordt genomen in de nieuwtestamentische gegevens. Het oud testamentische ambt heeft in Christus zijn grote ambtsdrager gevonden. Het midde laarskarakter dat de oudtestamentische ambten bezaten, keert zo, na de verschij ning van de ene Middelaar niet terug.

Het valt op dat Berkhof onderscheid maakt tussen brieven die van Paulus zijn en die welke wel aan hem worden toegeschreven, maar niet van hem afkomstig zijn. Daaron der rekent hij Efeze, 1 en 2 Timotheüs en Titus.

In de nieuwtestamentische wetenschap wordt deze stelling vaker verdedigd. Toch is er nogal wat tegen in te brengen.

In elk geval boekt Berkhof hiermee deze winst, dat hij over de ambten in deze brie ven kan spreken als niet door Paulus inge steld. Dat wordt ook duidelijk zo gezegd, als het gaat over Handelingen. Als we in 14 : 23 lezen dat Paulus oudsten heeft be noemd en bevestigd, zegt het rapport: Uit de brieven van Paulus blijkt dit niet (12). Verder wijst Berkhof op de grote verschei denheid binnen het Nieuwe Testament.

Het wil ons voorkomen dat deze verschei denheid daarom zo groot geacht wordt, omdat het rapport haar zelf poneert, nadat men de eenheid in de gegevens doorbroken heeft. Wanneer men zegt: de pastorale brieven (Timotheüs en Titus zijn niet van Paulus; Efeze wijst op een veel latere ont wikkeling en kan dus ook niet van Paulus zijn) dan is het geen wonder, dat men met het woord oudste uit 1 Petrus, Jakobus en de brieven van Johannes niet veel weet te beginnen.

Resultaten van het historisch-kritisch bijbel onderzoek worden in dit rapport ingedra gen. Het lijkt ons in strijd met de gegevens van het Nieuwe Testament zelf om de ver schillende delen zo in stukjes te snijden. Men kan er dan van alles uithalen.

Dat doet het rapport ook. Het concludeert, dat we op zulke uiteenlopende gegevens geen leer aangaande het ambt kunnen bou wen (16). Moeten we dit nu zien als de grote ontdekking van de twintigste eeuw ten aanzien van de ambten: Men kan uit het Nieuwe Testament geen leer over de ambten afleiden?

De apostelen

Het is al even opvallend, dat het rapport van de apostelen zegt, dat ze geen ambt bekleed hebben. Natuurlijk hebben ze wel een bepaalde taak vervuld. Zij zijn oogge tuigen geweest van de Opgestane. Daaraan ontlenen ze hun gezag als predikers en zendelingen en als stichters en bestuurders van gemeenten. Zij werden niet opgevolgd of vervangen door anderen. Bij een ambt is dat wel het geval. Als de persoon die het ambt bekleedt, wegvalt, wordt hij op gevolgd. Het ambt is meer dan de persoon die het bekleedt. In de apostelen zijn ambt en persoon op unieke wijze verbonden. Met hun dood verdween ook de taak die ze vervulden. *)

Hun gezag is overgegaan op hun geschrif ten. Deze geschriften vormen de hoofdzaak van de kanon van het Nieuwe Testament. Zo wordt hun gezag in de kerk bewaard. (16v.)

Ook dit lijkt ons een constructie. Een deel van de taak van de apostelen was over draagbaar, een ander deel onoverdraagbaar. Dit laatste is met hun dood weggevallen.

*) Het rapport houdt deze absolute schei ding tussen de apostelen en het ambt niet vol. In 33.5 worden de ambtsdra gers „in zekere zin hun opvolgers” ge noemd.

Mensen die Jezus niet persoonlijk ontmoet hebben na zijn opstanding, kunnen geen getuigen van de opstanding zijn. Dat was nodig om apostel te zijn, Handelingen 1 : 22.

We zien in het losmaken van het verband tussen de apostelen en de oudsten al weer een poging een ambtsleer te krijgen die voor allerlei variatie ruimte biedt. Er moet zo weinig mogelijk vastliggen. Het moet alles veranderd en naai de behoeften van de tijd gewijzigd kunnen worden.

Gaven van de Geest

Hoe heeft het er dan toch uitgezien in de nieuwtestamentische gemeente?

Daarop geeft het rapport een duidelijk ant woord. De gemeente was een charismatische gemeente. Ze was vol van de gaven van de Geest. De Geest schonk die gaven in ruime mate. Er was verscheidenheid en veelheid van gaven (18).

Er was wel een ambtelijk tegenwicht. Er moest immers een zekere orde en leiding zijn. De ambtsdragers hebben daarvoor ge zorgd. Maar de gezagsinstanties fungeer den niet dwingend (20).

Nu krij gen we een heel bekende construc tie: Naarmate de gaven van de Geest af namen, nam het ambtelijk gezag toe. Hier worden Geest en ambt tegenover elkaar gesteld. Het kon pas tot een verdere uit werking van de ambten in de kerk komen, men denke aan Efeze, Timotheüs en Titus, die uit de dagen na Paulus’ optreden da teren, toen de gaven en het vuur van de Geest verminderden.

Toen kregen de ambtsdragers hun kans en begonnen duidelijker boven de gemeente uit te steken (22).

Deze constructie is een vinding van men sen. Dr. Herman Ridderbos heeft in zijn boek Paulus (1966) duidelijk laten zien, dat Geest en ambt niet met elkaar strijden. Het is juist de Geest die de ambten en de ambtsdragers geeft tot opbouw van de ge meente. Men kan de charismatische ge meente ( = begiftigd met de gaven van de

Geest) niet uitspelen tegen de ambten. Wie dat nieuwtestamentisch wil staven, moet eerst stukken van het Nieuwe Testament naar achteren geschoven hebben. Dat is in dit rapport ook gebeurd.

Nadat zo het raam voor de leer over de ambten gespannen is, komen de verschil lende namen, die aan de ambten gegeven worden in bespreking. Men lette erop dat dit nu pas gebeurd. Eerst is de werking van deze bespreking geneutraliseerd. Eerst is de charismatische gemeente naar voren geschoven en zijn de ambten naar achteren geduwd. Het is duidelijk dat zij nu nooit meer hun bijbelse plaats in de gemeente kunnen krijgen.

Conclusie.

De conclusie kan geen andere zijn, dan dat we voor de leer aangaande de ambten met het Nieuwe Testament eigenlijk niets kunnen beginnen. Die conclusie lezen we met zoveel woorden in het volgende citaat: „Het wordt tijd dat wij het Schriftgezag op dit punt verstaan als uitnodiging en ge bod om vanuit hetzelfde evangelie op an dere plaatsen en in andere tijden in de vrijheid des Geestes te zoeken naar die ambtelijke uitdrukking die de voortgang van het Woord en de opbouw der gemeente het best kunnen dienen” (33,6).

Merkwaardig dat er ook nu weer een be roep gedaan wordt op de vrijheid van de Geest. Dat argument werd in hervormde kringen destijds ook aangevoerd om de ambten voor de vrouw open te stellen. Dit beroep verbaast ons niet. Wie de gemeente vooral als charismatische gemeente ziet en het instituut van het ambt daaraan onder geschikt maakt, kan in elk voorkomend geval op de vrijheid van de Geest een be roep doen.

Reformatorisch lijkt ons dit niet.

Christus-representatie.

Het rapport ziet het gevaar van willekeur opdoemen. Er wordt nu gezocht naar een norm, die duidelijk maakt wat er in onze tijd nodig is. Deze norm is ook voor ons nog bindend.

Merkwaardig dat niet de exegese, dat wil dus in dit verband zeggen: niet de Schrift zelf, maar de dogmatiek die norm onder woorden moet brengen (33,6).

Nu de Schrift zelf verstek laat gaan, moet de dogmatiek de kerk proberen te behoeden voor willekeur.

We krijgen nu dus een dogmatische ambts leer, die het verlossende woord moet spre ken.

De dogmatiek gaat dan als volgt te werk: De verhouding van Christus en de kerk wordt uitgedrukt in de beeldspraak van hoofd en lichaam. Van de kerk wordt gezegd:: Haar ontplooiing als „lichaam” berust op haar ontvangen van en zich on derwerpen aan haar hoofd” (36). Binnen deze relatie krijgen de ambten hun plaats en inhoud. Zij moeten tegenover de ge meente optreden met een gezaghebbende boodschap en gezaghebbende handelingen. Daarin stellen ze Christus als het Tegen over van de gemeente tegenwoordig (38). Ik citeer nog even, omdat het moeilijk is het in eigen woorden verkort weer te geven: ,,De Geest wekt mensen op en de kerk herkent en roept hen, die in prediking en onderricht, in liturgie en sacrament, in de begeleiding van gemeente en enkeling, in toerusting en sociale arbeid, het Chris tusgebeuren bemiddelend en toepassend voortzetten door de tijd” (39).

Ik moet eerlijk zeggen, dat ik deze termi nologie niet in de Bijbel kan terugvinden. Paulus schrijft: „Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande: in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen”, 2 Kor. 5 : 20. Eenzelfde gedachtengang vinden we in 2 Kor. 3, waar Paulus het heeft over de bediening van de Geest in heerlijk heid. Ook daar gaat het om de verkondiging van het Woord.

Wat moeten we denken bij de woorden „Het Christus-gebeuren bemiddelend en toepassend voortzetten door de tijd”? Het lijkt mij toe dat hier meer gezocht wordt dan de prediking en de bediening van de sacramenten. Zien we hier niet de overgang opdoemen van de verkondiging naar de handeling. Ik noem enkele dingen die me zo maar te binnen schieten: ontwikkelings hulp, jeugdzorg, het steunen van revoluti onaire groepen. Moet de kerk zich deze taken toekennen? En moet ze die zien als het bemiddelend en toepassend voortzetten van het Christus-gebeuren in onze tijd?

Functionaliteit

Het is wel duidelijk dat op het functioneel zijn, het dienstbaar zijn van het ambt alle nadruk valt. Het ambt heeft een dubbele functie. Het moet de gelovigen inlijven in en bewaren bij de gemeenschap met Christus èn het moet de kerk en haar roeping in de wereld doen verstaan. Er is een beweging naar de Here Jezus toe en van Hem uit naar de wereld. „Alles wat de ambten zijn, zijn ze krachtens en voor deze dubbele be weging. Met die functionaliteit staat en valt hun ambtelijkheid” (44).

Het doel van het ambt is het charismatisch functioneren van de gemeente naar binnen en naar buiten (51).

Zo gezien gaat de collegialiteit en de indi vidualiteit of personaliteit hand in hand (56). Er is plaats voor ambtsdragers die aan heel de kerk verbonden zijn en dus niet alleen plaatselijk zijn (57). Ja er is zelfs de mogelijkheid van een personaal universeel ambt (58). Zo kunnen we zinvol met Rome over de stoel van de paus praten. Men ziet welke rijke variatie en brede mogelijkheden in verband met de oecumene er in deze ambtsopvatting liggen. Het is een ambtsopvatting die niet op de Bijbel is gebaseerd, althans niet op de bijbelse gegevens over het ambt. Ze is produkt van de vrijheid van de Geest in een tijd en een dogmatiek, die verlangt dat de kerk het Christus-gebeuren voortzet in de wereld.

Concretiseringen.

Ik kan niet ingaan op de behandeling van de geschiedenis, welke in het rapport wordt gegeven (59-64). Ik verwijs daarvoor graag naar de publikatie „Geen ander Ambt”, van W. Balke en K. Exalto, wier artikelen uit de „De Waarheidsvriend” in deze brochure werden gebundeld (Maassluis 1971). Het ligt voor de hand dat gepleit wordt voor een bisschop (68) en voor bovenlokale ambten (67). De vraag rijst of er geen ambtsdragers zijn die als zodanig nog niet erkend worden. Het rapport denkt aan vormingsleiders, jeugdwerkleiders en kerke lijk-maatschappelijke werkers (71).

Het is gewenst dat er eigenlijk maar één ambt is, dat in vieren uiteen moet vallen: de dienaar des Woords, de leraar, de her der, de diaken (80). Hiermee komt men tegemoet aan de wens om zoveel mogelijk specialisten in de kerk aan het werk te zetten. De herder behoeft dan niet te pre ken en de leraar behoeft geen huisbezoek te doen.

Hier worden de ambtsdragers, de deskun digen voor hun sector. Men kan moeilijk bestrijden dat er zo een nieuw type geeste lijkheid zal ontstaan die van de deskundi gen, waartegenover de gewone gemeente leden dan als niet-deskundigen de onmon dige leken zullen zijn.

Fundamentele bezwaren.

Dit rapport is een grootse poging om de inrichting van de kerk en haar bewerktui ging via het ambt aan te passen bij de ver schuivingen die zich in onze maatschappij voltrekken.

Men heeft eerst het Nieuwe Testament zichzelf onbevoegd laten verklaren om ten aanzien van de ambten het laatste woord te spreken. Nu haalt men in de vrijheid van de Geest de ambtelijke opzet uit het huidige maatschappelijke leven vandaan. De dog matiek moest de eenheid in de ambtsleer redden. Ze kan dat doen als ze bij de sociologie te rade gaat.

Ons grote bezwaar is dat het ambt hier niet aan het Woord gebonden wordt. Spe cialisatie in allerlei maatschappelijke taken en sociale methodieken zijn vereist om het ambt te bekleden.

Mèt drs. Exalto zeg ik: het centrum is de weg. De dienst des Woords met de daarbij behorende bedienaar van het Woord is terzijde geschoven. De doorsnijden van de relatie apostel en ambtsdrager is daarvoor karakteristiek. Alle ambtelijke arbeid is gebonden aan het eenmalig apostolisch ge tuigenis!

De Geest wordt hier de grote drijfkracht van de Kerk. Is dat dan zo onjuist en verkeerd? Neen, wanneer de Geest gebôn den is aan het werk en het Woord van Jezus Christus. Dat is hier niet het geval. Daarom zien we in deze ambtsleer de geest drijverij om de hoek komen. Het is merk waardig dat in de nieuwe theologie de geestdrijverij de kop zo duidelijk opsteekt Hoe kan het ook anders, als men van de mens uitgaat.

Blijkens de definitie van de ambten is dat immers het geval. Een dienst die door men sen erkend wordt, heet een ambt. De bin ding aan het Woord en de instelling door Christus met de daarbij horende verkiezing en roeping zijn hier verdwenen.

Het is te hopen dat er voldoende reforma torische krachten in de Hervormde kerk zijn om het gevaar dat met dit rapport op geroepen is, te keren. Aanvaarding en doorvoering van deze gedachten zullen de kerk nog verder doen seculariseren. De functionaliteit van het ambt moet de plaats van het opzijgeschoven Woord opvullen. Daarvan is geen heil te wachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.