+ Meer informatie

SLOTWOORD

8 minuten leestijd

Niet gelijk Mozes (2 Korinthe 3:12)

Gezien de verscheidene, en vooral ook verschillende aandachtspunten die het voorbereidend Comité op de agenda plaatste, moest ik denken aan wat een vriend mij eens vertelde over zijn moeder. In hun hun gezin waren er vijf kinderen, van verschillende leeftijden èn soms zeer uiteenlopende meningen. Met woorden, maar ook soms met daden werd aan die verschillen uiting gegeven. Ruzie dus. B.v. onder het afwassen en daarbij wel eens ter afwisseling van het zingen van vrome liederen! Als de twisten te hoog opliepen, wist moeder feilloos de veroorzaker te vinden, en dan had ze een flesje met stroop klaar staan. De zondaar kreeg dan een lepeltje stroop en meestal hielp dat uitstekend. Maar als ze vond dat alle vijf kinderen tegelijk de bron van de narigheid waren, dan nam ze voor zichzelf een beetje stroop, en zie, dat hielp ook vaak best! Moeder doorzag dus heel goed haar kinderen, maar ze had ook een heldere kijk op zichzelf!

Nu wij bijna aan het eind van de conferentie gekomen zijn, waarin heel wat kritische dingen over ons kerkelijk leven zijn geuit, komen we toch weer bij onszelf uit. Wij gaan straks ieder weer terug naar onze plaats in diezelfde kerk, welk ambt we ook dragen. Is het nodig dat wij ook zelf, na over anderen te hebben gesproken, een ‘lepeltje stroop’ meekrijgen? Ik heb zo’n idee dat dit aangeeft wat van mij wordt verwacht. De voorzitter nodigde mij uit tot het spreken van een ‘bemoedigend woord’. Geen stroop-smeren dus, maar toch … kan ik u iets meegeven, bij voorkeur uit de Heilige Schrift, waardoor u én uzelf én uw kerk weer beter aan kunt.

Ik denk daarbij aan wat het Nieuwe Testament ons vertelt over de moeilijkheden die er gerezen waren tussen de gemeente te Korinthe en de apostel Paulus, die deze gemeente door zijn prediking had mogen stichten. Aanvankelijk was er een sterke band in geloof en liefde tussen beiden. Eigenlijk spreekt dit vanzelf als we door Gods genadige leiding elkaar tot het eeuwige licht van het Evangelie mogen brengen. De tweede zendingsreis zat voor Paulus vol verrassingen. Hij had grote plannen gekoesterd: in heel Klein-Azië de boodschap van Gods genade in Jezus Christus te brengen. Heel vreemd: de Heilige Geest verstoorde dit plan. Waarom? Omdat God niet dacht in provinciën, maar in werelddelen. Paulus moest naar Europa! Dus via Troas naar Philippi, naar Athene en zo naar Korinthe. We zouden zeggen: het liep allemaal als een trein. Zegen op zegen. Nog niet eerder had Paulus zo’n lange tijd op één plaats mogen arbeiden. Na ongeveer anderhalf jaar moet hij terug naar Palestina, maar op zijn volgende reis komt hij te Efeze, een stad in Klein-Azië die op de grote handelsroute naar Korinthe en verder naar Rome leidt. In Efeze ontmoet hij bekenden uit Korinthe en natuurlijk vraagt hij hoe het daar in de gemeente gaat. En dan beginnen de moeilijkheden. De berichten zijn niet zo gunstig: er wordt gesproken over een ‘grove zonde’ in de gemeente. Paulus meent daarover een vermanende brief te moeten schrijven. Dan komt er van de kerkenraad een drietal broeders met een brief, waarin Paulus’ advies wordt gevraagd over vele zaken waarmee men tobt: partijschappen (dominees-aanhangers), slordige avondmaalsversieringen, bloedschande, onjuiste opvattingen over de opstanding. Paulus antwoordt hierop met de brief die wij kennen als 1 Korinthe. Maar deze brief ontketent een stroom van harde kritiek op de apostel. Er wordt zelfs aan zijn apostelschap getwijfeld. Als Paulus dit hoort, maakt hij zelf de reis naar Korinthe en spreekt met de gemeente aldaar. Maar daarmee wordt de toestand nog slechter: hij wordt persoonlijk aangevallen alsof hij onbelijnd de mensen naar de mond praat, de kool en de geit spaart, ja-en-nee-zegger is, kortom iemand is op wie je niet áán kunt. Verdrietig gaat hij naar Efeze terug en schrijft weer een brief, de z.g. tranen-brief (die we verder niet kennen). Hij stuurt deze brief met Titus naar Korinthe. Als hij spoedig daarna weer op reis gaat, komt Titus hem tegemoet met de troostvolle mededeling dat het uiteindelijk toch in orde is gekomen. Dan schrijft hij 2 Korinthe en komt na enig omreizen er zelf terug.

We zien: ook toen konden er zomaar grote moeilijkheden in de kerk ontstaan. Geheel onnodige verwoestingen konden worden aangericht. En we vragen ons af: hoe kan dat toch? Waar komt dit vandaan? Och, daarover zou met weinig woorden veel te zeggen zijn. Over mensen die zondaren blijven, ook in de kerk. Of over de duivel die zijn kapel bouwt waar Christus zijn kerk plant.

Maar laten we op dit moment blijven bij de vraag: hoe reageren we er op? We zien bij Paulus vooral drie dingen:

1. Tot het uiterste toe is de apostel gegaan om de schade te beperken. Hij zegt in zijn brieven persoonlijk zwaar beledigd te zijn geweest over het wantrouwen en de roddel over hem zelf, maar ook over de wijze waarop men de zonden, waartegen hij scherp waarschuwde, bagatelliseerde. Vooral dit laatste kon Paulus niet verdragen. Vandaar zijn scherpe toon. Paulus hield vol totdat het geheel weer in orde kwam, al duurde dit lang. Hij liep echter niet zomaar uit het conflict weg, hij liep niet om die verre gemeente heen. Waarom niet? Omdat het niet ging om Paulus, om zijn genoegen dat verloren ging, om zijn rust. Hij voelde zich aan die gemeente, ook na zijn vertrek gebonden omdat die band door God Zelf gelegd was. In de kerk van Christus gaat het om die Christus! Ook in moeilijkheden kun je die band niet negeren. Laat ik persoonlijk dit mogen zeggen: wat mij aan de Chr. Geref. kerken bindt is niet het genoegen dat ik in haar midden heb beleefd, maar ten diepste mijn doop waardoor ik die gemeente werd ingelijfd, naar Gods eigen bestel. Het is met de kerk precies zo als met het gezin waarin we geboren zijn. ‘t Is best mogelijk dat de buurvrouw veel lekkerder kookt dan moeder, het gezin daar veel blijder en gelukkiger leeft dan het bij ons toegaat, maar je hoort trouw te zijn daar waar God je heeft geplaatst. Ik zeg niet dat er nooit redenen kunnen zijn om over te gaan tot een andere kerk. Maar de band, die door God gelegd is, kan ook alleen in overleg met de Here Zelf worden losgemaakt. En dat laat Paulus in zijn gedrag merken.

2. Het is best mogelijk dat Paulus door dit alles geleerd heeft om wat voorzichtiger met mensen om te gaan, om zijn kritische woorden goed af te wegen, en zo misverstanden te voorkomen. Maar op één punt wil hij niets toegeven. Daarover spreekt hij in 2 Korinthe 3:12. Hij vergelijkt daar wat Mozes gedaan heeft, toen hij voor de tweede keer met de Wetstafels van de Horeb kwam, met wat hij, Paulus mag doen. God zond Mozes niet alleen met de stenen tafels terug, maar ook met Zijn gezicht! Mozes’ gelaat straalde, niet met menselijke trekken, maar met Gods heerlijkheid. Het bleek voor de Here Zelf een blijde gebeurtenis te zijn dat zijn wet, zijn openbaring, nu tot Israël kon doordringen. Het gaat niet slechts om de regels, maar om de God van die regels. Denk b.v. eens aan het Vierde gebod, over de sabbat. Welk gezicht zit daar achter? Een streng gezicht, dat toeziet op wat precies mag en niet mag op die dag? Zo leest Israël de Wet. Maar kijk nu toch eens verder: God is als een vrouw, die tegen haar hardwerkende, druk bezette man zegt: Maak je ook tijd om van mij te zijn? Daarin spreekt hunkering naar gemeenschap. Zo alleen zie het ‘goede’ van Gods Wet, waarover de Psalmen zo kunnen juichen. Maar u weet wat Mozes deed: Israël vroeg hem een sluier voor dat gelaat te hangen. Dus: wel regels, maar zonder gezicht, zonder af te lezen Wie de Wetgever is, wat Hem bezielt. ‘Geen sluier bij mij, geen sprake van’, zegt Paulus. Geen enkele verduistering wat betreff Hem, over Wie wij spreken. De volle heiligheid Gods, en het volle Evangelie.

3. Maar kan de kerk, kan onze kerk dit aan? Is onze historie niet noodzakelijkerwijs een compromis tussen de richtingen en liggingen? Moeten we niet altijd weer de middenweg zoeken? Wie kan dan ambtsdrager zijn?

Wij hebben een verwachting, zegt Paulus, die Mozes zo nog niet kende. Die straling van Gods gelaat behoorde bij de bedeling van het voorbijgaande. Maar God is verder gegaan. Christus is gekomen, Hij heeft ons Pinksteren gegeven. En daarom zou een sluier, een tempering vandaag een groot verraad zijn, en ook een stuk ongeloof. We hebben door Christus de zekerheid dat in Gods werk de straling van Gods vriendelijk aangezicht zo begeerlijk wordt dat de kerk er geheel voor gewonnen wordt. En dus maar voortgaan, breeders en alle werkers, mannen en vrouwen, met vooral Gods gelaat te laten zien!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.