+ Meer informatie

ALEXANDER COMRIE

THEOLOGIE EN WERK

8 minuten leestijd

„... ook voor onze tijd moeten zijn geschriften van de grootste betekenis geacht worden..."

In een tijd, waarin de kerk der Reformatie sterk bedreigd werd door verregaande tolerantie van afwijkende gevoelens, is in Nederland een man werkzaam geweest, die tot de uitnemendste vertegenwoordigers van de Gereformeerde Theologie mag gerekend worden. Deze man, Alexander Comrie, was afkomstig uit Schotland, waar hij opgevoed was in de kringen rondom Ralph en Ebenezer Erskine en Thomas Boston, de mannen die bekend staan als de Seceders, onder wiens leiding de Secession (afscheiding) van de Schotse kerk plaats greep.

Omstreeks 1727 kwam Comrie naar Nederland, met de bedoeling op een handelskantoor werkzaam te zijn. Het kontakt, dat hij kreeg met de godvrezende ambachtsheer van Esselijkerwoude opende voor hem de mogelijkheid om in Nederland theologie te studeren. Het onttrekt zich aan onze waarneming waarom Comrie deze studie niet in Schotland heeft gevolgd, aangezien toch zijn voor-opleiding daar wel op was gericht. Hij studeerde te Groningen. Ongetwijfeld omdat de aldaar docerende hoogleraren een goed getuigenis bij het Gereformeerde volk hadden. Na voltooiing van zijn studie in Groningen, werd deze in Leiden afgerond met een promotie in de filosofische fakulteit, op grond waarvan Comrie de doctorstitel verwierf.

Comrie werd predikant in Woubrugge op 1 mei 1735, waar hij ook bijna 40 jaar bleef. Comrie onderscheidde zich in zijn prediking van velen van zijn tijdgenoten. Een grondige studie lag aan al zijn predikarbeid ten grondslag; tevens waren zijn preken zeer praktisch gericht. De door hem uitgegeven stichtelijke werken leggen daarvan op duidelijke wijze getuigenis af. Ze beleefden zeer veel herdrukken.

Comries boeken

Naast de stichtelijke werken zijn er ook van de hand van Comrie enige werken verschenen, die steeds hun eigen plaats in de Gereformeerde Theologie zullen behouden. Wij noemen: Stellige en Praktikale verklaring van de Heidelbergse Catechismus (1753); Examen van het Onderwerp van Tolerantie (1753-1759); Brief over de Rechtvaardigmaking des zondaars (1761).

Wie de werken van Comrie ter hand neemt moet rekening houden met een belangrijk onderscheid. Zij die echt begerig zijn naar een goed boek, waarin eenvoudig geestelijk onderwijs geboden wordt, kunnen we het „A.B.C. des Geloofs" hartelijk aanbevelen. Daarnaast Comries „Eigenschappen van het Zaligmakende geloof", waarin uitnemende uiteenzettingen zijn aan te treffen.

Om met vrucht de andere hier genoemde boeken te lezen is wel enige oefening nodig in pittige theologische stof; want daartoe kunnen we de hierboven genoemde beslist rekenen.

Comrie heeft juist door zijn geschriften een geweldige invloed uitgeoefend. Tallozen hebben

in hun geestelijk leven, hetzij direkt, hetzij indirekt, invloed van deze schrijver ondergaan.

Heeft Comrie bijzondere opvattingen, die hem van anderen onderscheiden? Hij zelf zou zeer beslist dat ontkennen. Hij beriep zich daartoe nadrukkelijk op de grote Reformatoren en op de belijdenissen uit de tijd van de Reformatie.

De boodschap van Comrie

Om goed te begrijpen welke boodschap Comrie toch zeer nadrukkelijk voor tijdgenoten en nageslacht had, is het goed enigermate op de hoogte te zijn van de kerkelijke strijd in zijn tijd. Er is fel gestreden over het Wezen van het Geloof. De Gereformeerden stonden soms zeer sterk tegenover elkaar. Juist in een tijd, waarin een opkomend modernisme de kerk (en de Republiek) bedreigt en daartegen alle krachten gebundeld moesten worden, worden de Gereformeerden onderling verscheurd.

Wat was dan de eigenlijke vraag? Behoorde het „verlangen naar 't bezit van Christus" ook tot het ware geloof, of moest men pas van waar geloof spreken als men een welverzekerd vertrouwen beoefende aan Christus eigen te zijn. Zowel het eerste als het laatste werd door soms krachtige woordvoerders bepleit. Comrie verdroot deze zaak uitermate. Hij besefte, dat aan beide zijden zaken werden voorgestaan, die schadelijk voor de gemeente zijn. Door sommigen werd zo krachtig de nadruk gelegd op allerlei „eigenschappen en kenmerken van de gelovige", dat de persoon en het werk van Christus Zelf in de schaduw kwamen te staan. Dat is hoogst gevaarlijk. Dan zou men van velen op grond van „eigenschappen" de staat der genade willen aanwijzen, zonder dat Christus als het middelpunt van alle zaligheid gekend werd. En van deze opvattingen was Comrie wars. Hij begeerde het heil in Christus te prediken. Aan de andere zijde dreigden ook gevaren. Werden niet alle geestelijke werkzaamheden, die aan de dadelijke geloofsomhelzingen van Christus vooraf gaan, afgewezen als hebbende enige betekenis. En aangezien ook dat door Comrie verworpen wordt heeft hij gepoogd duidelijk te maken, dat er geen waarachtige geestelijke werkzaamheden kunnen zijn, dan alleen uit Christus vloeiende. Bovendien verenigt het geloof als daad onzerzijds ons niet met Christus. Dat gevaar, dat ten diepste weer bij Rome en het Remonstrantisme brengt, werd door Comrie uitermate goed en scherp onderkend. Comrie houdt vast, dat het geloof met Christus verenigt, maar niet als daad, maar als hebbelijkheid. Nu stoten we hier op een begripshantering, waarin de wijsgerige opleiding van Comrie spreekt. Aristoteles gebruikte deze begrippen ook: actus (daad) en habitus (hebbelijkheid). Om het enigermate voor onze lezers te verduidelijken zullen we een eenvoudig voorbeeld bezigen.

Indien we gezonde ogen hebben zijn we geboren met een „vermogen om te zien"; toch ziet een kind niet direkt alles, althans het onderscheidt nog de dingen niet. Dat gaat het doen wanneer dit gezichtsvermogen, dat in de geboorte gegeven is, zich in de daden van zien gaat oefenen. Een kind heeft een spraakvermogen, maar kan na de geboorte nog geen woord spreken. Dat spraakvermogen moet zich in de daden van spreken openbaren; en in de „oefening van het spreken" komt het kind tot het vormen van woorden en zinnen.

Nu benadrukt Comrie, dat niemand een „vermogen om te geloven" uit kracht van een natuurlijke geboorte bezit. Dit „geloofsvermogen", deze habitus (= hebbelijkheid) wordt nu in de wedergeboorte geplant. In zijn catechismusverklaring wordt het ons duidelijk gemaakt wat hij onder dit „vermogen" verstaat:

„Wij noemen het geloof een ingestorte hebbelijkheid, of vermogen, om het dus van alle anderen te onderscheiden, en om deszelfs ware oorsprong en natuur aan te wijzen. De logici of redeneerkundigen, spreken van een aangeboren kracht, vermogen of geschiktheid om iets te kunnen doen... Het is een ingestort vermogen: het is Gods gave. waardoor wij zalig worden."

In verband met de genoemde strijd benadrukt hij dan: „zoals men altijd geleerd heeft, dat wij door een ingewrocht geloof, door de genade des geloofs en niet door een daad des geloofs Christus worden ingelijfd "

Comrie onderscheidt het geloof van geloven, zoals wij het gezichtsvermogen van het zien onderscheiden.

In zijn uiteenzettingen heeft Comrie wel van filosofische begrippen gebruik gemaakt (dat betreft uiteindelijk alleen

maar een denkmethode), maar zijn opvattingen acht hij voluit in de Schrift en Belijdenis gegrond. Hij verwijst dan nadrukkelijk naar onze geloofsbelijdenis, naar de Catechismus, de Dordtse Leerregels, de geloofsbelijdenis van Westminster. Comrie acht het niet genoeg deze „hebbelijkheid" te bezitten: het moet tot „dadelijkheid" komen, door de werking van de Heilige Geest. Deze gebruikt daartoe het Woord. Juist in zijn „catechismus" heeft Comrie zich hierover breedvoerig uitgelaten.

Niet genoeg zou ik erop kunnen wijzen hoe belangrijk dit hier ons voorgestelde is. Juist ook in onze tijd, waarin heel veel van z.g. „geloofsaktivisme" sprake is, maar waarbij de vraag gesteld mag worden waar het uit voortkomt.

Alhoewel dit onderwerp voor onze jongeren wel wat moeilijk kan zijn, zou het goed zijn dat op verenigingen waar ouderen komen, de Catechismus van Comrie gelezen en onder leiding besproken werd.

Comrie en de rechtvaardigmaking

Een ander zeer voornaam leerstuk, waarover Comrie zich uitvoerig heeft geuit, is het leerstuk van de Rechtvaardigmaking. Een in zijn tijd omstreden leer, zelfs onder godgeleerden. De moeilijkheden met ds. Van der Os uit Zwolle speelden aanvankelijk een rol. Waar ging het over? Een voornaam punt in de reeks van beschuldigingen tegen deze Zwolse predikant was: „Van der Os verstond onder het „in-zijn-in-Christus", „in Hem te geloven en door dat geloof met Hem verenigd, en in Hem ingelijfd, en geworteld te zijn", terwijl hij „dit geloof begreep als een daad die wij oefenen".

Je ziet dus de samenhang met het reeds voorafgegane. Comrie heeft vooral samen met zijn Koudekerkse kollega Nikolaas Holtius zich zeer beijverd voor een reformatorisch verstaan van de Schriftuurlijke leer van de vrije rechtvaardiging van de goddeloze.

Het zou te ver voeren deze zaken verder uit te diepen, maar het zou de moeite zeker lonen.

Tenslotte

Samenvattend mogen we van Comrie zeggen: een uitnemend gereformeerd godgeleerde, die in zijn tijd reeds een grote invloed uitoefende; in de kring van onze gemeenten heeft hij via ds. G. H. Kersten een zeer krachtig stempel op het theologisch klimaat gedrukt. Alhoewel vele andere godgeleerden onder ons bekend zijn en hun geschriften gewaardeerd worden, hebben Comries werken vooral bijgedragen tot „het theologisch eigene", waardoor onze gemeenten zich steeds hebben gekenmerkt.

Ook voor onze tijd moeten zijn geschriften van de grootste betekenis geacht worden, vanwege de vele overeenkomsten in de dwalingen van de 18e en de 20e eeuw.

Een grondige bezinning op en verwerking van Comries theologische oeuvre is voor onze gemeenten een zaak van levensbelang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.